Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ9638

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
07.607139-09; 07.600672-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag.

Verwerping van het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat verdachte zelf de gewelddadige confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. De rechtbank acht geen verdedigingswil bij verdachte aanwezig, hetgeen op zich reeds in de weg staat aan een succesvol beroep op noodweer(exces). Ook overigens zou een dergelijk beroep geen kans van slagen hebben omdat bij verdachte sprake is van anterieure verwijtbaarheid in de zin van dolus in causa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers : 07.607139-09 en 07.600672-06 (VTVV)

Uitspraak : 8 september 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats],

gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.N. Dijkers, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. M.J.E. Vink, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot moord en het onder 2. ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- onttrekking aan het verkeer van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 30 juli 2009 onder 1 vermelde dolk (in foudraal);

- afwijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 07.600672-06.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot moord te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en 2. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Feit 1. primair:

hij op [datum] in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2.:

hij op [datum] in de gemeente [plaats] een dolk met zwart/bruin heft (in een zwarte schede), zijnde een voorwerp als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en

munitie, heeft gedragen.

Van het onder 1. primair en 2. meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1. primair:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2.:

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 54 van de Wet wapens en munitie.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ter zake het onder 1. ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweer, dan wel noodweerexces.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste avond bezoek kreeg van zijn stiefdochter [persoon X] die hem huilend vertelde dat haar (ex-)partner, [slachtoffer], wederom de ruiten bij haar had ingegooid, waarna verdachte besloot om gewapend met een dolkmes verhaal te gaan halen bij de heer [slachtoffer], omdat voor hem de maat vol was. Het dolkmes verklaart verdachte mee te hebben genomen ondermeer omdat hij wist dat [slachtoffer] “ook geen eerlijke vechter was”.

Verdachte verklaart vervolgens lopend (vol adrenaline) naar de woning van [slachtoffer] te zijn gegaan om vervolgens aldaar een ruit in te gooien om, zoals hij zelf zegt, hem te laten weten wat het is om dit te ervaren.

Op basis van met name voormelde verklaringen van de verdachte, in samenhang bezien met verklaringen van zijn stiefdochter [persoon X] en de getuige [slachtoffer], acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verdachte aldus zelf de gewelddadige confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht en de kans daarop flink heeft verhoogd door aldaar een ruit in te gooien. De rechtbank acht derhalve geen verdedigingswil bij verdachte aanwezig hetgeen op zich reeds in de weg staat aan een succesvol beroep op noodweer(exces).

Ook overigens zou een dergelijk beroep geen kans van slagen hebben omdat bij verdachte, gezien de hierboven omschreven omstandigheden waarbij door hem een aanval door [slachtoffer] is geprovoceerd, sprake is van anterieure verwijtbaarheid in de zin van dolus in causa.

Alhoewel de rechtbank zich, de jurisprudentie beschouwend, realiseert dat de beantwoording van deze vraag het sluitstuk zou moeten zijn van de toetsing naar de vraag of sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, acht de rechtbank een zodanige mate van verwijtbaarheid aan de orde dat reeds op grond daarvan de weg naar een succesvol beroep op noodweer(exces) is afgesloten.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat de op voornoemde lijst vermelde dolk (in foudraal) dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het onder 1. primair bewezen verklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en het ongecontro¬leerde bezit van dit voorwerp in strijd is met de wet, althans met het algemeen belang¬.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 juli 2009;

- een retourzending rapportageverzoek d.d. 11 mei 2009 van P.M. Visser, reclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;

- een retourzending rapportageverzoek d.d. 8 juli 2009 van drs. H.E.W. Koornstra, psycholoog, tevens vast gerechtelijk deskundige;

- een retourzending rappportageverzoek d.d. 11 augustus 2009 van dr. J.J. van Egmond, psychiater.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank zal de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.600672-06 door de politierechter bij vonnis d.d. 14 maart 2007 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, aangezien uit het tot het dossier behorende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2009 blijkt dat de executie van deze week gevangenisstraf reeds heeft plaatsgevonden.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

De onder 1. primair ten laste gelegde poging tot moord is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 2. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1. primair en 2. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 30 juli 2009 onder 1 vermelde dolk (in foudraal).

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 07.600672-06

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door mr. C.E. Buitendijk, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en M.A.A. ter Meer-Siebers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2009.