Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK0913

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
07.607179-09 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs, bedreiging, mishandeling, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607179-09 (P)

Uitspraak : 13 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verblijvende te Opvangcentrum [adres 2].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 29 september 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. F.S. Boedhoe, advocaat te Almere, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 juni 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] tegen een deur en/of een hard oppervlak/voorwerp aan kwam of viel en/of

- die [slachtoffer 1] op het/een bed geduwd of gegooid en/of

- (vervolgens) bovenop die [slachtoffer 1] gaan zitten en/of

- die [slachtoffer 1] hardhandig bij haar (boven)armen en/of polsen vastgepakt en/of

- (hierbij) een kussen gepakt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga je smoren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij meermalen, in elk geval eenmaal in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 juni 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), verdachtes echtgenote, (telkens) meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- tegen haar lichaam heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] tegen een hard

oppervlak/voorwerp is gevallen en/of

- hardhandig bij haar (boven)armen heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

hardhandig in haar (boven)armen heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2008 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), verdachtes stiefzoon, meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- bij zijn keel heeft vastgepakt en/of

- (vervolgens) zijn keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of

dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- naar de grond heeft geduwd, waardoor of waarna die [slachtoffer 2] is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 24 december 2008 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), verdachtes stiefzoon, meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht)

- hardhandig bij zijn armen en/of zijn keel heeft vastgepakt en/of

vastgegrepen en/of

- zijn keel heeft dichtgegedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of

dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- aan zijn armen heen en weer heeft getrokken en/of

- tegen zijn lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de hierna volgende feiten vast.

Verdachte en aangeefster, [slachtoffer 1], zijn 11 jaar gehuwd . Aangever [slachtoffer 2] is de (stief)zoon van verdachte en de zoon van [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] heeft op 8 juni 2009 aangifte tegen verdachte gedaan ter zake van bedreiging en mishandeling . [slachtoffer 2] heeft op 18 mei 2009 tegen verdachte aangifte gedaan ter zake van mishandeling .

Verdachte is op 8 juni 2009 aangehouden en in verzekering gesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en vraagt daarvan vrijspraak.

De officier van justitie acht het onder 1., 2., en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], naar de verklaring van dochter [getuige 1] en naar de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 september 2009, waarin hij aangaf op 8 juni 2009 ’s ochtends erg boos op aangeefster te zijn geweest.

Ten aanzien het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte en het aanvullend verhoor van [slachtoffer 1], naar de verklaring van dochter [getuige 1] en naar de verklaring van verdachte ten overstaan van de politie waarin hij aangaf aangeefster op 8 juni 2009 te hard te hebben vastgepakt en haar op het bed te hebben gelegd.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van dochter [getuige 2] en de verklaring van [getuige 3].

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het hierna volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer 1] vastgepakt en op het bed gelegd, omdat hij met haar wilde praten. Er is geen sprake geweest van een strafbare bedreiging. De verklaring van dochter [getuige 1] komt niet overeen met de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] dan wel de verklaring van verdachte. [getuige 1] heeft verklaard tegen verdachte te hebben gezegd dat hij moest stoppen. Verdachte heeft echter niets gehoord en mevrouw [slachtoffer 1] heeft hierover ook niets verklaard, zodat er vanuit moet worden gegaan dat [getuige 1] niet in de slaapkamer is geweest. Verdachte heeft niet gezegd dat hij mevrouw [slachtoffer 1] zou smoren. De handelingen van verdachte zijn niet van dien aard geweest dat bij mevrouw [slachtoffer 1] een redelijke vrees kon ontstaan.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

De verklaring van mevrouw [slachtoffer 1] over de ten laste gelegde periode en hetgeen tussen haar en verdachte is voorgevallen in die periode, is te vaag. Verdachte heeft toegegeven mevrouw [slachtoffer 1] op 8 juni 2009 wel té stevig te hebben vastgepakt, maar hij heeft haar ook direct weer losgelaten. Hij heeft in een kussen geknepen. Hieruit kan worden afgeleid dat hij niet de intentie heeft gehad om mevrouw [slachtoffer 1] letsel toe te brengen. Bovendien hebben verbalisanten geen letsel bij mevrouw [slachtoffer 1] geconstateerd.

