Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK2203

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
07.607112-09 en 07.600833-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

poging doodslag / zware mishandeling

(voorwaardelijk) opzet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers : 07.607112-09 en 07.600833-09 (gev. ttz) (P)

Uitspraak: 29 september 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [plaats], [adres].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 15 september 2009.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. van den Elshof.

Tijdens de behandeling hebben de officier van justitie, mr. M.J.E. Vink, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 07.607112-09

1.

hij op of omstreeks 3 november 2008 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft geslagen/gestompt op/tegen de linkerheup en/of (vervolgens) heeft geschopt/getrapt in/op/tegen het linkerbeen en/of de knieholte en/of het rechterbovenbeen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) met een stok/stuk hout heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de (linker) bovenarm en/of de (rechter) schouder en/of de (linker) pols, in ieder geval op/tegen het lichaam en/of (vervolgens) is blijven slaan met die stok/dat stuk hout toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) met een stok/stuk hout heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de (linker) bovenarm en/of de (rechter) schouder en/of de (linker) pols, in ieder geval op/tegen het lichaam en/of (vervolgens) is blijven slaan met die stok/dat stuk hout toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2. niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meerdere malen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) met een stok/stuk hout heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de (linker) bovenarm en/of de (rechter) schouder en/of de (linker) pols, in ieder geval op/tegen het lichaam en/of (vervolgens) is blijven slaan met die stok/dat stuk hout toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 07.600833-09

1.

hij op of omstreeks 27 december 2008 in de gemeente Almere (op het [adres]) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (zwarte) (schouder)tas (inhoudende een paar laarzen en/of een hoeveelheid papieren en/of een rode portemonnee en/of een pen en/of een hoeveelheid make-up), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2008 in de gemeente Almere (op het [adres]) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (paars/zwarte) (schouder)tas (inhoudende een hoeveelheid hoesttabletten en/of een hoeveelheid paracetamol en/of een hoeveelheid lotion en/of een (grijs) t-shirt en/of een schoolboek en/of een hoeveelheid belastingdocumenten en/of een hoeveelheid bankafschriften en/of een portemonnee), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3. DE FORMELE VOORVRAGEN

Bij het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging voor zover dit betreft het onder parketnummer 07.607112-09 ten laste gelegde en dat er geen gronden zijn voor een schorsing van de vervolging.

Parketnummer 07.600833-09:

De rechtbank overweegt ambtshalve met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende.

Verdachte heeft ter zitting en tijdens zijn verhoor ten overstaan van de politie verklaard dat hij in [jaartal] in Zaïre met [slachtoffer] gehuwd is, aldaar met haar een kind gekregen heeft en in 2000 samen naar Nederland gekomen is. Nadien heeft geen echtscheiding plaatsgevonden, aldus verdachte.

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte en het slachtoffer niet met elkaar gehuwd waren ten tijde van het ten laste gelegde.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte en [slachtoffer] ten tijde van de beslissing tot vervolging wel gehuwd waren, zoals verdachte heeft verklaard, met name ook omdat geen feiten of omstandigheden bekend zijn geworden waaruit het tegendeel daarvan zou moeten worden afgeleid.

Gelet op het hiervoor overwogene, dient naar het oordeel van de rechtbank, het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging voor zover dit betreft de zaak met parketnummer 07.600833-09, nu het onder 1. en 2. ten laste gelegde (telkens) ziet op diefstal door verdachte van goederen toebehorend aan zijn echtgenote, waarvan ingevolge artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht, de strafvervolging is uitgesloten.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

De vaststaande feiten

Uit het dossier is het volgende gebleken:

Parketnummer 07.607112-09:

Feit 1:

Op 18 december 2008 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan tegen verdachte . In de aangifte verklaart zij dat verdachte haar op 3 november 2008 opzettelijk heeft mishandeld, door haar op die datum te trappen tegen haar linkerbeen, haar in de knieholte te raken en tegen haar rechterbovenbeen te trappen.

Feit 2:

Op 28 februari 2009 heeft [slachtoffer] wederom aangifte gedaan tegen verdachte ditmaal ter zake van zware mishandeling. Naar aanleiding hiervan is verdachte op 2 april 2009 aangehouden en in verzekering gesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt tegen het linkerbeen, de knieholte en het rechterbovenbeen. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] d.d. 18 december 2008 en de verklaring van verdachte dat hij in november 2008 samen met [slachtoffer] naar de winkel is gelopen en haar toen één keer heeft geschopt waarbij hij haar linker bovenbeen raakte.

Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij verwijst hierbij naar de aangifte van [slachtoffer] , waarin zij zegt op 28 februari 2009 door verdachte met een stok te zijn geslagen, zelfs toen ze al ten val was gekomen. Bovendien hebben [getuige] en [getuige] verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer] op 28 februari 2009 door verdachte met een stok is geslagen en heeft verdachte zelf ook ter zitting verklaard [slachtoffer] op 28 februari 2009 met een stok te hebben geslagen. Uit de geneeskundige verklaring d.d. 6 maart 2009 van de GGD Amsterdam, opgemaakt door geneeskundige P. Harms, blijkt het letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van het incident heeft opgelopen. De officier van justitie leidt uit het feit dat verdachte [slachtoffer] met een stok meerdere keren op het hoofd sloeg en haar ook sloeg toen ze al op de grond lag, af dat verdachte het opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1. refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2. stelt de raadsvrouw dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend te bewijzen is. Over het subsidiair ten laste gelegde, stelt de raadsvrouw dat geen sprake was van het opzet van verdachte om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de door de officier van justitie aangehaalde bewijsmiddelen vloeit volgens de raadsvrouw voort dat het onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel had kunnen bekomen. In ieder geval heeft verdachte niet geslagen toen [slachtoffer] op de grond lag. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende.

Feit 1.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet blijkt dat [slachtoffer] in november 2008 ten gevolge van handelingen van verdachte, letsel en/of pijn heeft bekomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 1. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Feit 2. primair

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde, overweegt de rechtbank dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet blijkt dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Gelet hierop is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat verdachte van het onder 2. primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Feit 2. subsidiair

Ten aanzien van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat verdachte [slachtoffer] willens en wetens zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen ten gevolge van de handelingen van verdachte. Uit de verklaring van de GGD Amsterdam d.d. 6 maart 2009 blijkt dat [slachtoffer] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat in casu ook niet uit de aard van de gedragingen of de omstandigheden waaronder deze gepleegd zijn, afgeleid kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanvaard heeft. Verdachte heeft weliswaar geslagen met een stok, maar deze is tijdens het slaan gebroken. In het dossier bevinden zich foto’s van de gebroken stok . Op de foto’s is te zien dat het weliswaar een lange, maar geen dikke (massieve) stok was.

Nu niet is gebleken dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door zijn, verdachte’s handelen, zwaar lichamelijk letsel op zou lopen, dient verdacht van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Feit 2. meer subsidiair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2. meer subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft ter zitting verklaard [slachtoffer] met een stok te hebben geslagen. Hij ontkent door te zijn gegaan met slaan toen [slachtoffer] op de grond lag. [getuigen] hebben gezien dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen met kracht ([getuige]) met een stok tegen het hoofd sloeg, terwijl [getuige] voorts heeft verklaard dat verdachte doorging met slaan toen [slachtoffer] op de grond lag. De verbalisant die op 28 februari 2009 de aangifte van [slachtoffer] op nam, heeft geconstateerd dat zij op haar linker bovenarm een grote blauwe plek had, op haar rechter schouder een rode plek en op haar linker pols een dikke bult en twee schrammen . Uit de geneeskundige verklaring van de GGD te Amsterdam d.d. 6 maart 2009 van geneeskundige Harms blijkt van het letsel en [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard pijn te hebben ondervonden .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 07.607112-09 onder 2. meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 28 februari 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meerdere malen (met kracht) met een stok/stuk hout heeft geslagen tegen het hoofd en de (linker) bovenarm en de (rechter) schouder en de (linker) pols, en (vervolgens) is blijven slaan met die stok/dat stuk hout toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 2. meer subsidiair meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. KWALIFICATIE

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 07.607112-09, feit 2 meer subsidiair:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6. DE STRAFOPLEGGING

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake het bij dagvaarding met parketnummer met parketnummer 07.607112-09 onder 1. en 2. subsidiair en het bij dagvaarding met parketnummer 07.600833-09 onder 1. en 2. ten laste gelegde tot:

• een werkstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van voorarrest;

• een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke althans een lichtere werkstraf zal worden opgelegd.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 augustus 2009, waaruit blijkt dat verdacht niet eerder is veroordeeld;

- een rapport d.d. 15 september 2009, uitgebracht door G.J.H. Beernink, reclasseringswerker van Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

7. BESLISSING

Parketnummer 07.607112-09:

Het onder 1. en 2. primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2. meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 120 uren, met bevel dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag.

Van de werkstraf zal een gedeelte, groot 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Parketnummer 07.600833-09:

De officier van justitie is niet ontvankelijk in de vervolging voor de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. C.E. Buitendijk en C.P. Lunter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2009.