Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK2232

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
07.620339-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

kennelijk leugenachtige verklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht – Politierechter

Parketnummer : 07.620339-08

Uitspraak : 27 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. De verdachte is niet verschenen. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek bevolen.

De officier van justitie, mr. D. Sarian, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 13.095,19, hoofdelijk en met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

De volgende feiten staan vast .

- Op zaterdag 11 oktober 2008 vóór 23.30 uur hebben buurtbewoners gezien, dat een witte VW Caddy met kenteken [kenteken] wordt geparkeerd op een privé parkeerplaats aan de [adres] te [plaats], bestemd voor bewoners van het daar gelegen flatgebouw en dat drie, mogelijk vier, personen die auto hebben verlaten. Zij vonden dit verdacht, omdat zij de auto niet kenden en deze niet werd geparkeerd op een plaats voor bezoekers van dat flatgebouw. Toen zij bij de auto gingen kijken, voelden ze dat die niet was afgesloten. Achter in de auto hebben zij onder meer een breekijzer en een slijptol aangetroffen. Daarop hebben zij de politie gebeld.

- [verbalisanten] hebben de auto omstreeks 23.35 uur zien staan. Vanaf dat moment is de auto onder observatie gehouden door de [verbalisanten] tot de aanhouding van verdachte en [medeverdachten] op 12 oktober 2008 omstreeks 0.15 uur.

- [verbalisanten] rijden na het zien van de VW Caddy een ronde over het nabijgelegen [adres] en staan enige tijd stil op de parallelweg van de [adres] met uitzicht op de winkelpanden van de Super De Boer en de Aldi te [plaats]. Op 12 oktober omstreeks 0.00 uur horen verbalisanten een luid metaalachtig geluid, komende uit de richting van de Super De Boer aan het [adres] 8 te [plaats]. Zij rijden vervolgens naar het parkeerterrein van Super De Boer en Aldi en worden daar aangesproken door een persoon die hen zei dat hij drie jongens was tegengekomen, waarvan één met een capuchon over zijn hoofd, die hard liepen richting [jongerencentrum]. [verbalisanten] treffen een zwarte tas aan op het [adres] aan de zijde van de Super De Boer met gereedschappen. [verbalisant] klimt op het dak van Super De Boer en ziet dat er een gat is gemaakt in het platte dak van die supermarkt. Ook ziet hij voetsporen.

- [getuige] heeft verklaard, dat hij het metalen geluid uit de richting van de Super de Boer heeft gehoord en toen die richting op keek. Hij heeft op het moment dat de politieauto (met [verbalisanten]) werd geparkeerd, gezien, dat drie jongens vanuit het [adres] richting autobedrijf [naam] renden, dit bedrijf passeerden en richting [jongerencentrum] renden; hij heeft dit aan politieagenten medegedeeld.

- Vervolgens zien de bij de auto postende [verbalisanten] omstreeks 0.15 dat drie jongens kwamen aanlopen en plaatsnamen in de VW Caddy. Na aanhouding bleken zij te zijn verdachte en [medeverdachten].

- Foto’s van de schoensporen op het dak van Super De Boer zijn vergeleken met de schoenen die werden gedragen door verdachte en medeverdachten. Onderzoek door de technische recherche heeft geleid tot de conclusie dat de aangetroffen sporen afkomstig kunnen zijn van de rechterschoen van [medeverdachte].

- [verbalisant] treft in een afvalbak op de looproute tussen de Super De Boer en de plaats waar verdachte en medeverdachten zijn aangehouden, een zwart sweatshirt met capuchon en een rode motormuts “ARROXX” aan.

- Op 14 oktober 2008 is op het terrein van autobedrijf [naam] te [plaats], dat schuin tegenover Super de Boer is gelegen, onder een toen verplaatste auto een rode bivakmuts merk ARROXX gevonden en 3 handschoenen.

- Op een van de ARROXX mutsen is een DNA mengprofiel aangetroffen, waaruit een onvolledig DNA-hoofdprofiel is afgeleid, dat matcht met het DNA profiel van verdachte met een frequentie van kleiner dan één op één miljard . Verder zijn in dat mengprofiel DNA kenmerken zichtbaar geworden van minimaal twee andere celdonoren. Het DNA profiel van [medeverdachte] matcht daarmee. Omdat een statistische berekening niet mogelijk is, leidt dat tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat celmateriaal van die medeverdachte in de bemonstering van die bivakmuts aanwezig is . Hetzelfde geldt voor celmateriaal, dat is aangetroffen op een linkerhandschoen, aangetroffen op het terrein van garagebedrijf [naam] .

Verdachte en [medeverdachten] hebben verklaard, dat zij met zijn drieën naar [plaats] zijn gereden in de door [medeverdachte] bestuurde VW Caddy en dat ze daar nog nooit waren geweest (verdachte en [medeverdachte]), dat ze zich verveelden en nog een discotheek of kroegje wilden zoeken ([medeverdachte]) en toevallig ergens in de provincie Groningen van de snelweg zijn afgegaan ([medeverdachte]).

Verdachte heeft verklaard, dat ze daar een gebouw hebben gezien met automatische schuifdeuren waarvan zij dachten dat het een strip- of sexclub was, dat ze alle drie zijn uitgestapt en dat ze daar zijn gaan kijken. Verdachte verklaart dat hij met een meisje heeft gesproken en dat ze het niets vonden en terug zijn gegaan naar de auto en toen werden aangehouden. Verdachte heeft verder gezegd “hoe kun je nu in een supermarkt inbreken.”

