Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK1547

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
152741 / FA RK 08-4855
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatievaststelling in afwijking van trema-systematiek in crisistijd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/40 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
JIN 2010/51

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer: 152741 / FA RK 08-4855

datum : 29 oktober 2009

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

in de zaak van

[de man],

wonende te [plaats],

advocaat mr. L. Stam te ’s-Hertogenbosch,

hierna als de man aangeduid,

verzoeker,

en

[de vrouw],

wonende te [plaats], Duitsland,

advocaat mr. C.K.E.E. Fischer- Fuhler te Emmen,

hierna als de vrouw aangeduid,

belanghebbende.

Het procesverloop

De man heeft op 22 december 2008 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, dat rechtsgeldig is betekend.

De vrouw heeft daartegen op 24 februari 2009 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek inhoudt.

Naar aanleiding van dit zelfstandig verzoek heeft de man op 25 mei 2009 een verweerschrift ingediend. De man heeft op 25 mei 2009 tevens een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening ingediend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- een brief van de man van 19 december 2008;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 12 februari 2009;

- de beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 6 juli 2009;

- een brief van de vrouw van 24 augustus 2009 met bijlagen;

- een brief van de man van 27 augustus 2009 met bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 17 september 2009.

Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door mr. L. Stam;

- de vrouw, bijgestaan door mr. A. Mulder als vervanger van mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler.

Vaststaande feiten

De man en de vrouw zijn op 26 oktober 1978 in de gemeente Wateringen, thans de gemeente Westland, met elkaar gehuwd.

De man en de vrouw bezitten de Nederlandse nationaliteit.

Scheidingsverzoek

De man heeft echtscheiding verzocht op grond van de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw heeft die stelling erkend.

Nu ook overigens aan de wettelijke bepalingen is voldaan, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

De mn en de vrouw zijn het niet eens over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank zal de verdere behandeling van dit nevenverzoek aanhouden en voor verdere

afdoening registeren onder zaaknummer 162489 / FA RK 09-3417.

In verband met de verdere afdoening van dit nevenverzoek verwijst de rechtbank naar het bepaalde in hoofdstuk 9 van het procesreglement scheidingsprocedure.

Uitkering tot levensonderhoud

De vrouw heeft een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud gevraagd van € 2.300,- per maand.

De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan alimentatie van hem. Bovendien, zo stelt de man, heeft hij geen enkele draagkracht om alimentatie te voldoen.

Behoefte

Voor wat betreft de behoefte van de vrouw geldt, naar het oordeel van de rechtbank, als uitgangspunt de welstand waarin de man en de vrouw de laatste jaren van hun huwelijk hebben geleefd. De vrouw moet over voldoende financiën beschikken om na echtscheiding op het zelfde welstandsniveau te kunnen leven als tijdens die laatste jaren van het huwelijk.

De rechtbank gaat uit van de vuistregel dat de behoefte van de vrouw kan worden gelijkgesteld aan 60% van het netto gezinsinkomen gedurende die laatste jaren, te bepalen zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van de fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente e.d, na aftrek van de door de werkgever of uitkeringsinstelling vergoede inkomensafhankelijke bijdrage uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (zie Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2009, versie juli 2009; zie www.rechtspraak.nl).

Het gezinsinkomen wordt gevormd door het inkomen van de man en de vrouw.

De man is eigenaar van de eenmanszaak [A] te [plaats]. Om het inkomen van de man te kunnen berekenen dient te worden uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2005 tot en met 2007. Uit de door de man wel overgelegde jaarstukken blijkt dat het bedrijfsresultaat in die jaren respectievelijk € 144.514,- (2005), € 117.172,- (2006) en

€ 79.706,- (2007) bedroeg. De man heeft geen jaarstukken over het jaar 2008 overgelegd. Voor wat het betreft het eerste kwartaal van 2009 is een brief van Administratiekantoor Schuitema van 12 juni 2009 overgelegd. Tevens is door de man correspondentie en overige gegevens ten aan zien van de opdrachten van zijn bedrijf in 2009 overgelegd.

Het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2005, 2006 en 2007 bedraagt € 113.797,-. De rechtbank laat de resultaten over het jaar 2009 buiten beschouwing omdat dit jaar vanwege de economische crisis, waarvan de man thans de nadelige gevolgen ondervindt in vergelijking met het inkomen van de man tijdens de laatste jaren van het huwelijk niet representatief is.

De vrouw heeft, zoals blijkt uit de rubriek “Cumulatieven” van de door haar overgelegde salarisspecificatie over de maand december 2008, in 2008 een fiscaal inkomen genoten van

€ 13.712,-.

