Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK1614

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
07.610037-09, 07.610098-06 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

afpersing, oogmerk, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummers: 07.610037-09; 07.610098-06 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende [adres],

thans verblijvende in de Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad.

Raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M.J.E. Vink, en de verdachte en diens raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 90,- euro en/of drie (ABN AMRO)bankpassen (op naam staand van [slachtoffer]) en/of een rugtas (merk: Eastpack) en/of kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen, aldaar, meermalen, in ieder geval éénmaal,

- (met kracht) die [slachtoffer] op/tegen/in het lichaam en/of op/tegen het hoofd heeft/hebben getrapt/geschopt en/of geslagen/gestompt en/of

- een tafel over die [slachtoffer] heeft/hebben geschoven/neergezet, terwijl die [slachtoffer] zich (al liggend) op de grond bevond en/of

- die [slachtoffer] de volgende woorden heeft/hebben toegevoegd:

* "Ik ga je schoppen op je nieuwe heup, als je het geld niet geeft." en/of

* "Geef je pinpassen." en/of

* "Geef de pincodes, die bij de pinpassen horen." en/of

* "Ga naast de tafel op de grond zitten met je rug tegen de muur." en/of

* "Kijk me niet aan, anders ga ik je weer schoppen." en/of

* "Ga op de grond liggen. Op je buik met je handen op je rug." en/of

* "Houd je bek, anders ga ik je schoppen." en/of

* "Zweer op de dood van je kinderen, dat je niet naar de politie gaat en geen aangifte doet." en/of

* "Je moet luisteren en doen wat er gezegd wordt, anders ga je het wel merken.",

althans (telkens) woorden van gelijke (bedreigende) aard of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 90,- euro en/of drie (ABN-AMRO) bankpassen (op naam staand van [slachtoffer]) en/of een rugtas (merk: Eastpack) en/of kleding, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen, aldaar, meermalen, in ieder geval éénmaal,

- (met kracht) die [slachtoffer] op/tegen/in het lichaam en/of op/tegen het hoofd heeft/hebben getrapt/geschopt en/of geslagen/gestompt en/of

- een tafel over die [slachtoffer] heeft/hebben geschoven/neergezet, terwijl die [slachtoffer] zich (al liggend) op de grond bevond en/of

- die [slachtoffer] de volgende woorden heeft/hebben toegevoegd:

* "Ik ga je schoppen op je nieuwe heup, als je het geld niet geeft." en/of

* "Geef je pinpassen." en/of

* "Geef de pincodes, die bij de pinpassen horen." en/of

* "Ga naast de tafel op de grond zitten met je rug tegen de muur." en/of

* "Kijk me niet aan, anders ga ik je weer schoppen." en/of

* "Ga op de grond liggen. Op je buik met je handen op je rug." en/of

* "Houd je bek, anders ga ik je schoppen." en/of

* "Zweer op de dood van je kinderen, dat je niet naar de politie gaat en geen aangifte doet." en/of

* "Je moet luisteren en doen wat er gezegd wordt, anders ga je het wel

merken.",

althans (telkens) woorden van gelijke (bedreigende) aard of strekking;

2.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 2100,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Almere (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat weg te nemen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich (telkens) daarbij de toegang tot die geldautomaat te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal, getracht geld op te nemen uit een geldautomaat met een (ABN AMRO)bankpas (op naam staand van die [slachtoffer]), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval éénmaal, in een woning (gelegen aan de [straat])

- (met kracht op/tegen de borst, in ieder geval op/tegen/in het lichaam, geduwd (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of

- (met kracht) die [slachtoffer] op/tegen/in het lichaam en/of op/tegen het hoofd getrapt/geschopt en/of geslagen/gestompt (terwijl die [slachtoffer] zich op de grond bevond) en/of

- een tafel over die [slachtoffer] geschoven/neergezet, terwijl die [slachtoffer] zich (liggend) op de grond bevond en/of

- die [slachtoffer] de volgende woorden toegevoegd:

* "Ga naast de tafel op de grond zitten met je rug tegen de muur." en/of

* "Kijk me niet aan, anders ga ik je weer schoppen." en/of

* "Ga op de grond liggen. Op je buik met je handen op je rug." en/of

* "Houd je bek, anders ga ik je schoppen." en/of

* "Zweer op de dood van je kinderen, dat je niet naar de politie gaat en geen aangifte doet." en/of

* "Je moet luisteren en doen wat er gezegd wordt, anders ga je het wel merken.",

althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking (610037-09);

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, het onder 2 primair en onder 3 ten laste gelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De verdediging is van mening dat er geen sprake is van oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening en/of bevoordeling. De verdediging heeft bepleit dat het gebruikte geweld door verdachte heeft plaatsgevonden omdat hij dacht dat aangever een pedofiel was. Bovendien vond dit geweld plaats voordat aangever zijn pinpassen aan de medeverdachte heeft afgegeven. Er zijn tussen verdachte en zijn medeverdachte geen afspraken gemaakt omtrent het van aangever afhandig maken van zijn geld. Verdachte heeft eveneens niet gedeeld in de opbrengst, wat ook niet afgesproken was.

De verdediging heeft dan ook vrijspraak bepleit.

Feit 2.

De verdediging is van mening dat er geen sprake is van medeplegen, aangezien er geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.

De medeverdachte heeft geld gepind met de pinpas van aangever. Verdachte is niet aanwezig geweest tijdens het pinnen. Er dient gewicht toegekend te worden aan het gegeven dat verdachte niet heeft gedeeld in de opbrengst. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Feit 3.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte het hem onder 1 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer] heeft het volgende verklaard. Op 9 april 2009 heeft [slachtoffer] [medeverdachte] geholpen met de verhuizing van [medeverdachte] naar de woning op het adres [straat] 41 te Almere. Een vriend van [medeverdachte], te weten verdachte, heeft bij de verhuizing geholpen. Op een gegeven moment begonnen [medeverdachte] en verdachte in de kamer van [medeverdachte] tegen [slachtoffer] te schreeuwen. Verder werd [slachtoffer] uitgescholden. Vervolgens zei verdachte tegen [slachtoffer] dat hij moest gaan zitten. [slachtoffer] kreeg toen een paar schoppen van [medeverdachte]. Vervolgens eiste [medeverdachte] geld van [slachtoffer]. [medeverdachte] was daar heel duidelijk in. [slachtoffer] heeft toen € 90,00 aan [medeverdachte] gegeven. [slachtoffer] deed dat omdat hij bang was. [medeverdachte] riep tegen [slachtoffer] dat hij hem ging schoppen tegen zijn nieuwe kunstheup als hij het geld niet gaf. Tussendoor gaf verdachte [slachtoffer] af en toe een schop. Vervolgens eiste [medeverdachte] de pinpassen van [slachtoffer]. Ondertussen bedreigde [medeverdachte] [slachtoffer] steeds.

Getuige [getuige], een vriendin van [slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] op 9 april 2009 ’s avonds bij haar aan de deur kwam. Ze zag dat zijn neus bloedde en dat zijn neus behoorlijk ontveld was. Verder was [slachtoffer] erg overstuur en was hij de kluts kwijt. [slachtoffer] vertelde aan haar dat hij geschopt, geslagen en overvallen was door [medeverdachte] en zijn vriend. [slachtoffer] had zijn bankpassen en bijbehorende pincodes moeten afgeven. [slachtoffer] zei dat hij zowel door [medeverdachte] als door verdachte geschopt werd. Verder vertelde [slachtoffer] dat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat hij zijn kunstheup kapot zou schoppen als hij niet deed wat zij zeiden. Ook vertelde [slachtoffer] dat hij bang was dat ze hem nog meer geweld zouden aandoen als hij het geld, de bankpassen en de pincodes niet zou hebben afgegeven.

