Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK1635

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
07.607124-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(on)rechtmatige doorzoeking, tweede keer ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

parketnummer: 07.607124-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de PI Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle.

Raadsman mr. G.I. Roos, advocaat te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juni 2009 en 28 augustus 2009 waarbij de officier van justitie, mr. M. Kamper, en verdachte en haar raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 03 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles port (merk Warre's), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

zij op of omstreeks 07 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee flessen port (merk Warre's), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

zij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie flessen port (merk Warre's) en/of twee pakken kibbeling en/of een pak viskrokantjes en/of een fles cocktailsaus (merk Calvé), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

4.

zij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen (merk Be Wild, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Op 9 april 2009 heeft [aangever] namens [slachtoffer] te Lelystad aangifte gedaan van diefstal. In het opgegeven signalement van de dader herkent brigadier Spraakman van Politie Flevoland daarin verdachte. Brigadier Spraakman stelt [persoon], van het [instantie], op de hoogte van zijn vermoedens. [persoon] heeft de kamer van verdachte bij het [instantie] doorzocht en treft daar een aantal mogelijk gestolen goederen aan.

Naar aanleiding van het aantreffen van vermoedelijk gestolen goederen informeert de politie supermarkt [slachtoffer]. Op 10 april 20009 heeft [aangever], namens [slachtoffer] aan de [adres] te Lelystad, aangifte gedaan van winkeldiefstal gepleegd op 9 april 2009. Naar aanleiding van deze aangifte heeft [aangever], namens [slachtoffer], op 16 april 2009 en 29 april 2009 aangifte gedaan van diefstallen, gepleegd op 7 april 2009 respectievelijk 3 april 2009. Op de geregistreerde beveiligingsbeelden is volgens de aangevers telkens te zien dat een persoon goederen wegneemt zonder daarvoor te betalen. De camerabeelden van 3, 7 en 9 april 2009 zijn tevens bekeken door een verbalisant die eveneens de diefstallen constateert.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen al hetgeen verdachte is ten laste gelegd. Zij baseert zich daarbij op de gedane aangiftes, alsmede de bekennende verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting van al hetgeen haar ten laste is gelegd.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim doordat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De raadsman verzoekt bewijsuitsluiting van datgene wat naar aanleiding van de onrechtmatige doorzoeking is verkregen. De medewerkster van het [instantie], te weten [persoon], heeft zonder toestemming van verdachte en zonder machtiging of bevoegdheid de privé kamer van verdachte doorzocht.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

T.a.v. feit 1.

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 augustus 2009;

- de aangifte van [aangever], namens [slachtoffer] te Lelystad.

T.a.v. feit 2.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 augustus 2009;

- de aangifte van [aangever], namens [slachtoffer] te Lelystad.

T.a.v. feit 3.

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 augustus 2009;

- de aangifte van [aangever], namens [slachtoffer] te Lelystad.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met betrekking tot feit 1. tot en met 3. met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen.

T.a.v. feit 4.

Het verweer dat ziet op de vraag naar de rechtmatigheid van het doorzoeken van de kamer van verdachte door een medewerkster van het [instantie] behoeft geen bespreking omdat de rechtbank reeds tot een wettig en overtuigend bewijs komt op basis van de aangifte van de diefstal en de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 28 augustus 2009, zoals hierna aangegeven

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 augustus 2009;

- de aangifte van [aangever] namens [slachtoffer] te Lelystad.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 03 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles port (merk Warre's), toebehorende aan [slachtoffer].

2.

op 07 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee flessen port (merk Warre's), toebehorende aan [slachtoffer].

3.

op 09 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie flessen port (merk Warre's) en twee pakken kibbeling en een pak viskrokantjes en een fles cocktailsaus (merk Calvé), toebehorende aan [slachtoffer].

4.

op 09 april 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen (merk Be Wild, kleur zwart), toebehorende aan [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 4.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich tegen de oplegging van een ISD-maatregel. Aan verdachte is in het recente verleden reeds een ISD-maatregel opgelegd. Men is toen tekortgeschoten in de nazorg. De ISD-maatregel is mede bedoeld ter bescherming van de maatschappij. De maatschappij ondervindt geen overlast van verdachte, enkel de winkels waar zij steelt om te voorzien in haar levensonderhoud. Verdachte is gemotiveerd om mee te werken aan ambulante zorg. De getuige A. de Graaf, reclasseringswerker bij Tactus, heeft aanvankelijk aangegeven dat een voorwaardelijke ISD-maatregel een mogelijkheid zou kunnen zijn, indien verdachte de beschikking heeft over woonruimte, doch komt daar merkwaardigerwijs op terug in de vorm van een advies dat ziet op een onvoorwaardelijk ISD-maatregel.

Verdachte kan na vrijlating gaan wonen bij haar vriend [persoon]. Zij zou dan alle ambulante hulp kunnen krijgen die zij nodig heeft.

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de bevindingen van Tactus verslavingszorg, mede gelet op de toelichting ter terechtzitting van 28 augustus 2009, gegeven door A. de Graaf, van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Uit het rapport alsmede het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat Tactus geen mogelijkheden ziet om op reguliere wijze met reclasseringsbemoeienis op effectieve wijze te interveniëren in de kans op recidive. Een voorwaardelijke ISD-maatregel biedt volgens Tactus onvoldoende justitiële druk om de noodzakelijke veranderingen te kunnen bewerkstelligen. De enige mogelijkheid die resteert is het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. De rechtbank overweegt dat een ambulante behandeling bij verdachte onvoldoende effectief zal zijn om een verandering in het gedrag van verdachte te bewerkstelligen, te weten het verminderen van de kans op recidive.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt.

Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door haar begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

Dat een dergelijke veroordeling tevens heeft medegewerkt aan een eerder opgelegde ISD-maatregel doet hieraan niet af nu het wettelijk stelsel dat ziet op de ISD-maatregel, zich hiertegen niet verzet.

De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds – 1 jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich onthouden van een standpunt ten aanzien van het beslag.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De benadeelde partij

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 25,96, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van

€ 25,96 voor feit 1 en 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38s, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor 2 jaar;

- gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel na een jaar na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 stuk kleding, te weten een T-shirt;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de [benadeelde partij] van € 25,96 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], € 25,96 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. Buitendijk, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 september 2009.