Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK0531

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
162494 / JZ RK 09-739
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Haperende gezagsinvulling door ouders levert voldoende grondslag op voor ondertoezichstelling ook al is de minderjarige 17 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaak/rolnr.: 162494 / JZ RK 09-739

datum: 12 oktober 2009

beschikking van de kinderrechter

Inzake

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Zwolle,

vertegenwoordigd door mr. W. Dull,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

met betrekking tot de minderjar[minderjarige]minderjarige], geboren op [datum] 1992 in de gemeente [plaats],

hierna als [minderjarige] aangeduid,

kind van:

1. [vader],

en

2. [moeder],

beiden wonende te [plaats],

advocaat mr. J.W.A. van Dommelen,

hierna als de vader respectievelijk de moeder respectievelijke de ouders aangeduid,

belanghebbenden.

De vader en de moeder zijn belast met het gezag.

Het procesverloop

De Raad heeft op 21 september 2009 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling.

De kinderrechter heeft kennis genomen van een rapport van de Raad van 24 augustus 2009.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 12 oktober 2009.

Verschenen zijn:

- T.W. Thiery namens de Raad;

- de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat;

- P. Slijkhuis namens Bureau Jeugdzorg Overijssel, hierna als de gezinsvoogdijinstelling aangeduid.

[minderjarige] heeft gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid te worden gehoord.

Vaststaande feiten

[minderjarige] verblijft bij zijn broer en zus in huis.

Beoordeling van de zaak

De Raad verzoekt [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de gezinsvoogdijinstelling.

Ter motivering van zijn verzoek verwijst de Raad naar zijn rapport.

De ouders maken bezwaar tegen toewijzing van het verzoek. Zij stellen dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling, zoals dat vermeld staat in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat momenteel goed met [minderjarige]. Er is geen enkele ernstige bedreiging van zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid aan te wijzen. De ouders voeren aan dat zij hun kinderen, vijftien in getal, waarvan [minderjarige] de jongste is, altijd naar eer en geweten volgens de hen inspirerende normen en waarden hebben verzorgd en opgevoed. Zij hebben nooit aan [minderjarige] gemerkt dat het niet goed met hem zou gaan. Zij wijzen er op dat [minderjarige], als hij zich weer aan die normen en waarden wil houden, altijd weer bij hen in huis kan komen wonen.

Voor wat betreft het incident waarover op blz. 4 van het rapport van de Raad sprake is en dat geleid heeft tot een huisverbod voor vader en tot een strafrechterlijke vervolging van hem, merkt de vader op daarvan spijt te hebben. Een en ander is met [minderjarige] uitgesproken. De ouders menen daarmee dat de kwestie uit de wereld geholpen is.

[minderjarige] staat achter het verzoek van de Raad.

De kinderrechter wijst op artikel 1:247, eerste lid, van het BW. Deze bepaling luidt als volgend: “Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden”.

De kinderrechter stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de behandeling naar voren is gekomen vast dat de ouders momenteel niet in staat of bereid zijn invulling te geven aan hun gezag over [minderjarige]. Nog daargelaten dat de vader, zoals hij tijdens de behandeling aan heeft gegeven, in het kader van een strafrechterlijke procedure geen contact met [minderjarige] mag hebben, ontslaat hem dat niet van de hiervoor bedoelde verzorgings- en opvoedingsverplichting. Voor de moeder geldt dat contactverbod niet, doch zij sluit zich feitelijk geheel aan bij de zienswijze van de vader. De ouders leggen de verantwoordelijkheid voor contactherstel tussen [minderjarige] en hen, zodat zij weer invulling kunnen geven aan hun gezag, geheel bij [minderjarige]. Deze benaderingswijze is naar het oordeel van de kinderrechter niet juist. Communicatie moet van twee kanten komen. Van de ouders mag, gelet op hun opvoedende en verzorgende taak verwacht worden dat zij daarbij hun kind de helpende hand bieden, ook waar het de communicatie tussen de ouders en het kind betreft.

Gelet op de haperende invulling van het gezag en daarmee van de verzorgings- en opvoedingsverplichting door de ouders is er reeds om die reden sprake van een ernstige bedreiging van de zedelijk of geestelijke belangen of de gezondheid van [minderjarige] zoals bedoeld in de wet.

Er is momenteel nauwelijks tot geen communicatie tussen de ouders en [minderjarige]. De kinderrechter stelt vast, enerzijds dat de ouders vanuit hun geloofsovertuiging en de daarop aansluitende opvoedings- en verzorgingsstijl ervan overtuigd zijn dat zij steeds op de beste wijze handelen en anderzijds dat [minderjarige] deze geloofsovertuiging niet op dezelfde manier als de ouders beleeft. [minderjarige] heeft ruimte nodig voor het ontwikkelen van een eigen identiteit, welke ruimte hij op dit moment niet ervaart.

Gelet op bovenstaande verschil van inzicht is het niet te verwachten dat, nu de vrijwillige hulp onvoldoende op gang is gekomen, de verstoorde communicatie tussen [minderjarige] en zijn ouders zonder hulp kan worden hersteld. Juist omdat [minderjarige] na 3 maart a.s. meerderjarig is, is er naar het oordeel van de kinderrechter voldoende aanleiding [minderjarige] en zijn ouders thans de helpende hand toe te steken om [minderjarige] op de komende meerderjarigheid voor te bereiden.

Op grond van het vorenstaande en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht komt de kinderrechter tot de slotsom dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid ernstig worden bedreigd en dat andere maatregelen in een vrijwillig kader ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien, zullen falen. Het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen tot aan zijn meerderjarigheid, 3 maart 2010.

Beslissing

Stelt [minderjarige] voornoemd onder toezicht met ingang van 12 oktober 2009 tot 3 maart 2010.

Benoemt BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL tot gezinsvoogdijinstelling.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2009.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de kinderrechter kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.