Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK0721

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
150545 / HA ZA 08-1263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaat procedeert bij de rechtbank, sector civiel recht, tegen zijn voormalige werknemer, die bij hem als advocaat in loondienst was. De rechtbank verwijst elf van de veertien vorderingen naar de kantonrechter die ingevolge artikel 93 aanhef en sub c Rv bij uitsluiting bevoegd is omdat die vorderingen allen betrekkelijk tot de arbeidsovereenkomst zijn. De overige drie vorderingen - gebaseerd op onrechtmatige daad - worden afgewezen.

De vorderingen in reconventie worden eveneens naar de kantonrechter verwezen ter verdere afdoening, nu ook die vorderingen betrekkelijk zijn tot de arbeidsovereenkomst. Het betoog van werkgever dat geen verwijzing kan volgen omdat gedaagde niet voor alle weren een beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank en omdat hijzelf evenmin een beroep heeft gedaan, gaat niet op, nu de rechtbank haar bevoegdheid ambshalve dient te onderzoeken. Ook de gestelde omstandigheid dat het in deze zaak gaat om een "gemengde problematiek", biedt geen soelaas. Voor de rechtbank bestaat geen pendant van artikel 94 lid 2 Rv, die het haar mogelijk zou maken de gehele zaak aan zich te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0027

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150545 / HA ZA 08-1263

Vonnis van 29 juli 2009

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.P. van Dijk,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H. den Besten.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 januari 2009,

- de akte in conventie tot wijziging c.q. aanvulling van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie van [A], met producties,

- de akte overlegging producties van [B], met producties,

- het proces-verbaal van comparitie van 30 maart 2009,

- de brief van mr. Van Dijk van 6 april 2009,

- de akte in conventie tevens akte tot aanvulling van grondslag en eis, tevens in reconventie, van [A], met producties,

- de antwoordakte na comparitie in conventie/reconventie van [B], met producties.

2. De feiten

2.1. [A] en [B] zijn beiden advocaat. [B] is als zodanig op 17 februari 1999 als stagiair in loondienst getreden bij [A].

2.2. Eind maart 2008 heeft [B] een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Lelystad. [A] heeft verweer gevoerd tegen dat verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek zijn partijen bij elkaar te rade gegaan en hebben een regeling getroffen (hierna: de vaststellings-overeenkomst). Bij beschikking van 13 mei 2008 (zaaknummer 396662 HA 08-115) (hierna: de ontbindingsbeschikking) heeft de kantonrechter te Lelystad de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per die datum ontbonden. Voorts heeft de kantonrechter bij die beschikking, overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst, aan [B] ten laste van [A] een vergoeding toegekend van EUR 30.000,--, waarvan [A] EUR 15.000,-- direct diende te voldoen en EUR 15.000,-- op 1 september 2008.

2.3. Bij kortgedingvonnis van 12 november 2008 (zaak-/rolnummer 147210 / KG ZA 08-336) (hierna: het kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank, zeer kort samengevat:

- in conventie [B] veroordeeld tot betaling aan [A] van EUR 27.875,52 en tot afgifte aan [A] van kopieën van verkregen en nog te verkrijgen vaststellingen van vergoedingen door de Raad voor de Rechtsbijstand;

- in reconventie [A] veroordeeld om EUR 15.000,-- te voldoen aan de besloten vennootschap Tender Beheer B.V., en om aan [B] bedragen te betalen in verband met een loonvordering ter zake de wettelijke verhoging en de afrekening van vakantiedagen.

3. De vordering in conventie

3.1. [A] vordert na wijziging van eis (kort samengevat en daarom door de rechtbank vernummerd) dat de rechtbank:

1. [B] zal veroordelen tot betaling van EUR 51.904,10 als vermeld op het afrekeningsoverzicht van de Raad voor de rechtsbijstand van 2 juni 2008 te verminderen met een op 26 november 2008 betaald bedrag van EUR 27.855,51, met rente;

2. zal beslissen dat [B] met betrekking tot de [zaak 1] EUR 467,--, de [zaak 2] EUR 966,-- en de [zaak 3] EUR 322,-- aan [A] moet voldoen, met rente;

