Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK2247

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
07/440176-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gekwalificeerde diefstal, bewijs, wederrechtelijke toe-eigening, technisch bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07/440176-09

Uitspraak: 27 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren te (geboortejaar),

wonende te (adres)

laatstelijk (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. W.S. Ludwig, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten, ten aanzien van feit 2 het subsidiair ten laste gelegde, tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact ook als dit inhoudt begeleiding of behandeling door de ambulante verslavingzorg van Tactus, alsmede het meewerken aan urinecontroles.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2) volledig dienen te worden toegewezen met daarbij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel en dat de vordering van de benadeelde partij

‘(slachtoffer 3)’ tot een bedrag van € 286,78 dient te worden toegewezen, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat deze benadeelde partij voor wat het meer of anders gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de in beslag genomen afstandbediening aan de rechthebbende wordt teruggegeven en dat de overige in beslag genomen goederen verbeurd worden verklaard.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gekwalificeerde diefstal, maar slechts van diefstal.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte wel degelijk het oogmerk had om, na zijn betrapping op heterdaad, met geweld aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken. In dit verband kent de rechtbank met name gewicht toe aan de door aangever (naam 1) en de getuige (naam 2) tegenover de politie afgelegde verklaringen. Zo heeft aangever verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte plotseling een groene schroevendraaier van achter zijn rug pakte en met deze schroevendraaier in zijn richting wees en heeft de getuige (naam 2) verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte plots een groene schroevendraaier pakte en met de punt van deze schroevendraaier in de richting van aangever wees. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door de getuige (naam 3) afgelegde verklaring dat zij heeft gezien dat verdachte zich heeft losgerukt en dat verdachte een groene schroevendraaier vasthield. De stelling van verdachte dat hij weliswaar een schroevendraaier heeft vastgehouden maar dat hij daarmee geenszins het oogmerk had om zijn vlucht mogelijk te maken, is naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van voornoemde verklaringen, niet aannemelijk.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De verdachte dient van het 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Dit omdat verdachte heeft verklaard dat hij de afstandsbediening op straat heeft gevonden en dat van "wederrechtelijke toe-eigening" geen sprake is geweest.

De rechtbank volgt dit verweer niet.

De rechtbank leidt uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen af dat wel degelijk sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte niet uit eigen beweging aan de verbalisanten heeft gemeld dat hij de afstandsbediening op straat had gevonden, terwijl hij hiertoe als vinder wel was gehouden en hiertoe ook de gelegenheid heeft gehad. Voorts laat de rechtbank meewegen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd omtrent de plaats waar hij de afstandsbediening heeft gevonden. Zo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat hij niets over de afstandbediening te zeggen had en dat hij de afstandbediening vast ergens had gevonden, terwijl verdachte later zeer specifiek heeft verklaard waar hij de afstandsbediening op straat had gevonden.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde:

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ook van het onder 3 en 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de jas heeft geleend van een persoon genaamd “(naam 4)” en dat het onderzoek door het NFI met betrekking tot de in deze jas aangetroffen stukjes glas daarom niets zegt over de betrokkenheid van verdachte bij het onder 4 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de jas zou hebben geleend van ene (naam 4), mede gelet op de wisselende verklaringen van verdachte omtrent de eigendom van de in de zakken van deze jas aangetroffen goederen, ongeloofwaardig.

Subsidiair heeft de raadsman van verdachte zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 4 beide betrekking hebben op een Renault Megane, dat de eigenschappen van de ruiten van dergelijke auto’s overeenstemmen en dat daarom niet valt uit te sluiten dat de onderzochte stukjes glas uit de jaszakken van verdachte afkomstig zijn van het onder 1 ten laste gelegde feit. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de eigenschappen van de ruiten van een Renault Megane (feit 4) en een Toyota Yaris (feit 3) overeenstemmen.

De rechtbank verwerpt ook deze verweren. De rechtbank overweegt hiertoe dat de stellingen van de raadsman dat de eigenschappen van voormelde verschillende autoruiten overeenstemmen op geen enkele wijze zijn onderbouwd, terwijl zulks ook niet volgt uit de rapportage van het NFI.