[medeverdachte] heeft verklaard, dat ze 15 minuten in de auto hebben gezeten en de auto kort hebben verlaten, omdat [medeverdachte] moest plassen en de andere verdachten meiden zagen waar ze naar toe zijn gelopen. Hij verklaart dat hij de beide anderen heeft teruggeroepen, dat ze een meter of 50 van de auto vandaan zijn geweest en dat ze toen terug zijn gekomen en niet met de meiden hebben gesproken. De beide anderen zijn volgens [medeverdachte] misschien twee minuutjes weg geweest naar de chikies. Daarna zijn ze in de auto gaan zitten om te blowen, aldus [medeverdachte].

[medeverdachte] heeft verklaard dat ze uit de auto zijn geweest om op een parkeerplaats een jointje te roken, waarbij hij in de deuropening is blijven zitten. Desgevraagd verklaart hij dat hij alleen bij de auto is geweest.

De politierechter oordeelt dat de verklaringen van verdachte en zijn beide medeverdachten kennelijk leugenachtig zijn. Uit de hiervoor besproken vaststaande feiten volgt, dat zij de VW Caddy ten minste drie kwartier voor hun aanhouding hebben verlaten en zich minstens 40 minuten niet in de nabijheid van die auto hebben opgehouden, omdat dat dan gezien zou zijn door de beide verbalisanten die die auto onder observatie hebben gehouden.

Ook stelt de politierechter vast, dat verdachte bij zijn verhoor er blijk van heeft gegeven over daderinformatie te hebben beschikt. Hij versprak zich immers toen hij het had over een inbraak in een supermarkt. [verbalisanten] hebben verklaard dat zij het met verdachte niet over een inbraak in een winkel of supermarkt hebben gehad. Ook [verbalisanten] hebben gerelateerd dat zij alleen over een inbraak, zonder melding te hebben gemaakt van een winkel of supermarkt, hebben gesproken, en dat ook de hulpofficier van justitie het woord supermarkt niet heeft gebruikt bij de voorgeleiding.

Tot slot stelt de politierechter vast, dat nabij de plaats delict op de vluchtroute tussen plaats delict en auto goederen zijn gevonden, waaronder een bivakmuts, met DNA sporen van onder meer verdachte en mogelijk [medeverdachte]. Voor de aanwezigheid van een bivakmuts met een hoofdprofiel van verdachte is geen verklaring gegeven. Het aantreffen van die muts bewijst mede de kennelijke leugenachtigheid van verdachtes verklaring dat hij nog nooit in die plaats was geweest en niet verder van de auto verwijderd was geweest dan de meisjes.

Het technisch bewijs (schoenspoor en DNA) is, behoudens het aangetroffen hoofdspoor van verdachte, niet sterk, maar het levert wel aanwijzingen op richting verdachte en [medeverdachte], terwijl het aangetroffen schoenspoor een aanwijzing richting [medeverdachte] oplevert. Deze aanwijzingen dragen in enige mate bij aan het bewijs.

In onderling verband en samenhang wegend acht de politierechter daarom wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 11 oktober 2008 tot en met 12 oktober 2008 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand aan het [adres] weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan Supermarkt Super de Boer, en zich daarbij de toegang tot dat winkelpand te verschaffen door middel van braak, met een of meer van zijn mededader(s) op het platte dak van dat pand is geklommen en (vervolgens) met gereedschap, althans breekwerktuigen, een gat in het platte dak heeft geknipt en/of gezaagd, althans gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 1 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De verdachte dient van het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de politierechter dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan, de winkelinbraak in de Supermarkt Vomar te Venhuizen op 6 tot 7 mei 2008 stelt de politierechter vast, dat het dossier slechts één aanwijzing bevat die zou kunnen duiden op enige betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Verdachte is immers samen met medeverdachten, die overigens (ook) zijn vrijgesproken, herkend op camerabeelden van een benzinestation nabij Breukelen, derhalve niet in de buurt van de plaats delict. Dat levert onvoldoende overtuigend bewijs op van verdachtes betrokkenheid in enige rol bij dit feit.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan, de winkelinbraak in de Supermarkt Deen te Zuid Scharwoude op 24 tot 25 juni 2008 geldt hetzelfde. Verdachte en [medeverdachte] zijn slechts herkend als bestuurder en passagier van een witte bestelbus die is waargenomen op het tankstation Ruwiel op geruime afstand van de plaats delict. Niet kan worden vastgesteld dat die auto op of nabij de plaats delict is geweest. Dat verdachte en [medeverdachte] toen zijn gezien samen met de inzittenden van een auto waarvan middels een peilbaken wel is vastgesteld dat die in de nabijheid van de plaats delict is geweest, levert onvoldoende bewijs op van verdachtes betrokkenheid in enige rol bij dit feit.

Het onder 4 ten laste gelegde witwassen betreft de buit van de onder 2 en 3 ten laste gelegde inbraken. Dat verdachte daarbij betrokken is geweest, is niet gebleken. Evenmin bevat het dossier (andere) aanwijzingen dat verdachte betrokken zou zijn geweest bij het witwassen van de buit van die feiten.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 45, juncto artikel 310, juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De politierechter is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, namelijk een professionele inbraak in een bedrijfspand waarbij de toegang wordt geforceerd door het dak te openen, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafafdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de politierechter niet aanwezig.

Wel zal de politierechter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu hij de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde zal vrijspreken.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 september 2009;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de politierechter bij het opleggen van de na te melden straf in rekening de straf die verdachte bij vonnis d.d. 4 juni 2009 van de politierechter van de rechtbank Utrecht (ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen alsmede ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) is opgelegd.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich – daartoe vertegenwoordigd door [gemachtigde] – als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 13.095,19.

De benadeelde partij [slachtoffer] dient in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het hem onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De politierechter legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De politierechter bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.W.M. van Hoof, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2009.