Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ9166

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
462145 VV 09-66
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort Geding. Wijziging van plaats van tewerkstelling. Toetsing aan Mammoet II. Werkgever moet overplaatsing ongedaan maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 462145 VV EXPL 09-66

Datum : 7 september 2009

Vonnis in het kort geding van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. E.H. van Stigt Thans,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

overeenkomstig haar handelsnaam verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. S. Wouters.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding van 11 augustus 2009. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2009. Beide partijen zijn ver-schenen. De gemachtigden van partijen hebben de wederzijdse standpunten nader toegelicht. Vervolgens is de uitspraak op vandaag bepaald.

Het geschil

[eisende partij] vordert in kort geding, zakelijk weergegeven, dat [gedaagde partij] haar over-plaatsing naar [plaats A] met onmiddellijke ingang ongedaan maakt en haar weer in [plaats B] tewerkstelt, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag. Ook vordert [eisende partij] betaling van € 1.000,- buitengerechtelijke kosten en de veroordeling van [gedaagde par-tij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] heeft de vordering tegengesproken en de afwijzing ervan bepleit.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat, voor zover thans van belang, het volgende vast.

[eisende partij], geboren [datum] en wonende te [woonplaats], is met ingang van [datum] aan-vankelijk voor bepaalde tijd in loondienst van [gedaagde partij] getreden. In artikel 1 van het destijds opgemaakte arbeidscontract staat dat [eisende partij] haar werkzaamheden ‘(voorname-lijk) vanuit/in [plaats B]’ zal verrichten. De functie van [eisende partij] is commercieel admini-stratief medewerkster. De arbeidsovereenkomst geldt vanaf 1 oktober 2008 voor onbepaalde tijd.

[eisende partij] heeft zich op 29 januari 2009 ziek gemeld en zich enkele dagen daarna weer hersteld gemeld.

Bij brief van 16 maart 2009 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] het volgende geschre-ven:

"…Tengevolge van financieel-economische marktomstandigheden, de omzetverwachting van de vestiging [plaats B] zal substantieel lager zijn dan in 2008, zijn wij genoodzaakt om alle be-schikbare medewerkers zo optimaal mogelijk in te delen voor wat betreft hun werkplekken. Ge-keken wordt daarbij dat daar waar de omzetontwikkeling zich nog enigszins handhaaft de be-treffende medewerkers zullen moeten worden ingezet.

Daarnaast zijn wij van mening dat, gelet op de onlangs gevoerde discussie tussen u en [X], het voor u en het team [X] [plaats B] wenselijk is dat er een nieuwe start gaat plaatsvinden.

Gelet op het bovenstaande delen wij u mede dat, met ingang van een nog nader te bepalen da-tum, u uw werkzaamheden binnen uw bestaande functie kunt voortzetten op de vestiging [plaats C]. U komt in aanmerking voor de geldende [X] reiskostenvergoeding van € 88,00 netto per maand. Uw overige arbeidsvoorwaarden blijven ongewijzigd.

Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd tekenen wij ... ".

Bij brief van 30 maart 2009, waarin de motivering in de brief van 16 maart 2009 is herhaald, is [eisende partij] bericht dat zij met ingang van 20 april 2009 haar werkzaamheden kan voortzet-ten op de vestiging te [plaats A].

Op 14 april 2009 heeft [eisende partij] zich weer ziek gemeld. Ingaande 8 juli 2009 is zij op arbeidstherapeutische basis bij de vestiging van [gedaagde partij] te [plaats A] gaan werken. Thans werkt [eisende partij] op genoemde basis gedurende vier dagen per week vijf uren per dag.

[gedaagde partij] is een groothandel in bouwmaterialen en zij heeft meerdere, over Nederland verspreide vestigingen.

2.

[eisende partij] is, kort samengevat, van oordeel dat zij niet naar [plaats A] had mogen worden overgeplaatst, omdat daarvoor geen steekhoudende argumenten bestaan. [eisende partij] betwist dat de verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden waarin [gedaagde partij] verkeert de beslissing tot overplaatsing rechtvaardigen. Volgens [eisende partij] houdt haar overplaatsing uitsluitend verband met het feit dat [eisende partij] met haar werkgever een discussie over de hoogte van het salaris is begonnen, en zij niet is ingegaan op het voorstel van [gedaagde partij] van 29 januari 2009 de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. De overplaatsing is, kort gezegd, pesterij.

3.

[gedaagde partij] is, kort samengevat, van oordeel dat de bedrijfseconomische omstandigheden het overplaatsingsbesluit rechtvaardigen. Volgens [gedaagde partij] wordt [eisende partij] door de overplaatsing nauwelijks in haar belangen geschaad. [eisende partij] dient te werk te worden gesteld in de vestiging waar behoefte is aan haar arbeidsinzet. In dit geval is dat [plaats A]. In [plaats B] is onvoldoende werk voorhanden wegens een teruggelopen omzet. [gedaagde partij] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang.

4.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De eerste aan de orde zijnde vraag is de vraag of [eisende partij] een voldoende spoedeisend belang heeft. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. [eisende partij] heeft on-weersproken gesteld dat na de brieven van [gedaagde partij] aan [eisende partij] van 16 maart 2009 en 30 maart 2009 namens [eisende partij] schriftelijk is geprotesteerd tegen het besluit tot overplaatsing en wel door middel van de overgelegde brieven van 27 maart 2009 en van 3 april 2009 en in een --niet overgelegde brief-- van begin juli 2009.

Vaststaat ook dat [eisende partij] zich op 14 april 2009 ziek heeft gemeld en pas op 8 juli 2009 op arbeidstherapeutische basis weer aan het werk is gegaan, welke situatie tot op heden voort-duurt. Vervolgens heeft [eisende partij] bij brief van 4 augustus 2009 om een datum voor het kort geding gevraagd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden kan niet met succes worden betoogd dat [eisende partij] te lang heeft stilgezeten en dus geen spoedeisend belang meer heeft. Het is niet onbegrij-pelijk dat [eisende partij] vanwege haar ziekte en het verloop van haar genezing enige tijd heeft gewacht met het aanhangig maken van onderhavige procedure.

5.

Het oorspronkelijke arbeidscontract vermeldt als plaats van tewerkstelling de vestiging van [gedaagde partij] te [plaats B]. De plaats van tewerkstelling maakt aldus onderdeel uit van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Gesteld noch gebleken is dat partijen nadien een andere plaats van tewerkstelling en/of een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW zijn over-eengekomen.

6.

De tweede vraag is of [eisende partij] met de wijziging van haar arbeidsvoorwaarden waar het de plaats van tewerkstelling betreft, akkoord behoort te gaan. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of sprake is van een wijziging van de omstandigheden op het werk, of [ge-daagde partij] daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van het voorstel tot overplaatsing, of dit voorstel redelijk is en van [eisende partij] in redelijkheid de aanvaarding van dit voorstel kan worden gevergd. Alle omstandigheden van het geval moeten hierbij in aanmerking worden genomen, zoals de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel alsmede --naast het belang van [gedaagde partij] en de door haar gedreven onderneming-- de positie van [eisende partij] en haar belang bij het ongewijzigd blijven van haar plaats van te-werkstelling. Zie voor dit alles: HR 11 juli 2008, LJN BD1847.

7.

De hierboven geciteerde inhoud van de brieven van 16 maart 2009 en 30 maart 2009 kan be-zwaarlijk als een voorstel, een uitnodiging van [gedaagde partij] aan [eisende partij] om in over-leg te treden, worden beschouwd. In beide brieven is [eisende partij] meegedeeld dat zij in de vestiging te [plaats C] respectievelijk [plaats A] te werk wordt gesteld.

In de jurisprudentie inzake wijziging van arbeidsvoorwaarden wordt uitgegaan van overleg tussen partijen, beginnend met een voorstel van de werkgever aan de werknemer. Het enkele feit dat de brieven aan [eisende partij] geen voorstel bevatten maar een mededeling, leidt niet tot de gevolgtrekking dat [eisende partij] niet gehouden is in [plaats A] aan het werk te gaan. Hoe-wel het met het oog op het behoud van een goede arbeidsverhouding raadzaam is zo mogelijk in overleg tot een oplossing te komen, kan het beroep van [eisende partij] op het ontbreken van het door haar min of meer als een ‘vormvereiste’ getypeerde overleg niet tot het door haar gewenste resultaat leiden; het gaat om de inhoudelijke kant van de zaak.

8.

[gedaagde partij] heeft ter zitting gesteld dat aan het besluit tot overplaatsing bedrijfseconomi-sche omstandigheden ten grondslag liggen. Door de teruggelopen omzet (-20%) en de tegenval-lende bedrijfsresultaten (een verlies van 7 miljoen) zijn inmiddels 300 van de in totaal 1700 werknemers afgevloeid; een landelijke personeelsreductie van 17,6%.

[eisende partij] heeft een en ander gemotiveerd weersproken. [eisende partij] heeft een email overgelegd, gedateerd 1 april 2009 en afkomstig van [L], leidinggevende bij [gedaagde partij], waarin staat dat de vestiging [plaats B] het budget (de omzet) voor maart 2009 heeft behaald. Ook volgt uit dit emailbericht dat de totale omzet tot en met bedoelde maand ‘slechts’ € 104.836 bij een gebudgetteerde omzet van € 1.527.682 is achtergebleven.

De kantonrechter wil aannemen dat de bedrijfsresultaten van [gedaagde partij] vanwege de eco-nomische crisis en de aard van haar onderneming (groothandel in bouwmaterialen) onder druk staan, maar is er niet van overtuigd geraakt dat [gedaagde partij] in die tegenvallende bedrijfsre-sultaten in redelijkheid aanleiding heeft kunnen vinden [eisende partij] naar (uiteindelijk) [plaats A] over te plaatsen. De resultaten van de vestiging [plaats B], gerekend tot en met de maand maart 2009, laten geen zodanig sterke afname zien dat het aannemelijk is dat de arbeidsinzet van [eisende partij] aldaar in de loop van het eerste kwartaal 2009 min of meer overbodig is geworden. Dit wordt versterkt door een emailbericht van dezelfde [L] d.d. 30 januari 2009, dus daags na de eerste ziekmelding van [eisende partij], waarin staat ‘dat we z.s.m. een vervan-ger/vervangster moeten hebben’. Dit emailbericht is vanwege de ‘afwezigheid van [eisende partij]’ aan haar collega’s van de vestiging te [plaats B] verzonden. Ook daaruit doemt niet het beeld op van een arbeidskracht die vanwege een teruglopende omzet weinig meer te doen heeft.

[gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden desgewenst stukken over te leggen waaruit de negatieve omzetontwikkeling van de vestiging [plaats B] blijkt, maar zij heeft die stukken vervolgens niet overgelegd, zodat de kantonrechter daarop geen acht kan slaan.

Verder is van belang dat in de brieven van [gedaagde partij] van 16 maart 2009 en van 30 maart 2009 nog een heel andere reden voor de overplaatsing is aangevoerd, te weten ‘de onlangs ge-voerde discussie’ met [eisende partij] waardoor het voor haar en ‘het team [X] [plaats B] wen-selijk is dat er een nieuwe start gaat plaatsvinden’. Gedoeld wordt blijkbaar op de discussie met [eisende partij] en haar gemachtigde over de hoogte van het salaris van [eisende partij]. Niet valt in te zien dat deze discussie tot overplaatsing van [eisende partij] mag leiden, zelfs al zou [ei-sende partij] ongelijk hebben.

De stelling van [gedaagde partij] dat de houding van [eisende partij] in negatieve zin is omge-slagen nadat haar dienstverband vanaf 1 oktober 2008 voor onbepaalde tijd geldt, is bestreden en niet onderbouwd met bijvoorbeeld een verslag van een gesprek of een brief waarin het mati-ge functioneren van [eisende partij] vanaf 1 oktober 2008 aan de orde is gesteld. Ook deze stel-ling wordt daarom gepasseerd.

9.

De wijziging van de plaats van tewerkstelling stuit ook op het volgende af. De kantonrechter is van oordeel dat van [eisende partij] in redelijkheid niet kan worden verlangd maandelijks (het onweersproken gebleven bedrag van) € 161,90 aan reiskosten woon-werkverkeer ([plaats B]-[plaats A] v.v.) uit te geven bij een netto salaris van ongeveer € 1.800,00 per maand en een netto reiskostenvergoeding van € 88,00. Het zou redelijk zijn geweest indien [gedaagde partij], ver-onderstellenderwijze uitgaande van een geldige bedrijfseconomische reden tot overplaatsing, had aangeboden in elk geval gedurende een zekere tijd de door de overplaatsing veroorzaakte reiskosten 100% te vergoeden.

10.

De slotsom is dat de overplaatsing van [eisende partij] naar [plaats A] een eenzijdige, ongeoor-loofde wijziging van haar arbeidsvoorwaarden is, waaraan [eisende partij] niet is gebonden.

De vordering tot tewerkstelling is daarmee toewijsbaar en wel met ingang van de achtste werk-dag na de dag van de betekening van dit vonnis, zodat [gedaagde partij] enige tijd wordt gegund maatregelen te nemen gericht op de terugkeer van [eisende partij] naar [plaats B].

De gevorderde dwangsom zal op een bedrag van € 250,00 per dag worden gesteld tot een maxi-mum van € 25.000,00.

11.

De vordering tot betaling van € 1.000,00 buitengerechtelijke kosten is geheel onweersproken gebleven, zodat ook die vordering kan worden toegewezen (HR 15 juni 2007, LJN BA1522).

De vordering tot betaling van eventuele nakosten zal worden afgewezen, omdat de wet daarvoor een aparte regeling kent (artikel 237 lid 4 Rv.)

Als overwegend verliezende partij dient [gedaagde partij] in de proceskosten te worden veroor-deeld.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

veroordeelt [gedaagde partij] de overplaatsing van [eisende partij] naar [plaats A] uiterlijk met ingang van de achtste werkdag na de dag van de betekening van dit vonnis ongedaan te maken en haar in [plaats B] te werk te stellen en haar aldaar onbeperkt en ongehinderd haar volledige werkzaamheden te laten verrichten voor de overeengekomen arbeidstijd van veer-tig uren per week, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dan wel per gedeelte van een dag gedurende welke [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

2.

veroordeelt [gedaagde partij] tegen bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.000,00 wegens buitengerechtelijk kosten;

3.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [ei-sende partij] begroot op:

€ 400,00 voor salaris gemachtigde

€ 85,98 voor explootkosten

€ 110,00 voor vastrecht;

4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 7 september 2009.