De man voert aan dat de vrouw meer inkomsten heeft, althans meer inkomsten moet kunnen verwerven. Ze werkt 16 uur per week bij [B] te [plaats]. De vrouw kan bij haar werkgever om uitbreiding van werkzaamheden vragen of elders aanvullend werk zoeken. De vrouw heeft een paardenhobby waarmee ze kan proberen inkomsten te verwerven. Daarnaast heeft de vrouw een doorverkooporganisatie van schoonmaakmiddelen waaruit ook geld voortvloeit.

De vrouw stelt last te hebben van RSI. De inkomstenbronnen die de man noemt, aldus de vrouw, zijn niet reëel.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op betwisting door de vrouw, niet aannemelijk geworden dat de vrouw naast het inkomen waarover ze thans beschikt, nog extra inkomen heeft of kan verwerven.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw, gezien haar geringe inkomen en het aanzienlijke gezinsinkomen, behoefte heeft aan een aanvullende alimentatiebijdrage van de man.

Draagkracht

De door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud wordt begrensd door zijn draagkracht. De draagkracht van de man wordt bepaald aan de hand van zijn inkomsten over de laatste jaren van het huwelijk te weten 2005, 2006 en 2007. Om dezelfde reden als hierboven al vermeld, zal de rechtbank het inkomen van de man over 2008 en 2009 buiten beschouwing laten.

In het eerste kwartaal van 2009 was als uitloop van 2008 en de jaren daarvoor er nog een redelijk inkomen. De man is in 2009 diverse opdrachtgevers kwijtgeraakt. Naar te verwachten is, zal het inkomen van de man, gelet op de economische crisis in 2010 zeer gering zijn. Cijfers over het tweede halfjaar 2009 en 2010 zijn er uiteraard nog niet. Een consequente toepassing van de Trema-systematiek zou er toe leiden dat de man maandelijks een aanzienlijk bedrag aan de vrouw zou moeten betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de man niet gevergd worden dat hij naast zijn eigen levensonderhoud in de huidige en nog komende uitzonderlijke crisismaanden aan de vrouw alimentatie overmaakt. Gesteld noch gebleken is dat er voldoende financiën zijn gespaard om ook in de huidige financiële situatie op de oude voet voort te kunnen gaan.

Het ontbreken van draagkracht bij de man is niet gelegen in oorzaken in de persoon van de man zelf. Het verleden heeft laten zien dat de man over voldoende capaciteiten beschikt om een aanzienlijk inkomen te kunnen verwerven. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat, zodra de ernstigste gevolgen van de economische crisis voorbij zijn, de capaciteiten van de man hem in staat stellen weer inkomsten te kunnen verwerven. De rechtbank acht het echter niet redelijk de last en het risico van het opstarten van een nieuwe alimentatieprocedure geheel bij de vrouw te leggen.

De rechtbank zal dan ook voor de komende periode direct na de echtscheiding de alimentatieverplichting tot 1oktober 2010 op nihil stellen. Vanaf 1 oktober 2010 tot 1 juli 2011 zal de rechtbank aan de man als alimentatie een maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw opleggen van € 680, - per maand. Vanaf 1 juli 2011 zal de rechtbank aan de man de betaling van een bedrag van € 1.360, - per maand opleggen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Bij de bepaling van laatstgenoemd bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het bedrag dat, na overeenstemming tussen de man en de vrouw, bij beschikking van 12 februari 2009 als voorlopige voorziening voor de duur van het scheidingsgeding is opgelegd.

Voor zover de man zich te zijner tijd op het standpunt stelt dat zijn draagkracht (nog) niet toereikend is, dan ligt het op de weg van de man een procedure met stukken onderbouwd, tot wijziging van alimentatie te starte, stellende dat de rechtbank van onjuiste aannames is uitgegaan. Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat onvoldoende aan haar behoefte tegemoet wordt gekomen, dan ligt het op haar weg om bij gunstigere economische omstandigheden een procedure te starten met een onderbouwde behoefteberekening.

De rechtbank zal beslissen, zoals hierna is vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

Spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, op 26 oktober 1978 in de gemeente Wateringen, thans de gemeente Westland, met elkaar gehuwd.

Bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1 oktober 2010 op nihil.

Kent aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2010 tot 1 juli 2011 een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van

€ 680,- (zegge: zes honderd en tachtig euro) per maand.

Kent aan de vrouw met ingang van 1 juli 2011 een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toe van € 1.360,- (zegge: één duizend drie honderd en zestig euro) per maand.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de

echtscheiding betreft.

Wijst af hetgeen ten aanzien van de partneralimentatie meer of anders is gevraagd.

Alvorens verder te beslissen

Houdt de beslissing voor wat betreft de boedelverdeling aan en stelt de man en de vrouw in de gelegenheid om uiterlijk op woensdag 17 maart 2010 inlichtingen te verstrekken voor zover het betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, rechter, in tegenwoordigheid van C. van Leeuwen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2009.