Ten aanzien van het onder 3. en 4. ten laste gelegde:

[slachtoffer 2] heeft gelijktijdig met zijn moeder [slachtoffer 1] in juni 2009 aangifte gedaan, terwijl hij stelt dat de incidenten zich een jaar of een half jaar daarvoor hebben voorgedaan. Dat is opmerkelijk. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 2] heeft mishandeld. De verklaring van dochter [getuige 2] dient als een de auditu verklaring aangemerkt te worden. Ten tijde van het onder 4. ten laste gelegde was zij niet thuis. Voor het overige is er geen bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

Mevrouw [slachtoffer 1] heeft op 8 juni 2009 ten overstaan van de politie verklaard dat verdachte haar die dag op het bed heeft geduwd, bovenop haar is gaan zitten en haar met kracht bij de polsen heeft gepakt. Terwijl hij haar vast hield, pakte hij een hoofdkussen en hoorde ze hem zeggen dat hij haar ging smoren. Ze is daar enorm van geschrokken. Dochter [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat ze hoorde dat haar vader en moeder ruzie hadden. Ze keek in de slaapkamer van haar moeder en zag dat haar moeder op het bed lag en dat haar vader half over haar moeder heen hing. Haar vader bevond zich ook op het bed .

Feit 2.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

In de aangifte van 8 juni 2009, heeft mevrouw [slachtoffer 1] over de gebeurtenissen die dag onder meer verklaard dat zij voelde hoe zij tegen de deur van de slaapkamer van dochter [getuige 1] werd aangeduwd. Zij voelde vervolgens dat verdachte met kracht haar bovenarmen vast pakte. In haar verklaring van 10 juni 2009, heeft mevrouw [slachtoffer 1] aangegeven dat zij, wanneer verdachte haar met kracht bij haar armen pakte, zij achteraf altijd blauwe plekken had en veel pijn. Dochter [getuige 1] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat haar vader haar moeder regelmatig met kracht beetpakte, waardoor er blauwe plekken ontstonden op de plaatsen waar hij haar beet heeft gepakt. Over 8 juni 2009 heeft ze verklaard dat ze in haar slaapkamer was. Ze hoorde dat haar vader en moeder ruzie hadden en hoorde daarna een harde bonk tegen haar deur. Ze hoorde haar moeder tijdens de ruzie verschillende malen tegen haar vader zeggen dat deze haar moeder los moest laten en moest stoppen .

Feit 3.:

Nu de aangifte van [slachtoffer 2] voor wat betreft hetgeen in april/mei 2008 zou zijn voorgevallen, niet wordt ondersteund door enig ander bewijs, acht de rechtbank de ten laste gelegde mishandeling betreffende die periode niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspraken van het onder 3. ten laste gelegde.

Feit 4.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 4. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

[slachtoffer 2] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte een week voor de kerstdagen in 2008 in zijn slaapkamer kwam en hem hardhandig vastpakte bij zijn armen en daarna bij zijn keel. [slachtoffer 2] voelde dat zijn keel werd dicht gedrukt. Dit deed hem pijn. Vervolgens pakte verdachte [slachtoffer 2] hardhandig en met kracht vast bij zijn armen en duwde en trok hem heen en weer. Ook dit deed [slachtoffer 2] pijn . De heer [getuige 3] heeft verklaard dat hij en zijn vrouw vlak voor kerst 2008 door mevrouw [slachtoffer 1] werden gebeld. Mevrouw [slachtoffer 1] belde, zodat de heer [getuige 3] mee kon luisteren naar wat er in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] gebeurde. Mevrouw [slachtoffer 1] zei dat verdachte en [slachtoffer 2] ruzie hadden en de heer [getuige 3] hoorde dat ze tegen elkaar schreeuwden en dat er gevochten werd. De ochtend daarop kwam [slachtoffer 2] bij de heer [getuige 3]. Deze zag dat [slachtoffer 2] een blauwe keel had en dat zijn armen blauw waren . Dochter [getuige 2] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij ongeveer een half jaar vóór 18 mei 2009 zag dat [slachtoffer 2] een blauwe plek op zijn arm had en een wond in zijn hals .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. en 4. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 juni 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer 1] op het bed geduwd en