De rechtbank overweegt voorts het volgende. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten gebruik werd gemaakt van dezelfde modus operandi, namelijk met een schroevendraaier de onderzijde van een autoruit onder spanning zetten waardoor deze breekt. Daarnaast is gebleken dat de feiten in dezelfde omgeving zijn gepleegd en dat de tijdspanne tussen de gepleegde feiten en de aanhouding van verdachte relatief kort is. Voorts zijn er glasmonsters veiliggesteld van glasdeeltjes onder de schoen en uit de jas van verdachte. Uit het vergelijkend glasonderzoek van het NFI blijkt, dat het waarschijnlijker is dat een glasdeeltje dat is aangetroffen onder de schoen van verdachte afkomstig is van de autoruit van de Toyota Yaris (feit 3) dan van willekeurig ander glas. Ook ten aanzien van een ander glasdeeltje dat is aangetroffen onder de schoen van verdachte en een glasdeeltje uit de jas van verdachte concludeert het NFI dat het waarschijnlijker is dat deze glasdeeltjes afkomstig zijn van de autoruit van de Renault Megane (feit 4) dan van willekeurig ander glas. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij tijdens of direct na zijn aanhouding op 20 juli 2009 twee politieambtenaren heeft beledigd door hen de termen “kankerlijers”, “klootzakken”, en aan de vrouwelijke ambtenaar specifiek de termen “teringwijf”en “kutwijf” toe te schreeuwen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 juli 2009 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een aan de (straat) geparkeerde auto weg te nemen goederen toebehorende aan (naam 1) en (slachtoffer 3), en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak hebbende hij, verdachte, een ruit van die auto ingedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen (naam 1), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, opzettelijk dreigend een schroevendraaier heeft getoond aan die (naam 1) en zich (met kracht) heeft losgerukt toen die (naam 1) hem, verdachte, had vastgepakt.

2.

hij in de periode van 18 tot en met 21 juli 2009 in de gemeente Deventer opzettelijk een afstandsbediening toebehorende aan (naam 4), welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevonden voorwerp, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in de periode van 18 tot en met 20 juli 2009 te Deventer, aan het (straat) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, (merk Toyota) weg te nemen goederen

toebehorende aan (slachtoffer 1) en zich daarbij de toegang tot voornoemde auto te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, door een autoruit in te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 19 tot en met 20 juli 2009 in de gemeente Deventer, aan de (straat) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk Renault) heeft weggenomen een autoradio toebehorende aan (slachtoffer 2), waarbij verdachte zich

de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.

hij op 20 juli 2009 in de gemeente Deventer opzettelijk beledigend ambtenaar, te weten (naam 5) en (naam 6) gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun

bediening, die (naam 5) in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "stelletje kankerlijers, klootzakken", en die (naam 6) in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "stelletje kankerlijers, klootzakken" en "Teringwijf, kutwijf.

Van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 subsidiair:

Verduistering,

Strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

strafbaar gesteld bij de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen afstandbediening.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 augustus 2009;

een de verdachte betreffend vroeghulp interventierapport d.d. 22 juli 2009 uitgebracht door Tactus verslavingszorg;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 8 oktober 2009 uitgebracht door Tactus verslavingszorg;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij ‘(slachtoffer 3)’ rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 286,78, (vervanging en montage ruit zijdeur) vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij ‘(slachtoffer 3)’ is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft (vervanging en montage voorruit) niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de schade aan de voorruit niet zonder meer is aan te merken als rechtstreekse schade geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van het onder 1 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 286,78 ten behoeve van het slachtoffer ‘(slachtoffer 3)’.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer 1) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 250,- vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van het onder 3 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 250,- ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 1).

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer 2) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 4 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 288,57 vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van het onder 4 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 288,57 ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 1).

BESLISSING

Het onder 2 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 2 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Tactus verslavingszorg, ook indien dat inhoudt een begeleiding of behandeling door de ambulante verslavingszorg van Tactus en meewerken aan urinecontroles, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen afstandsbediening (changer control MEX-BT2600) aan de rechthebbende (naam 4).

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ‘(slachtoffer 3)’, te (adres), van een bedrag van € 286,78 (zegge: tweehonderd zesentachtig euro en achtenzeventig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 15 juli 2009, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 286,78 ten behoeve van het slachtoffer ‘(slachtoffer 3)’, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij ‘(slachtoffer 3)’ voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 1), wonende te (adres), van een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderd en vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 3 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 20 juli 2009, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 250,- ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 1), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2), wonende te (adres), van een bedrag van € 288,57 (zegge: tweehonderd achtentachtig euro en zevenenvijftig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 4 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 20 juli 2009, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 288,57, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. R.A.M. Elbers voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2009.

Mr. R.A.M. Elbers voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.