3. voor recht zal verklaren dat het voorschot op het overzicht van 2 juni 2008 een voorschot betreft ten behoeve van onder handen werk en gedeclareerde toevoegingen waarvan de werkzaamheden zijn gerealiseerd binnen dienstverband;

4. [B] zal bevelen aan [A] af te geven uitbetalingsoverzichten van de Raad voor de rechtsbijstand die [B] op 1 september 2008 heeft ontvangen en die [B] in de komende twee jaar van de Raad ontvangt; met bepaling van een dwangsom;

5. [B] zal veroordelen tot uitbetaling over te gaan van de op deze overzichten vermelde vergoedingsbeschikkingen betreffende de periode tot 13 mei 2008, met rente;

6. voor recht zal verklaren dat krachtens het wettelijk toevoegingssysteem door de Raad voor de rechtsbijstand te verstrekken voorschotten betrekking hebben op werkzaamheden verricht binnen dienstverband voor zover er geen sprake is van eigen afgehandelde zaken binnen een eigen onderneming van een advocaat;

7. voor recht zal verklaren dat het achterhouden van de door de Raad voor de rechtsbijstand uitbetaalde gelden en het doorstorten daarvan aan een eigen besloten vennootschap een tekortkoming oplevert althans onrechtmatig is;

8. voor recht zal verklaren dat [B] door het achterhouden van hiervoor genoemde voorschotten en uitbetaalde toevoegingen onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld en deze zal veroordelen tot vergoeding van schade op te maken bij staat;

9. zal beslissen dat [B] aan [A] EUR 196,83 en EUR 995,01 moet voldoen, in verband met de AC-declaraties maand 06 intervisie, met rente;

10. voor recht zal verklaren dat in verband met de verrekening in rov. 6.3.1. van het kortgedingvonnis geen wettelijke verhoging verschuldigd is;

11. voor recht zal verklaren dat [A] aan [B] slechts de uitbetaling van vier niet opgenomen vakantiedagen verschuldigd was en [B] zal veroordelen tot terugbetaling van EUR 4.605,52 bruto, met rente;

12. voor recht zal verklaren dat [B] door de betekening en ten uitvoerlegging van het kortgedingvonnis onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld en [B] zal veroordelen tot terugbetaling van EUR 452,-- aan proceskosten;

13. primair voor recht zal verklaren dat [B] toerekenbaar nalatig althans onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld bij de totstandkoming van de vaststellings-overeenkomst en zal veroordelen tot terugbetaling van EUR 15.000,--, met rente;

subsidiair de vaststellingsovereenkomst zal ontbinden;

meer subsidiair de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen wegens misbruik van

omstandigheden, bedrog en dwaling;

14. [B] zal veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van 7 % van de hoofdvordering.

4. De vordering in reconventie

4.1. [B] vordert na vermindering van eis, kort samengevat, dat de rechtbank:

I. [A] zal veroordelen tot betaling van de in de conclusie van eis in reconventie in § 27 a tot en met d genoemde bedragen, voor zover deze nog niet zijn betaald, met rente;

II. voor recht zal verklaren dat [B] van nog toe te kennen vergoedingen van de Raad voor de rechtbijstand inzake meegenomen toevoegingszaken de aan [A] toekomende opbrengsten mag verrekenen met hetgeen in de conclusie van eis in reconventie in § 27 staat vermeld voor zover [A] nog niet aan de vorderingen heeft voldaan;

III. [A] zal veroordelen tot vergoeding van alle buitengerechtelijke kosten die noodzakelijk zijn om de administratieve chaos van [A] te ontwarren, op te maken bij staat;

IV. [A] zal veroordelen een btw-factuur ter beschikking te stellen voor een bedrag van EUR 58.842,10, met bepaling van een dwangsom.

5. De weren

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd waarop, voor zover relevant, hierna zal worden ingegaan.

6. De beoordeling

in conventie en reconventie

6.1. [B] is in loondienst geweest van [A]. Voor zover de conventionele en reconventionele vorderingen een arbeidsovereenkomst in ruime zin betreffen, is ingevolge artikel 93 aanhef en sub c Rv de kantonrechter door de aard van de vordering bij uitsluiting bevoegd daarvan kennis te nemen. Indien en voor zover dat hierna het geval zal blijken te zijn, zal de rechtbank de zaak verwijzen. Er is geen aanleiding partijen zich daar nader over te laten uitlaten, nu verwijzing ter comparitie aan de orde is geweest.

Het betoog van [A] dat geen verwijzing kan volgen omdat [B] niet voor alle weren een beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank en omdat hijzelf evenmin een beroep daarop heeft gedaan, is onjuist. De rechtbank dient in dezen haar bevoegdheid immers ambtshalve te onderzoeken. Ook de omstandigheid dat het in deze zaak gaat om, zoals [A] het noemt, een gemengde problematiek biedt geen soelaas. Voor de rechtbank bestaat geen pendant van artikel 94 lid 2 Rv, die het haar mogelijk zou maken de gehele zaak aan zich te houden.

in conventie

6.2. ad vorderingen 1. tot en met 7.

[A] stelt dat op grond van artikel 37 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een toevoeging wordt verstrekt aan de rechtsbijstandverlener. Op grond van de arbeids-overeenkomst die tussen partijen heeft bestaan komen betalingen ter zake aan de werkgever toe. Deze heeft immers ook het loon voldaan. Buiten het loon komt aan [B] niets toe, aldus [A].

Uit de eerste zeven vorderingen en de toelichting daarop volgt dat deze betrekkelijk tot arbeidsovereenkomst zijn. De rechtbank is derhalve niet bevoegd daarvan kennis te nemen. Daaraan doet niet af dat de vorderingen 3. tot en met 7. verschillende modaliteiten inhouden, zoals verklaringen voor recht en afgifte van stukken. Uiteindelijk gaat het erom dat [A] meent dat [B] aan hem moet voldoen (vordering 1. en 2.) datgene waarop hij op grond van de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst nog recht heeft.

In zoverre dient dus verwijzing te volgen.

6.3. ad vordering 8.

Aan de achtste vordering legt [A] een onrechtmatige daad ten grondslag. Nu de bevoegdheid van de rechtbank wordt bepaald door de aard van het recht waarin de aanlegger vraagt beschermd te worden, is de rechtbank in dezen bevoegd. Bij het kantongerecht zal aan de orde komen wat [B] alsnog aan [A] moet voldoen ten aanzien van gelden die betrekking hebben op de periode dat het dienstverband duurde. [A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na voldoening daarvan nog enige verdere schade heeft, zodat in zoverre geen verwijzing naar de schadestaat kan volgen. Voor zover het gaat om gelden die betrekking hebben op de periode na afloop van der partijen arbeidsovereenkomst, valt niet in te zien dat [B] onrechtmatig handelt door deze gelden onder zich te houden of in het vermogen van zijn huidige werkgever de besloten vennootschap [naam huidige werkgever] (hierna: [huidige werkgever]) te laten vallen.

De achtste vordering zal daarom worden afgewezen.

6.4. ad vordering 9.

De bedragen van EUR 196,83 en EUR 995,01 die [A] vordert, betreffen volgens hem werkzaamheden die in dienstverband zijn verricht.

Ook in zoverre moet dus verwijzing volgen.

6.5. ad vordering 10. en 11.

De tiende en elfde vordering hebben betrekking op het kortgedingvonnis. Daarin heeft de voorzieningenrechter een aantal veroordelingen gegeven die, kort gezegd, zien op afrekening van loon. [A] meent dat het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist is. Ook al zou dat zo zijn, [B] betwist het, dan nog laat dat onverlet dat de vorderingen in deze bodemzaak in zoverre betrekkelijk zijn tot arbeidsovereenkomst.

Ook in zoverre zal de rechtbank de zaak verwijzen.

6.6. ad vordering 12.

Volgens [A] is de betekening en tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis door [B] onrechtmatig jegens hem. Nu het recht waarin [A] ten aanzien van deze vordering vraagt beschermd te worden, een onrechtmatige daad betreft, is de rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen.

