Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK2177

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
07.607397-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

poging zware mishandeling

voorwaardelijk opzet

aanmerkelijke kans

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07. 607397-08

Uitspraak: 29 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [p[plaats], [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.L. Lischer, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. M.A. Bult, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde tot;

- een werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;

- een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Voorts heeft de officier van justitie opheffing gevraagd van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, (terwijl die [slachtoffer] een kindje van zes weken oud op haar arm had en/of vast had) en/of

- in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of

- een kopstoot in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, (terwijl die [slachtoffer] een kindje van zes weken oud op haar arm had en/of vast had) en/of

- in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of

- een kopstoot in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gegeven.

2.

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte meermalen, in ieder geval eenmaal opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je dood” en/of “Zeg maar niks, want anders ga ik je dood maken”en/of “Als je de politie of iemand anders belt, dan maak ik je kapot” en/of “Maak de deur open, anders ga ik je dood maken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk

een raam/ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

BEWIJS

Verdachte ontkent de aan hem ten laste gelegde feiten. Hij verklaart dat hij op [datum] wel ruzie heeft gehad met [aangeefster], maar dat daarbij geen lichamelijk contact heeft plaatsgevonden. Ook ontkent verdachte de bedreiging en de vernieling van het raam.

De rechtbank overweegt als volgt. In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer]. Zij verklaart dat zij op [datum] ruzie had met verdachte. Zij ligt op bed met hun toen 6 weken oude zoontje op haar arm als verdachte haar de keel dichtknijpt en tegen haar roept dat hij haar dood gaat maken. Aangeefster verklaart dat zij hierdoor geen lucht meer kon krijgen. Als ze later in de kamer van haar kamergenoot [naam] is, krijgt ze een kopstoot van verdachte, zo verklaart ze. De verklaring van aangeefster wordt bevestigd door de verklaring van de huisgenoot van aangeefster, [naam]. Zij hoort gegil uit de kamer van aangeefster en als zij de kamer van aangeefster binnenloopt, ziet zij dat aangeefster op bed ligt en dat verdachte half over haar heen ligt en aangeefster aan het wurgen is. Ze heeft meteen het kind weggehaald en ze hoort verdachte nog zeggen dat hij aangeefster dood gaat maken. Als ze later op haar kamer is samen met aangeefster ziet ze dat verdachte op aangeefster afloopt en haar een kopstoot geeft. Hierna heeft verdachte de woning verlaten.

De rechtbank acht op basis van deze verklaringen, alsook de verklaring van verdachte zelf dat er ruzie was en dat de huisgenoot het kindje bij hen heeft weggehaald, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Het dichtknijpen van de keel leidt tot zuurstofgebrek. Dat is een feit van algemene bekendheid. Dit kan zuurstofgebrek in de hersenen tot gevolg hebben. Deze kans is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Door vervolgens de keel van aangeefster met kracht dicht te knijpen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster hierdoor zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

Ook hetgeen onder 3 ten laste is gelegd, de vernieling van het raam van de kamer van [naam], kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de verklaringen van aangeefster en [naam] wettig en overtuigend worden bewezen. Beiden verklaren dat verdachte nadat hij de woning heeft verlaten terug komt en buiten de woning staat te schreeuwen dat ze deur open moeten maken. Ze horen een knal en zien dat de ruit van de kamer van [naam] kapot gaat. Ook de moeder van verdachte verklaart dat verdachte even thuis is geweest en toen boos naar aangeefster is terug gegaan. De verklaring van verdachte dat hij niet weet hoe het raam kapot is gegaan, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. primair

hij op [datum] in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht)

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, (terwijl die [slachtoffer] een kindje van zes weken oud op haar arm had) en

- een kopstoot tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op [datum] in de gemeente [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte meermalen opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op [datum] in de gemeente [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een raam,

toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield.

Van het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1: Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

3: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd zoals deze hierna is bepaald, waarbij nog het volgende wordt overwogen.

Huiselijk en relationeel geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers hiervan meestal nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. De rechtbank neemt het de verdachte in het bijzonder ook kwalijk dat hij het geweld heeft toegepast terwijl het slachtoffer een pasgeboren baby op haar arm had.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat naast de oplegging van een taakstraf, een voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 september 2009;

- een adviesrapport d.d. 6 maart 2009, uitgebracht door W. Hanse, reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- een adviesrapport d.d. 7 februari 2009, uitgebracht door H.H. Ridderbos, reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede, voorzitter, mrs. M.A. Pot en P.A.L. Ducheine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2009.

Mrs. M.A. Pot en A.P. de Jong-de Goede voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.