Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK1594

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
Awb 09/1713
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter wijst verzoek tot onmiddellijke openbaarmaking van documenten op grond van de Wob in kader vaccinatie Mexicaanse griep af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 09/1713

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

Stichting Stralingsarm Nederland e.a.,

verzoekers,

vertegenwoordigd door L. van Dinter

en

het college ter beoordeling van geneesmiddelen,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, advocate te ’s-Gravenhage.

1.Procesverloop

Bij brief van 23 juli 2009 is namens verzoekers met een beroep op de Wet openbaarheid van Bestuur (hierna: Wob) verweerder verzocht afschriften toe te zenden van een achttal genoemde stukken.

Op 3 september 2009 hebben verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van 23 juli 2009.

Op 25 september 2009 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Gravenhage verzocht een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen, inhoudende opschorting van alle werkzaamheden, procedures en plannen voor vaccinatie, totdat burgers in staat gesteld worden zichzelf afdoende te informeren. De voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Gravenhage heeft dit verzoek op 28 september 2009 doorgezonden aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, omdat deze rechtbank gelet op de statutaire vestiging van de Stichting Stralingsarm Nederland de bevoegde rechtbank is.

Bij besluit van 10 september 2009, nagezonden op 8 oktober 2009, heeft verweerder verzoekers ten aanzien van de eerste zes gevraagde documenten en informatie meegedeeld dat deze stukken berusten bij de European Medicines Agency (EMEA). Ten aanzien van het verzoek om documenten die betrekking hebben op afspraken met het RIVM en Ministerie van VWS over de juridische aansprakelijkheid ten aanzien van pandemische griepvaccins heeft verweerder aangegeven dat er geen afspraken zijn gemaakt, en verweerder derhalve niet beschikt over dergelijke documenten.

Ten aanzien van het verzoek om de collegeverslagen heeft verweerder aangegeven dat in afwachting van het Europese beleid geen Openbare Collegeverslagen worden gepubliceerd op de website van het CBG.

Verzoekers hebben op 12 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 19 oktober 2009 hebben verzoekers het verzoek om voorlopige voorziening aangevuld, in die zin dat verweerder wordt gelast de gevraagde informatie te verstrekken voordat met vaccinatie wordt begonnen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 oktober 2009. Van verzoekers is verschenen L. van Dinter, bestuurslid van de Stichting Stralingsarm Nederland, A. Zeevat, A. Bleeker, D.L. Röver, G. Leerink en B.M.C.H. Penn.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verzoekers hebben als deskundige meegebracht J. Koetsier, gewezen huis- en bedrijfsarts. Mevrouw D.L. Röver, medisch onderzoeksjournalist, is als partij niet toegelaten als deskundige.

2.Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid van de Awb worden het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 september 2009.

Ter zitting hebben verzoekers het verzoek om voorlopige voorziening nogmaals aangepast. In overleg met de vertegenwoordiger van verzoekers stelt de voorzieningenrechter vast dat slechts aan de orde is de vraag of de voorlopige voorziening, inhoudende onmiddellijke openbaarmaking van documenten op grond van de Wob, getroffen dient te worden en wel op straffe van een dwangsom. Een dergelijk verzoek om voorlopige voorziening komt niet snel voor toewijzing in aanmerking omdat een dergelijke voorziening een zeer ver strekkend en onomkeerbaar karakter zou hebben. Voor een zo ver strekkende beslissing is in beginsel slechts plaats indien ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit en een zeer zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat, gelet op inhoud van het besluit van 10 september 2009 en de daarin neergelegde motivering, geen grond bestaat voor deze ernstige twijfel en dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening is gerechtvaardigd. Verzoekers hebben niet aannemelijk kunnen maken dat het gestelde belang dermate zwaarwegend is dat de beslissing op bezwaar - die, zoals gesteld ter zitting, binnen vier weken zal worden genomen - niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het belang van verzoekers, zoals ter zitting is gebleken, voor al is gelegen in informatie omtrent de samenstelling van het vaccin tegen de Mexicaanse griep en de mogelijke bijwerkingen van dit vaccin. Deze informatie is inmiddels beschikbaar op de website van de EMEA, onder meer – zoals Koetsier verklaarde – met een Nederlandstalig gedeelte.

Gelet op voorgaande bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter informeert verzoekers dat het verzoek om verweerder een dwangsom op te leggen wegens te laat beslissen op de aanvraag niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Verzoekers hebben de aanvraag ingediend vóór 1 oktober 2009, de datum waarop de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking is getreden. Ingevolge het in deze Wet opgenomen overgangsrecht blijft het recht zoals dit gold voor de datum van inwerkingtreding van deze Wet van toepassing op aanvragen die vóór deze datum zijn ingediend.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door deze en Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

30 oktober 2009.

Afschrift verzonden op: