Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ9177

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
Awb 08/807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op goede gronden aangeslagen in de verontreinigingsheffing voor het belastingjaar 2008, omdat eiser direct of indirect stoffen op een zuiveringtechnisch werk brengt (IBA).Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 08/807

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

(eiser),

wonende te Linde, ,

en

de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijke belastingkantoor Oost-Nederland (Lococensus), verweerder,

gemachtigde .

1.Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 12 januari 2008 heeft verweerder eiser een aanslag verontreinigingsheffing opgelegd voor het jaar 2008. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 april 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 18 mei 2008 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 11 juli 2008 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 14 juli 2009 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, tezamen met zijn echtgenote. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw J. Middel en de heer H.Lammers.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2.De feiten

Eiser is eigenaar van het perceel gelegen aan (…) te Linde. Het perceel van eiser is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk, te weten een zogenaamde IBA (Individuele Behandeling van Afvalwater).

3.Het geschil

In geschil is de vraag of de aanslag verontreinigingsheffing voor het jaar 2008 terecht is opgelegd. De hoogte van de aanslag is niet in geschil.

Eiser heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag terecht is opgelegd.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunt verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1 Eiser heeft aangevoerd dat hij niet op het oppervlaktewater of het riool loost, nu gebruik wordt gemaakt van een gecertificeerd rietfilter (helofytenfilter).

4.2 Met ingang van 29 december 2007 is de Wet modernisering waterschapsbestel in werking getreden en is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) gewijzigd.

Gelet op artikel XII van de Wet modernisering waterschapsbestel blijft hoofdstuk IV van de Wvo van toepassing zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen vóór 1 januari 2009.

Nu het geding ziet op een aanslag verontreinigingsheffing over het belastingjaar 2008, zijn de bepalingen van de Wvo, zoals deze luidden tot 29 december 2007, met inachtneming van artikel XII van de Wet modernisering waterschapsbestel, nog van toepassing.

Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wvo is een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.

Onder een zuiveringstechnisch werk wordt ingevolge artikel 17, onder f, van de Wvo, verstaan een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering.

Onder kwaliteitsbeheerder wordt ingevolge artikel 17, onder g, van de Wvo, verstaan het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet.

Onder afvoeren wordt ingevolge artikel 17, onder i, van de Wvo, verstaan het direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

De hierboven vermelde bepalingen zijn eveneens neergelegd in de Verordening verontreinigingsheffing 2007 (hierna: de Verordening), zoals deze luidde ten tijde hier van belang.

Artikel 3, lid 1, van de Verordening bepaalt dat onder de naam verontreinigingsheffing, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het waterschap bevoegd is, of een zuiveringstechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is.

Aan de heffing worden degenen onderworpen die stoffen direct of indirect in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk brengen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de IBA is aan te merken als een zuiveringstechnisch werk. Evenmin is in geschil dat dit zuiveringstechnisch werk in beheer is bij het waterschap Reest en Wieden.

De rechtbank stelt vast dat het waterschap Reest en Wieden dit beheer uitvoert in opdracht van het waterschap Velt en Vecht, aangezien de gemeente De Wolden zowel in het beheergebied van Velt en Vecht als in het beheergebied van Reest en Wieden ligt. Deze waterschappen zijn overeengekomen dat het waterschap Reest en Wieden de in de gemeente De Wolden liggende IBA’s beheert voor rekening van het waterschap Velt en Vecht, voor zover de IBA’s liggen in het beheergebied van Velt en Vecht.

Op grond hiervan is het waterschap Velt en Vecht in onderhavige kwestie de bevoegde kwaliteitsbeheerder die tot heffing mag overgaan, welke bevoegdheid aan verweerder is overgedragen.

De rechtbank stelt tevens vast dat vanuit de woning van eiser afvalwater getransporteerd wordt naar de IBA, met andere woorden, eiser brengt stoffen op een zuiveringtechnisch werk.

Gelet op de hierboven weergegeven bepalingen heeft verweerder derhalve eiser op goede gronden aangeslagen in de verontreinigingsheffing voor het belastingjaar 2008, omdat eiser direct of indirect stoffen op een zuiveringstechnisch werk brengt.

4.3 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de IBA door de gemeente De Wolden is geplaatst en ook haar eigendom is. In de informatie die door de gemeente is verstrekt, voorafgaand aan de plaatsing van de IBA, is gemeld dat plaatsing door de gemeente een plicht tot betaling van rioolbelasting inhoudt. Tevens is aangegeven dat voor onderhoud overleg zou plaatsvinden met het waterschap “Reest en Wieden”. Over het beheer van de IBA’s is nimmer door de gemeente gesproken en de verontreinigingsheffing is ook nooit ter sprake gebracht. De gemeente heeft in 2002 zelfs aangegeven dat onder het rioolrecht ook het beheer zou vallen. De heffing is dan ook ten onrechte opgelegd.

De rechtbank overweegt vooreerst dat het in deze procedure slechts gaat om de vraag of verweerder de verontreinigingsheffing voor het jaar 2008 terecht heeft opgelegd. De rechtbank kan dus geen oordeel vellen ten aanzien van de vraag of de gemeente De Wolden terecht rioolbelasting heft. De rechtbank overweegt voorts dat onder beheer ook moet worden begrepen het onderhoud van de IBA, dat, volgens verweerder, bestaat uit het jaarlijks maaien van het riet en het reageren op storingen.

Ten aanzien van de informatievoorziening door de gemeente De Wolden heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven daarbij zelf niet aanwezig te zijn geweest, maar wel te hebben begrepen dat het waterschap was vertegenwoordigd door medewerkers van het waterschap met een technische achtergrond.

De rechtbank stelt vast dat niet is gesteld en ook overigens niet is gebleken, dat het waterschap bij monde van de vertegenwoordigers op de informatiebijeenkomst of anderszins heeft aangegeven dat geen verontreinigingsheffing zou worden geheven voor het beheer van de IBA. Over de vraag of de gemeente de indruk heeft gewekt dat geen heffing zal worden opgelegd, laat de rechtbank zich in het kader van deze procedure niet uit. Daar komt bij dat een dergelijke mededeling niet kan afdoen aan de bevoegdheid van verweerder om verontreinigingsheffing op te leggen voor het beheer van de IBA.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat de verontreinigingsheffing voor 2008 terecht is opgelegd. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, en mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. F.G. van Arem, leden, en in het openbaar uitgesproken door mr. E.W. Akkerman in tegenwoordigheid van drs. M.P. de Zwart als griffier, op

Afschrift verzonden op: