Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK0015

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
07/400273-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WVW, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400273-08 (P)

Uitspraak: 8 september 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. De verdachte is niet verschenen. Aanwezig was mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, die verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om verdachte te verdedigen.

2 De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 06 september 2007 in de gemeente Kampen als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de (weg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl zij niet in het bezit was van een rijbewijs dat motorrijtuig heeft bestuurd, komende van de (straat), met dat motorrijtuig, met een te hoge snelheid, althans met een snelheid te hoog voor een veilig verkeer ter plaatse, naar rechts is afgeslagen, en/of (vervolgens) daarbij haar motorrijtuig niet voldoende onder controle heeft gehouden en/of heeft kunnen houden en/of (vervolgens) daarbij op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en/of (vervolgens) frontaal op/tegen een aldaar haar, verdachte, tegemoetkomende fietser is gebotst en/of gereden, waardoor die fietser, althans een ander (genaamd (slachtoffer)), zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele onderbeenbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

1.

zij op of omstreeks 06 september 2007 in de gemeente Kampen als bestuurster van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de (weg), komende van de (straat), met dat motorrijtuig, met een te hoge snelheid, althans met een snelheid te hoog voor een veilig verkeer ter plaatse, naar rechts is afgeslagen, en/of (vervolgens) daarbij haar motorrijtuig niet voldoende onder controle heeft gehouden en/of heeft kunnen houden en/of (vervolgens) daarbij op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en/of (vervolgens) frontaal op/tegen een aldaar haar, verdachte, tegemoetkomende fietser is gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

zij op of omstreeks 06 september 2007 in de gemeente Kampen als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de (weg), zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Verdachte heeft op 6 september 2007 gesproken met (naam). Daarop is verdachte gaan rijden in de auto van (naam). (naam) zat op de stoel naast haar. Verdachte reed over de (straat) in Kampen. Ter hoogte van de (poort) sloeg zij rechtsaf de (weg) in en vervolgens botste zij tegen een haar tegemoetkomende fietser, te weten (slachtoffer).

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting ten aanzien van het bewijs van het primair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs het navolgende, op grond van de hierna vermelde bewijsmiddelen.

Verdachte heeft verklaard, dat ze (naam) had verteld dat ze geen rijbewijs had. Ze vertelde hem dat ze wel eens bij een vriend en bij haar moeder in de auto had gereden, maar dat haar moeder stuurde en dat ze niet goed was in de bochten. Toen ze achter het stuur was gaan zitten, leerde (naam) haar hoe ze het met de koppeling moest doen. Verder heeft ze verklaard, dat ze ter hoogte van de (poort) voor de kruising stopte. Ze wilde vervolgens een bocht naar rechts maken. Ze zag niet dat er een man aankwam en ze kreeg een botsing met die man.

(naam) heeft verklaard, dat hij wist dat verdachte geen autorijbewijs had. Toen verdachte achter het stuur was gaan zitten, leerde (naam) haar hoe de auto gestart moest worden. Vervolgens heeft hij haar geleerd om goed in de spiegels te kijken. Hij leerde haar toen hoe zij in de versnelling weg moest rijden. Verdachte ging volgens (naam) vervolgens op de kruising (straat) met de (weg) rechtsaf de (weg) op en nam de bocht heel ruim . Zij reed hierdoor op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer. (naam) zag dat er een fietser op de (weg) reed richting hen. Verdachte reed tegen deze fietser aan. De fietser viel hierdoor.

Het slachtoffer, (slachtoffer), heeft verklaard dat hij met zijn fiets over de (weg) richting de (poort) reed. Hij zag dat een rode auto van links kwam en dat deze auto de bocht heel erg ruim nam en op zijn weghelft kwam. De auto remde niet af, waarop het slachtoffer werd aangereden. Hij had zijn scheenbeen en zijn kuitbeen gebroken.

Getuige (naam) heeft verklaard, dat hij achter de bewuste auto reed en dat de auto slingerend over de weg reed. Op de bewuste kruising sloeg de auto met een wijde bocht rechtsaf.

In de verkeersongevallenanalyse staat dat gezien de eindpositie van de fiets de auto zo goed als zeker op de linker weghelft van de (weg) tegen de fiets is gebotst.

Verdachte was niet in het bezit van een geldig rijbewijs.

De rechtbank is van oordeel, dat verdachte niet alleen geen rijbewijs had, maar bovendien over onvoldoende vaardigheid beschikte om een auto te kunnen besturen. Verdachte is toch gaan rijden en heeft daarbij een bocht zo ruim genomen, dat ze op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer ging rijden. Ze heeft daarbij verklaard, dat ze de tegemoetkomende fietser niet heeft gezien. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen, dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hetgeen oplevert schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet.

In de letselbeschrijving van de GGD staat, dat (slachtoffer) op 6 september 2007 is behandeld op de afdeling Spoedeisende Hulp van de Isalaklinieken te Zwolle. Zowel het scheenbeen als het kuitbeen was vlak boven de enkel gebroken. De botbreuken zijn operatief hersteld (pennen/platen/schroeven).

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat (slachtoffer) ten gevolge van het ongeval een dubbele onderbeenbreuk heeft opgelopen.

4.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigende bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 6 september 2007 in de gemeente Kampen als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de (weg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl zij niet in het bezit was van een rijbewijs dat motorrijtuig heeft bestuurd, komende van de (straat), met dat motorrijtuig, naar rechts is afgeslagen, en daarbij haar motorrijtuig niet voldoende onder controle heeft gehouden en (vervolgens) daarbij op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en (vervolgens) frontaal tegen een aldaar haar, verdachte, tegemoetkomende fietser is gebotst, waardoor die fietser (genaamd (slachtoffer)), zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele onderbeenbreuk werd toegebracht.

Wat meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht ook indien dat inhoudt deelnemen aan een Cova+ training, en

- 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting verklaard, zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke werkstraf, maar verzoekt een ontzegging van de rijbevoegdheid ook voorwaardelijk op te leggen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiƫle documentatie d.d. 21 juli 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank bij haar beslissing rekening gehouden met een de verdachte betreffend Voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Regio Midden-Oost Nederland, gedateerd 6 juli 2009.

Verdachte is licht verstandelijk beperkt. Volgens verdachte is ze gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheid. Verdachte wordt begeleid door het maatschappelijk werk. Dit contact verloopt goed. Verdachte heeft mede door haar beperking moeite met het inschatten van sociale situaties. Daarnaast is ze gemakkelijk over te halen, ze kan moeilijk nee zeggen. Verdachte geeft aan te willen veranderen, ze wil assertief worden en leren nee te zeggen. De Reclassering adviseert een voorwaardelijke werkstraf op te leggen met reclasseringstoezicht. Het risico op recidive is laag, maar naar het inzicht van de Reclassering wel aanwezig indien verdachte niet assertief wordt. Gezien haar verstandelijke beperking wordt geadviseerd een Cognitieve Vaardigheidstraining, Cova+.

De rechtbank is, gelet op de ernst van het feit en de ernstige gevolgen die het onverantwoordelijke verkeersgedrag van verdachte heeft gehad, maar ook gelet het blanco strafblad van verdachte en haar veranderingsgezindheid, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke werkstraf passend is met als bijzondere voorwaarde reclasseringtoezicht ook als dat inhoudt deelnemen aan een cognitieve vaardigheidstraining cova+. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 40 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De taakstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt deelnemen aan een Cognitieve Vaardigheidstraining Cova+, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede, voorzitter, mrs. F. Koster en L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2009.