Verdachte heeft op 14 april 2009 verklaard dat [medeverdachte] boos was op [slachtoffer], dat [medeverdachte] voor [slachtoffer] stond en dat [slachtoffer] zijn bankpassen moest afgeven, zodat [medeverdachte] kon pinnen. Verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] de bankpassen en de pincodes aan [medeverdachte] gaf. Ook heeft hij gezien dat [slachtoffer] geld onder dwang aan [medeverdachte] gaf. Hij heeft gehoord dat verdachte zei “Geef dat geld”. Verdachte verklaart verder dat [medeverdachte] op een dusdanige manier sprak dat hij het geld moest hebben. Volgens verdachte was er geen ontkomen aan. Ook moest [slachtoffer] de pincodes afgeven. [slachtoffer] werke mee, omdat [medeverdachte]’s wil wet is. Volgens verdachte sprak [medeverdachte] duidelijke taal tegen [slachtoffer]. Hij werd hierdoor gedwongen het geld, de pasjes en de pincodes af te geven aan [medeverdachte]. Verdachte verklaart verder dat hij [medeverdachte] tegen had kunnen houden als hij had gewild.

Op 17 april 2009 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] de bankpassen en de pincodes absoluut niet uit vrije wil heeft afgegeven. [slachtoffer] gaf deze omdat [medeverdachte] dit “straight aan hem vroeg. Met “straight” wordt blijkens de op 14 april 2009 door verdachte afgelegde verklaring duidelijke taal bedoeld.

Op 23 april 2009 heeft verdachte desgevraagd erkend dat hij jegens [slachtoffer] geweld heeft gebruikt. Verdachte heeft [slachtoffer] drie of vier keer in het gezicht geslagen. Verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] gebloed had.

In het dossier bevind zich een geneeskundige verklaring. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in: “forse zwelling behaarde hoofdhuid rechts, schaafwonden neus, voorhoofd en wang links”.

Voort bevinden zich in het dossier foto’s, waarop valt waar te nemen dat [slachtoffer] verwondingen aan het gezicht en de linkerarm heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat feit 1 tweede alternatief/cumulatief tezamen en in vereniging is gepleegd. [medeverdachte] heeft met name dwang toegepast, terwijl beiden geweld jegens [slachtoffer] hebben gebruikt. Bovendien heeft [medeverdachte] [slachtoffer] met geweld bedreigd. Gelet op de rol van [medeverdachte] en verdachte is er sprake van bewuste en nauwe samenwerking tussen beiden ten einde [slachtoffer] te bewegen om geld, bankpassen en pincodes af te geven. Dat er nog geen sprake was van deling in de opbrengst, doet er niet toe.

Feit 2.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voorts van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte het hem onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat [medeverdachte] nadat hij de pincodes had afgegeven de woning heeft verlaten. Van verdachte moest hij op de grond met zijn rug tegen de muur gaan zitten. vervolgens heeft verdachte een tafel over hem heen geschoven. Op een gegeven moment kwam [medeverdachte] terug. Uit opmerkingen van [medeverdachte] heeft [slachtoffer] afgeleid dat [medeverdachte] van zijn rekening geld had gepind. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat hij hiervoor geen toestemming heeft gegeven.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij met de bankpassen van [slachtoffer] geld heeft opgenomen.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] is gaan pinnen en dat [medeverdachte] aan hem heeft gevraagd om op [slachtoffer] te letten. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op [slachtoffer] heeft gepast toen [medeverdachte] geld ging pinnen. Ook heeft hij verklaard dat [slachtoffer] van hem de kamer niet uit mocht en dat hij daartoe door [medeverdachte] en door hem is gedwongen.