- vervolgens bovenop die [slachtoffer 1] gaan zitten en

- die [slachtoffer 1] hardhandig bij haar polsen vastgepakt en

- hierbij een kussen gepakt en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je smoren";

2.

hij op 8 juni 2009 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], verdachtes echtgenote, eenmaal met kracht

- tegen haar lichaam heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] tegen een hard

oppervlak is gevallen en

- hardhandig bij haar bovenarmen heeft vastgepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 24 december 2008 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], verdachtes (stief)zoon, met kracht

- hardhandig bij zijn armen en zijn keel heeft vastgepakt en

- zijn keel heeft dichtgedrukt en

- aan zijn armen heen en weer heeft getrokken en

- tegen zijn lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1., 2. en 4. meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1.:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2.:

Mishandeling begaan tegen zijn echtgenote, strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4.:

Mishandeling begaan tegen zijn (stief)zoon, strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. DE STRAFOPLEGGING

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- verdachte vrij te spreken van het onder 3. ten laste gelegde;

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden:

• dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling in De Waag of een andere, soortgelijke instelling;

• een locatieverbod voor de echtelijke woning, zo lang de reclassering dit nodig acht.

De verdediging heeft voor wat de strafmaat betreft verzocht om rekening te houden met verdachte’s persoonlijke omstandigheden en aan hem maximaal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat de echtgenote en de zoon van verdachte in hun woning slachtoffer zijn geworden van mishandeling door verdachte. Zij hebben hierdoor pijn en letsel ondervonden. Bovendien heeft verdachte zijn echtgenote bedreigd. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op zowel de geestelijke als de lichamelijke integriteit van zijn partner en van zijn zoon en heeft voor beiden geen respect getoond.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 september 2009, waaruit blijkt dat verdacht niet eerder is veroordeeld;

- een Pro Justitia rapport opgemaakt door Dr. T.W.D.P. van Os, psychiater, d.d. 16 september 2009;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 23 september 2009.

De psychiater concludeert dat verdachte mogelijk lijdt aan een lichte vorm van autisme die tot uiting komt in een overmatige behoefte zijn omgeving onder controle en voorspelbaar te houden. Verdachte kan psychotisch decompenseren en zijn persoonlijkheid wordt gekenmerkt door narcistische en dwangmatige trekken. Er is geen groot recidive risico, maar met name de echtpaarrelatie is een risicofactor. Een behandeling en begeleiding van de echtpaarrelatie wordt geadviseerd. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar. Het advies luidt een (deels) voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht en een hulpverleningstraject bij De Waag.

Reclassering Nederland heeft geadviseerd om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voorts luidt het advies om in een eventueel vonnis een voorwaardelijk strafdeel op te nemen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringstoezicht, waarbij betrokkene zich aan de aanwijzingen van de Reclassering moet houden, ook als dit behandeling bij De Waag inhoudt of soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instellen, voor zolang deze instelling of de reclassering dat nodig acht.

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

7. BESLISSING

Het onder 3. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1., 2. en 4. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 150 uren, met bevel dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

De tijd, door verdachte voor de ten uitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag.

Van de werkstraf zal een gedeelte, groot 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. C.P. Lunter, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en C.E. Buitendijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009.

Mrs. C.E. Buitendijk en J.E. Doornwaard voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen