Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK0697

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
07/630010-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gmotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630010-09 (P)

en 15.801149-07 (TUL)

Uitspraak: 15 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboorteplaats),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. G. Edelenbos, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts vordert de officier van justitie dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf wordt afgewezen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting op 1 oktober 2009 gewijzigd).

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Door de verdediging is, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat in de gepubliceerde jurisprudentie slechts één voorbeeld is te vinden van vervolging voor het doen plegen van valse aangifte en dat gelet op het kennelijk bestaande vervolgingsbeleid op dit punt (namelijk niet-vervolgen) de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het enkele feit dat er in de gepubliceerde jurisprudentie slechts één voorbeeld is te vinden van vervolging voor het doen plegen van valse aangifte, is onvoldoende om te concluderen dat het openbaar ministerie het beleid voert dat dergelijke zaken niet worden vervolgd. De rechtbank voegt daar aan toe dat het openbaar ministerie op basis van het opportuniteitsbeginsel de vrijheid heeft om een strafbaar feit al dan niet te vervolgen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

BEWIJS

De raadsman van verdachte heeft, onder meer, aangevoerd dat het voor verdachte een volslagen verrassing was dat zijn collega met het door verdachte verzonnen moordverhaal naar de politie was gegaan en dat verdachte dus geen opzet heeft gehad op het doen van aangifte door zijn collega.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet begreep dat zijn collega het verhaal serieus had genomen en dat hij nooit had verwacht dat zijn verhaal bij de politie terecht zou komen. Pas achteraf is bij hem het besef gekomen dat het een ‘foute grap’ was.

Gelet op de verklaringen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het doen van aangifte door zijn collega en ook niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn collega aangifte bij de politie zou doen.

Aldus dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank geen termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de door de politierechter te Haarlem bij vonnis d.d. 4 december 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 15.801149-07 bij vonnis d.d. 4 december 2007 van de politierechter te Haarlem voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en

M. Willemse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2009.