In het dossier bevinden zich een proces-verbaal van bevindingen met als bijlagen afschriften van videobeelden, waaruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte] op 9 april 2009 geld heeft gepind.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat ook dit feit tezamen en in vereniging is gepleegd. Verdachte heeft immers op verzoek van [medeverdachte] op [slachtoffer] “gepast”, zodat hij de woning niet kon verlaten. Daardoor heeft [medeverdachte] voldoende gelegenheid en tijd gehad om geld van de bankrekening van [slachtoffer] op te nemen. Derhalve is er sprake geweest van bewuste en nauwe samenwerking tussen beiden.

Feit 3.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is tegen [slachtoffer] geweld gebruikt en is hij met geweld bedreigd. Daardoor is er voor [slachtoffer] een angstige en bedreigende situatie ontstaan.

Verder is reeds overwogen dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij van verdachte op de grond met zijn rug tegen de muur moest gaan zitten. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd dat hij hem niet mocht aankijken, want anders zou verdachte hem weer gaan schoppen. Verdachte heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij op zijn buik met de handen op de rug op de grond moest gaan liggen. Vervolgens heeft verdachte een tafel over [slachtoffer] geschoven, zodat hij niet snel overeind kon komen. verdachte bleef tegen [slachtoffer] schreeuwen dat hij stil moest zijn, omdat hij [slachtoffer] anders zou gaan schoppen. Toen [medeverdachte] van het pinnen was teruggekomen, moest [slachtoffer] van [medeverdachte] op de dood van zijn kinderen gaan zweren dat hij niet naar de politie zou gaan en geen aangifte zou doen. Als [slachtoffer] iets teveel tegen [medeverdachte] zei, dan kwam verdacht tussenbeide. [slachtoffer] moest dan zijn bek houden, want anders zou verdachte hem nog schoppen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij moest luisteren wat er gezegd werd. Anders zou hij het wel merken. Ook [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de woning niet kon verlaten als hij dat had gewild.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem heeft gevraagd om op [slachtoffer] te letten, zodat hij kon gaan pinnen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op [slachtoffer] heeft gepast toen [medeverdachte] aan het pinnen was.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij hem niet moest aankijken. Op de vraag van de verbalisanten Schotkamp en Van Drie of [slachtoffer] zich vrij kon bewegen toen [medeverdachte] aan het pinnen was, heeft verdachte geantwoord dat [slachtoffer] de kamer niet uit mocht. [slachtoffer] moest wachten tot [medeverdachte] van het pinnen terug kwam. Volgens verdachte is [slachtoffer] niet uit vrije wil in de kamer gebleven en is hij daartoe door hem en [medeverdachte] gedwongen. Zij wilden voorkomen dat [slachtoffer] contact met de politie zou opnemen.

De rechtbank overweegt voorts nog dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn telefoon werd afgepakt, dat de simkaart uit de telefoon werd gehaald en werd vernield. [slachtoffer] was derhalve niet in staat om de politie te bellen.

Gelet op het voorgaan de is ook voor wat betreft dit feit sprake van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat kan worden bewezen dat dit feit tezamen en in vereniging is gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (tweede alternatief/cumulatief)

op 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 90,- euro en drie (ABN-AMRO) bankpassen (op naam staand van [slachtoffer]) toebehorende aan die [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader toen, aldaar, meermalen,

- (met kracht) die [slachtoffer] tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer] de volgende woorden heeft/hebben toegevoegd:

* "Ik ga je schoppen op je nieuwe heup, als je het geld niet geeft." en

* "Geef je pinpassen." en

* "Geef de pincodes, die bij de pinpassen horen."

2.

op 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 2100,- euro) toebehorende aan [slachtoffer], waarbij zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

3.

op 09 april 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet in een woning (gelegen aan de [straat])

- (met kracht) die [slachtoffer] tegen het lichaam en het hoofd geschopt en geslagen/gestompt

- een tafel over die [slachtoffer] geschoven, terwijl die [slachtoffer] zich (liggend) op de grond bevond en

- die [slachtoffer] de volgende woorden toegevoegd:

* "Ga naast de tafel op de grond zitten met je rug tegen de muur." en

* "Kijk me niet aan, anders ga ik je weer schoppen." en

* "Ga op de grond liggen. Op je buik met je handen op je rug." en

* "Houd je bek, anders ga ik je schoppen." en

* "Zweer op de dood van je kinderen, dat je niet naar de politie gaat en geen aangifte doet." en

* "Je moet luisteren en doen wat er gezegd wordt, anders ga je het wel merken.".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 tweede alternatief/cumulatief.

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3.

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven/beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrechts, alsmede de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich verzet tegen een PIJ maatregel. De verdediging heeft aangevoerd dat een gedragsbeïnvloedende maatregel wellicht een optie is, aangezien die eveneens een duur kan hebben van 2 jaar.

De verdediging heeft aangevoerd dat de Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven dat zij jeugddetentie niet wenselijk achten aangezien een behandeling wenselijk is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft op 9 april 2009 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] aangever [slachtoffer] afgeperst, met de van hem afgenomen pinpassen € 2.100,00 gepind en hem wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd. Hierbij is het nodige geweld toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van drie zeer ernstige strafbare feiten.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juni 2009;

- een brief betreffende verdachte d.d. 25 juni 2009 uitgebracht door de William Schrikker Jeugdbescherming;

- een psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 31 augustus 2009, uitgebracht door drs. M. Bökkers, orthopedagoog-genaralist;

- een psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 4 september 2009, uitgebracht door drs. J.J. van Egmond, psychiater;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Het psychiatrisch onderzoek van de deskundige Van Egmond houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een ernstig pathologische ontwikkeling. Deze bestond ten tijde van het ten laste gelegde en is hierop van invloed geweest. Er is sprake van een slecht ontwikkeld geweten, impulsiviteit en gebrak aan empathie en een verstandelijke handicap en een zeer gebrekkige reality testing. In de optiek van de psychiater kan verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor de delicten waarvan hij verdacht wordt. De psychiater adviseert de rechtbank verdachte te plaatsen in een inrichting voor jeugdigen.

Het psychologisch onderzoek van de deskundige Bökkers houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een forse achterstand in het ego en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is sprake van een vertraagde en/of pathologische ontwikkeling. Een waan-en gedragsstoornis met ontwikkeling richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis en schizotypische persoonlijkheidsstoornissen wordt gediagnosticeerd. De kans op recidive wordt hoog ingeschat door de licht zwakzinnige cognitie, gediagnosticeerde stoornissen, de hierdoor gebrekkige reality testing met neiging tot magisch denken en wanen. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hiervan sprake. In de optiek van de psycholoog kan verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor de delicten waarvan hij verdacht wordt. De psycholoog adviseert de rechtbank verdachte te plaatsen in een inrichting voor jeugdigen.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid op de daarvoor in voornoemde rapporten bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert op grond van deze rapporten dat de bewezen verklaarde feiten in sterk verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Gelet op de persoon van verdachte, de ernst van de ten laste gelegde feiten, de duidelijk mislukte ambulante steun en begeleiding en het feit dat er blijkens de rapportages een hoog recidiverisico is, legt de rechtbank het verzoek van de raadsman om de mogelijkheden van een GBM te onderzoeken naast zich neer.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan verdachte.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich onthouden van een standpunt met betrekking tot het beslag.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien het geld niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De benadeelde partij

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering niet van eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.988,40.

De rechtbank acht de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 De vordering tot tenuitvoerlegging

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf, te weten jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter Zwolle-Lelystad d.d. 29 juni 2007 ten uitvoer zal worden gelegd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte behandeling nodig heeft en acht het daarom geïndiceerd om de jeugddetentie niet ten uitvoer te leggen, maar te kiezen voor een alternatief zoals de verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

11 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 282, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 114,50;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 29 juni 2007 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 07.610098-06 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten jeugddetentie voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. Obbink, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.A. Pot en mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 oktober 2009.