Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK1287

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
07.607178-09 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BM3167, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607178-09 (P)

Uitspraak : 22 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Haaglanden, Huis van Bewaring Scheveningen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 17 september en 8 oktober 2009. Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. B. Bijlsma, advocaat te Almere. De officier van justitie, mr. C.J.W.M. Janssen, de verdachte en zijn raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De verdachte is, na een vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 juni 2009 en/of 9 juni 2009 in de gemeente Almere (telkens) opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]),(telkens) meermalen, in ieder geval

éénmaal (met kracht)

- met een zak/tas (met kleding) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of

- een zak/tas (met kleding) tegen het lichaam heeft gegooid en/of

- in het gezicht en/of op haar linkerhand en/of linkerarm heeft gestompt/geslagen,

waardoor deze(telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 25 mei 2009 en/of 26 mei 2009 in de gemeente

Almere [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte (telkens)

opzettelijk dreigend meermalen, in ieder geval éénmaal, bij psychiatrisch ziekenhuis de

Merengaard, op 25 mei 2009

- met een auto, die hij verdachte, bestuurde, de stoep opgereden in de richting van waar die [slachtoffer 2] zich bevond en/of

- (vervolgens) op een afstand van ongeveer drie tot vier meter van die [slachtoffer 2] die auto, die hij, verdachte, bestuurde, tot stilstand gebracht en/of

- (vervolgens) gas geven, terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (strak en/of boos) aan bleef kijken en/of

- dichtbij die [slachtoffer 2] gaan staan en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, gezicht op korte afstand van het gezicht van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

(daarbij) deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Dit is wat je kunt verwachten vrijdag

en voor jou volgt nog meer, dan zul je zien wie [verdachte] is, ik zorg ervoor dat de

hele Merengaard plat komt, wat wil je nu doen, zeker de politie bellen, zeker platspuiten,

nou kom maar op, ik lust een heel peloton agenten en jou erbij.”, althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking en/of

op 26 mei 2009

- een auto, die hij, verdachte, bestuurde, voor de ingang neergezet en/of

- (vervolgens) gas geven (waardoor de banden van die auto gingen spinnen en/of er rook ontstond).

3.

hij op of omstreeks 26 mei 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk (het

glas van) een deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting de

Merengaard, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar,

meermalen, in ieder geval, éénmaal, (met kracht) aan die deur (die op slot zat)

getrokken/gerukt, waardoor (het glas van) die deur is vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar is gemaakt.

4.

hij op of omstreeks 3 juni 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een

(voor)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar, meermalen, in ieder geval

éénmaal, (met kracht) op/tegen die (voor)deur geschopt/getrapt en/of aan die (voor)deur

getrokken/gerukt, waardoor die (voor)deur is vernield en/of is beschadigd en/of onbruikbaar

is gemaakt.

5.

hij op of omstreeks 3 juni 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten [slachtoffer 4], meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht)

- op/tegen/in het lichaam heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer 4] tegen een kast, in ieder geval tegen een hard oppervlak/voorwerp aan kwam) en/of

- bij een arm heeft vastgepakt en/of

- in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De vaststaande feiten

Ten aanzien van feit 1:

Op 9 juni 2009 werd er door [slachtoffer 1], aan het bureau van de politie te Almere, aangifte gedaan van mishandeling. Aangeefster verklaarde op 9 juni 2009 in Almere door haar ex-man, [verdachte], geslagen te zijn.

Naar aanleiding van deze aangifte is verdachte op 9 juni 2009 op heterdaad aangehouden.

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

Verdachte is vanaf januari 2009 opgenomen geweest in het psychiatrisch ziekenhuis "Merengaard" te Almere.

Op 4 juni 2009 werd er door [slachtoffer 2] aangifte gedaan van bedreiging door verdachte op 25 mei 2009. Verdachte kwam, aldus aangever, aanrijden in zijn auto en reed de stoep op tot op 3 tot 4 meter afstand van de deur waar aangever stond, keek aangever boos en strak aan en gaf meerdere keren gas waardoor het geluid van de motor toenam terwijl de auto bleef staan. Daarna heeft hij zijn auto achteruit gereden. Even later kwam verdachte binnen en heeft hij aangever woordelijk bedreigd zoals beschreven in de tenlastelegging van feit 2.

Op 26 mei 2009 werd er aangifte gedaan door mevrouw [slachtoffer 3]. Zij heeft verklaard dat verdachte op 26 mei 2009 recht tegenover de ingang van "Merengaard" met zijn auto stond te spinnen met rokende banden en net deed alsof hij het gebouw in zou komen rijden met die auto. Ook heeft zij verklaard dat hij een afgesloten tussendeur had geopend, waarbij het glas stuk is gegaan (tenlastegelegd als feit 3). Mevrouw [getuige] heeft eenzelfde verklaring afgelegd.