Tegen het kortgedingvonnis heeft [A] geen rechtsmiddel aangewend. Dat vonnis heeft tussen partijen derhalve kracht van gewijsde gekregen. Zonder nadere toelichting –die ontbreekt valt dan niet in te zien dat [B] onrechtmatig zou handelen door dat vonnis ook daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.

Vordering twaalf zal daarom worden afgewezen.

6.7. ad vordering 13.

[A] miskent bij zijn dertiende vordering dat hetgeen partijen in hun vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen is opgenomen in de ontbindingsbeschikking. Die beschikking heeft tussen partijen gezag van gewijsde. Tegen een ontbindingsbeschikking staat in beginsel geen gewoon rechtsmiddel open. Wel had [A], indien hij meende dat [B] hem had bedrogen, valse stukken had gebruikt of stukken van beslissende aard had achtergehouden, herroeping van de ontbindings-beschikking kunnen verzoeken op de wijze als bedoeld in artikel 390 Rv. [A] heeft die weg niet gevolgd, maar heeft in de plaats daarvan gekozen voor een vordering als de onderhavige om alsnog de inhoud de vaststellingsovereenkomst en daarmee kennelijk- de ontbindingsbeschikking gedeeltelijk aan te tasten. Dat is in strijd met het gesloten systeem van rechtsmiddelen, zodat de primaire, de subsidiaire en de meer subsidiaire vordering een deugdelijke grondslag ontberen.

Ook de dertiende vordering zal daarom worden afgewezen.

6.8. ad vordering 14.

De veertiende vordering is een nevenvordering wier toewijsbaarheid mede afhangt van de toewijsbaarheid van de hoofdvorderingen. Voor zover de rechtbank bevoegd is worden de hoofdvorderingen van [A] afgewezen. In zoverre is er dus ook geen grond voor toewijzing van de nevenvordering. Maar nu de kantonrechter na verwijzing het leeuwendeel van de hoofdvorderingen nog dient te beoordelen, zal deze ook een verder oordeel over deze nevenvordering moeten geven.

in reconventie

6.9. ad vordering I.

In § 27 van zijn conclusie van eis in reconventie heeft [B] een overzicht gegeven van een aantal bedragen dat volgens hem nog aan hem toekomt uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Hij vordert veroordeling van [A] tot betaling van die bedragen. Het gaat derhalve ook hier weer om een vordering betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst.

Ook in zoverre moet dus verwijzing volgen.

6.10. ad vordering II.

[B] tweede vordering betreft een verklaring voor recht tot verrekening van enige bedragen. Dat betreft met name de conventionele vorderingen onder 1. en 2. en over de reconventionele vordering onder I. Nu de kantonrechter daarover een oordeel zal geven is het ook aan hem om te beoordelen of verrekening mogelijk is.

Ook hier zal dus verwijzing volgen.

6.11. ad vordering III.

Voor de derde vordering zoals door [B] geformuleerd, valt in het lichaam van de conclusie van eis in reconventie geen deugdelijke grondslag te ontwaren evenmin als in diens slotakte.

Deze vordering dient reeds daarom als ongegrond te worden afgewezen.

6.12. ad vordering IV.

Ter comparitie heeft [B] erkend dat dit een vordering is die [huidige werkgever] op [A] heeft en dat deze vordering aan hem, [B], zal worden gecedeerd. [B] is in zijn slotakte daar niet meer op teruggekomen, zodat hij ten aanzien van deze vordering niet kan gelden als de wederpartij van [A].

Ook deze vordering zal als ongegrond worden afgewezen.

in conventie en reconventie

6.13. In het licht van het hiervoor besprokene ligt het voor de hand dat niet de rechtbank maar de kantonrechter een oordeel geeft over de proceskosten en bij de begroting daarvan rekening houdt met het oordeel van de rechtbank tot nu toe.

7. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

7.1. wijst af de vorderingen 8., 12. en 13.;

in reconventie

7.2. wijst af de vorderingen III. en IV.;

in conventie en reconventie

7.3. verwijst de zaak ter verdere afdoening voor het overige naar de sector kanton van deze rechtbank;

7.4. bepaalt dat partijen zich ter rolle van de kantonsector van deze rechtbank van 26 augustus 2009 dienen uit te laten over voortzetting van procedure.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Huijzer en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2009.