Ten aanzien van feiten 4 en 5:

Op 3 juni 2009 werd er door [slachtoffer 4], de moeder van verdachte, aangifte gedaan van vernieling en mishandeling. Aangeefster verklaarde dat haar zoon (verdachte) op 3 juni 2009 aanbelde en via de deurtelefoon tegen haar schreeuwde. Aangeefster heeft verdachte gezegd weg te gaan en vervolgens de politie gebeld. Verdachte is het flatgebouw binnen gekomen en stond voor de deur van de flatwoning van mevrouw [slachtoffer 4] te schreeuwen dat ze open moest doen. Toen mevrouw [slachtoffer 4] dit niet deed, heeft verdachte de deur geforceerd. Eenmaal binnen heeft verdachte haar mishandeld. Nadat de politie gearriveerd was, is verdachte aangehouden.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van het gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde waarbij een op 7 juni 2009 gepleegde mishandeling ten laste is gelegd.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er niet voldoende wettig bewijs aanwezig is, omdat de verklaring van één getuige niet genoeg is.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Op basis van de aangifte van [slachtoffer 1], de voormalige echtgenote van verdachte, de letselverklaring van 11 juni 2009 , het feit dat het slachtoffer overstuur 112 heeft gebeld, waarbij een stem van een verbaal agressieve man te horen was , en de constatering door verbalisanten dat verdachte tijdens de aanhouding op 9 juni 2009 agressief en opgefokt was, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 juni 2009 mevrouw [slachtoffer 1] mishandeld heeft. Aangeefster verklaart op haar linkerhand te zijn geraakt door verdachte en dit wordt objectief bevestigd door de constatering van de G.G.D. arts dat er een kraseffect op de binnenzijde van de linkerpols is en enige roodheid van de huid van de linkerpols.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht op grond van de aangiftes van de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2009 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 mei 2009 de heer [slachtoffer 2] en op 26 mei 2009 mevrouw [slachtoffer 3] bedreigd heeft.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 en 26 mei 2009 zijn auto heeft geparkeerd voor de ingang van de kliniek De Merengaard. Op 25 mei verklaart verdachte de kliniek te zijn binnengegaan en met de heer [slachtoffer 2] te hebben gesproken. Tijdens dit gesprek is verdachte dicht bij de heer [slachtoffer 2] gaan staan en heeft hij geklaagd over het verloop van zijn behandeling. Verdachte verklaart dat het zijn stijl is om dicht bij mensen te gaan staan en dat hij er van geniet om op die manier met personen te spreken. Op 26 mei heeft verdachte voor de ingang van De Merengaard een "burnout" gemaakt met zijn auto. Hij verklaart dat hij het “zat” was.

In het licht van zijn rijgedrag op 25 mei 2009 en van de bedreigingen tegen [slachtoffer 2] die verdachte toen had geuit, welke bedreigingen blijkens de aangifte van [slachtoffer 3] bekend waren bij collega's, is het rijgedrag van 26 mei 2009 voor de toen aanwezige medewerkers zeer bedreigend geweest.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2009 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 mei 2009 de voordeur van de Stichting De Merengaard heeft vernield. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de deur bij het frame heeft vastgepakt en heeft opengetrokken. De deur zat op slot, maar hij wilde naar binnen. Nadat verdachte de deur had opengetrokken, zat er een diagonale scheur in het veiligheidsglas van de deur.

Ten aanzien van feit 4:

Op basis van de aangifte van mevrouw [slachtoffer 4] , de constatering van de politie dat de voordeur van de woning van mevrouw [slachtoffer 4] in zijn geheel uit het kozijn lag en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2009 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 juni 2009 de voordeur van [slachtoffer 4] vernield heeft. Verdachte heeft op 8 oktober 2009 verklaard dat hij drie klappen op de deur heeft gegeven en tegen de deur aan heeft getrapt bij de scharnieren waarop de deur vervolgens openvloog.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank acht op grond van de aangifte van mevrouw [slachtoffer 4] , de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie aangevuld met de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 oktober 2009 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 juni 2009 [slachtoffer 4] mishandeld heeft.

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij boos was en zijn moeder hard bij haar pols heeft vastgepakt en daar vervolgens naar eigen zeggen drie “corrigerende”tikken op heeft gegeven.

De rechtbank acht met betrekking tot het slaan tegen het hoofd en het duwen van mevrouw [slachtoffer 4] niet aannemelijk dat verdachte dit onder druk bij de politie verklaard heeft. Deze ontkenning tijdens de zitting acht de rechtbank niet geloofwaardig.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 juni 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], met kracht op haar linkerhand of linkerarm heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 25 mei 2009 en 26 mei 2009 in de gemeente Almere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft/is verdachte telkens opzettelijk dreigend meermalen, in ieder geval éénmaal, bij psychiatrisch ziekenhuis de Merengaard,

op 25 mei 2009

dichtbij die [slachtoffer 2] gaan staan en vervolgens zijn, verdachtes, gezicht op korte afstand van het gezicht van die [slachtoffer 2] gebracht en daarbij deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Dit is wat je kunt verwachten vrijdag en voor jou volgt nog meer, dan zul je zien wie [verdachte] is, ik zorg ervoor dat de hele Merengaard plat komt, wat wil je nu doen, zeker de politie bellen, zeker platspuiten, nou kom maar op, ik lust een heel peloton agenten en jou erbij.”

en

op 26 mei 2009

- een auto, die hij, verdachte, bestuurde, voor de ingang neergezet en

- vervolgens gas geven waardoor de banden van die auto gingen spinnen en/of er rook ontstond.

3.

hij op 26 mei 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk het glas van een deur, toebehorende aan Stichting de Merengaard, heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar, met kracht aan die deur die op slot zat getrokken/gerukt,

waardoor het glas van die deur is vernield.

4.

hij op 3 juni 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar, meermalen, met kracht /tegen die voordeur geschopt/getrapt, waardoor die voordeur is vernield.

5.

hij op 3 juni 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend zijn moeder, te weten [slachtoffer 4], met kracht

- tegen het lichaam heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 4] tegen een kast aan kwam en

- bij een arm heeft vastgepakt en

- tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 en 5 telkens:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3 en 4 telkens:

Vernieling, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Mede ter beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, heeft de rechtbank een tweetal pro justitia rapportages ontvangen. Het betreft een psychologische rapportage d.d. 24 september 2009 van drs. S. Wijga, klinisch psycholoog/psychotherapeut, en een psychiatrische rapportage d.d. 25 september 2009 van drs. J.B.M. Krakeel, psychiater.

Drs. Wijga concludeert dat verdachte lijdt aan cannabisafhankelijkheid, schizofrenie van het paranoïde type en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. Deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens beïnvloeden verdachtes gedragskeuzes in die zin, dat hij bij spanningen niet in staat is zijn agressie te reguleren.

Drs. Krakeel komt tot een vergelijkbare diagnose: bij verdachte is sprake van schizofrenie van het paranoïde type in combinatie met een schizoaffectieve stoornis, van cannabismisbruik en agressieve impulsdoorbraken, en in de persoonlijkheidsstructuur een stoornis niet anderszins omschreven met antisociale en narcistische kenmerken. Naar zijn oordeel was verdachte ten tijde van de feiten niet volledig psychotisch en/of manisch, maar zijn verdachtes grootheidsideeën en persoonlijkheidsproblematiek wel van enige invloed geweest op zijn wilsvrijheid.

De rechtbank verenigt zich met deze oordelen en maakt die tot de hare. Op grond daarvan komt zij tot het oordeel, dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van de feiten. Verdachte is dus strafbaar.

7 De oplegging van straf of maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 121 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en dat behandeling nodig is. Omdat verdachte al diverse behandelingen zijn aangeboden die niet voldoende verbetering hebben gebracht en hij weigert mee te werken aan verdere behandeling, is terbeschikkingstelling onvermijdelijk.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging rechtvaardigen de feiten die aan verdachte zijn ten laste gelegd, niet de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van verdachte. De verdediging is van oordeel dat de rapportages die zich thans in het dossier bevinden onvoldoende basis bieden voor het gelasten van de terbeschikkingstelling. Verdachte is geen agressieve man en indien hij in de gelegenheid gesteld wordt terug te keren naar [geboorteland], zoals hij wenst, zal er geen recidive zijn.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, behoort aan verdachte de straf en de maatregel te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting, in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte ernstige bedreigingen heeft geuit tegen medewerkers van De Merengaard, die er juist op waren gericht verdachte hulp en bijstand te verlenen. Naast deze bedreigingen heeft verdachte ook geweld gebruikt tegen goederen en personen. Hij heeft zijn moeder, één van de weinige personen waarmee verdachte nog contact onderhield, (bedreigd en) mishandeld, evenals zijn voormalige echtgenote.

De kans op recidivering van het plegen van agressiedelicten wordt door de psychiater zonder adequate behandeling en begeleiding als hoog tot zeer hoog ingeschat, met het gevaar dat verdachte vanuit zijn psychiatrische stoornissen een ander persoon zwaar mishandelt of van het leven beneemt. Dit gezien onder meer het chronische karakter van de stoornissen, de gebleken medicatieontrouw buiten instellingen, het drugsgebruik, de maatschappelijke teloorgang, het gebrek aan ziektebesef en de negatieve attitude van verdachte ten aanzien van therapeutische interventies. De psychiater weegt onder meer mee dat verdachte geen adequate woonruimte meer heeft, geen dagbesteding en geen adequaat sociaal vangnet. Met het oog op terugdringen van het recidiverisico acht de psychiater een intensieve en langdurige intramurale behandeling nodig in een strict juridisch kader met een gemiddeld tot hoog beveiligingsniveau. Omdat verdachte niet bereid is mee te werken aan opname, is opname in een forensisch psychiatrische kliniek in het kader van een voorwaardelijke maatregel als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel of middels terbeschikkingstelling met voorwaarden niet mogelijk en resteert, aldus de psychiater, alleen terbeschikkingstelling met dwangverpleging als enige mogelijkheid van behandeling.

Psycholoog Wijga oordeelt dat krenking bij verdachte leidt tot agressief acting out gedrag. Omdat er sprake is van een geringe draagkracht, zwakke ego-functies en onvoldoende coping strategieën tezamen met antisociale en narcistische trekken acht zij de kans op recidive zonder behandeling groot. Behandeling moet plaatsvinden binnen het dwingend structurerende kader van een klinische forensische setting wegens de ernst en aard van de problematiek, onder meer omdat spanningen bij verdachte tijdens en door de behandeling kunnen oplopen en leiden tot agressief grensoverschrijdend gedrag. Zowel het vereiste zorgniveau als het vereiste hoge beveiligingsniveau kunnen binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) in onvoldoende mate geboden worden, aldus de psycholoog. De huidige mate van gevaar en functioneren van verdachte zijn onvoldoende behandelbaar binnen een (klinische) behandeling in de GGZ. De psycholoog verwacht dat een behandeling van meerdere jaren nodig is alvorens verdachte voor een vorm van beschermd wonen in aanmerking zou komen. Evenals de psychiater acht de psycholoog behandeling in een voorwaardelijk kader niet haalbaar. Ook zij adviseert terbeschikkingstelling met verpleging.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over dat het risico van ernstig agressief grensoverschrijdend gedrag hoog is. Hoewel verdachte nog geen zeer ernstige geweldsfeiten tegen personen heeft gepleegd, moet op grond van de door de deskundigen genoemde omstandigheden waaronder de ernst van de problematiek, het ontbreken van ziekteinzicht en ziektebesef, de in het verleden gebleken medicatie- en therapieontrouw en de weigering zich te laten behandelen, geoordeeld worden dat het risico op zulke feiten zo groot is dat andere personen ertegen beschermd moeten worden dat verdachte terugkeert in de maatschappij zonder adequaat te zijn behandeld.

Omdat verdachte niet bereid is mee te werken aan een behandeling in een forensisch-psychiatrische kliniek binnen een minder streng juridisch kader, resteert geen andere mogelijkheid dan de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel, dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel vereist.

Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van de beschikbare rapportages, die hiervoor zijn besproken, kan beslissen tot oplegging van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Uitgangspunt is dat de rechtbank zich voordat zij overgaat tot de terbeschikkingstelling advies doet overleggen van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Gezien de ernstige problematiek van verdachte valt overigens niet in te zien dat de algemene veiligheid van personen (aldaar) niet in gevaar zou zijn indien verdachte naar [geboorteland] zou terugkeren.

Mede gezien het oordeel over de toerekenbaarheid acht de rechtbank in dit geval, naast de terbeschikkingstelling, de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 15 september 2009;

- een voorlichtingsrapport d.d. 28 september 2009, uitgebracht door T. Clarke, reclasseringswerker van Leger des Heils;

- een pro justitia rapport d.d. 25 september 2009, uitgebracht door drs. J.B.M. Krakeel, psychiater;

- een pro justitia rapport d.d. 24 september 2009, uitgebracht door drs. S. Wijga, klinisch psycholoog/psychotherapeut;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 121 (honderéénentwintig) dagen;

- beveelt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Aldus gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mrs. M.A. Pot en A.W.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2009.

Mrs. M.A.A. ter Meer-Siebers en M.A. Pot waren buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.