Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ9081

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
141861 - HA ZA 08-190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Toepassing omkeringsregel, nu gedaagde brandveiligheidsregels heeft geschonden bij dakdekwerkzaamheden.

- Causaal verband tussen die werkzaamheden en brand aangenomen zonder (tegen) bewijslevering, nu niet is voldaan aan stelplicht (r.o. 4.7) .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 141861 / HA ZA 08-190

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING DELTION COLLEGE,

gevestigd te Zwolle,

2. de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

3. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de naamloze vennootschap

SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

6. de naamloze vennootschap

GENERALI SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V,

gevestigd te Amsterdam,

7. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. de vennootschap naar Belgisch recht de naamloze vennootschap

NATEUS N.V.,

gevestigd te Antwerpen,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge,

eiseressen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] INSTALLATIETECHNIEK B.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. M.G.I.W. Teunis.

Partijen zullen hierna Deltion c.s. en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres sub 1 is een regionaal opleidingscentrum met als hoofdlocatie Zwolle. Een van de schoolgebouwen is gevestigd aan de Nijverheidsstraat 1 te Zwolle. Het schoolgebouw is vrijstaand en opgetrokken uit beton/steen met platte daken, welke zijn afgewerkt met een bitumineuze dakbedekking. Op deze locatie wordt onderwijs gegeven aan circa 800 leerlingen. Op voornoemde locatie beschikt het Deltion College over circa 30 lokalen en 20 administratieve en andere ruimten.

2.2. In de vestiging van het Deltion Collega aan de Nijverheidsstraat zijn de nodige (goed)gekeurde blusmiddelen (zowel brandhaspels als poederblussers) aanwezig. Het pand is per etage gecompartimenteerd middels branddeuren.

2.3. Vanaf 17 juni 2005 zijn dakdekkers van [C] doende geweest met het aanbrengen van een extra laag bitumineuze dakbedekking ter plaatse van de dakranden van het gebouw en ter plaatse van de overgang van het lage platte dak en de opgaande gevel van de eerste verdieping. Het aanbrengen van de nieuwe dakbedekking is uitgevoerd middels de zogenaamde brandmethode, waarbij gebruik gemaakt is van open vuur.

2.4. Nadat de overige dakranden inmiddels waren voorzien van een nieuwe laag dakbedekking zijn de dakdekkers de heren [A] en [B] op donderdag 23 juni 2005 vanwege de extreme warmte om 06.00 uur gestart met het aanbrengen (branden) van een extra dakbaan ter plaatse van de overgang van het lage dak en de opgaande gevel. Het aanbrengen van deze nieuwe strook dakbedekking was omstreeks 06.30 uur gereed, waarna de dakdekkers zijn gestart met het aanbrengen van enkele afwerkstroken.

2.5. Tussen circa 06.30 uur en 06.45 uur constateerden de dakdekkers dat er rook vrijkwam uit een op het dak aanwezige afzuiging. Vervolgens bleek ook dat er rook vrijkwam ter plaatse van de dakopstand tussen het lage dak en de opgaande gevel. De dakdekkers hebben vervolgens een deel van de dakopstand verwijderd, waarbij zij vlammen aantroffen in de onderliggende dakconstructie. Een van de dakdekkers heeft getracht de beginnende brand met een brandblusser te blussen, terwijl de andere dakdekker de brandweer heeft gewaarschuwd. Vervolgens heeft de brandweer de brand geblust.

2.6. Door de brand is onder andere schade ontstaan aan stalen dakplaten, isolatie en dakbedekking, ruiten, gevelpanelen, kozijnen en dakopstanden. Vervolgens is door de rook- en roetvervuiling, alsmede ten gevolge van de uitgevoerde bluswerkzaamheden gevolgschade opgetreden aan onder andere wanden, systeemplafonds en plafonds bestaande uit houten regels met hierboven firetdoek. Daarnaast is er schade ontstaan aan de in de opstal aanwezige inventaris. Ook zijn er kosten gemaakt voor het reinigen van de complete opstal.

2.7. Eiseressen sub 2 tot en met 8 zijn de brandverzekeraars van het Deltion College. De verzekeraars hebben aan het Deltion College als gevolg van voornoemde brand uitkeringen gedaan. Daarnaast was er op de door het Deltion College afgesloten brandverzekering sprake van een eigen risico.

2.8. In een in opdracht van de verzekeraars door Lengkeek, Laarman & De Hosson opgesteld expertiserapport d.d. 16 november 2005 is als oorzaak van de brand opgenomen:

“(…)

Gelet op het tijdstip van het ontstaan van de brand, het aangetroffen brandbeeld en de kort daarvoor uitgevoerde dakbedekkingswerkzaamheden concluderen wij dat de brand zeker is ontstaan ten gevolge van de uitgevoerde dakbedekkingswerkzaamheden. Naar verwachting is er tijdens het werken met open vuur zoveel hitte vrijgekomen dat er daardoor brand ontstond aan de binnenzijde van de dakconstructie.”

2.9. Bij voornoemd expertiserapport is als bijlage een verklaring van [C] en de dakdekkers opgenomen welke luidt als volgt:

VERKLARING

“In het kader van het onderzoek naar de oorzaak van de brand d.d. 23 juni 2005 van het Deltion College aan de Nijverheidstraat 1 te Zwolle verklaren:

De heer [C], directeur/eigenaar van [C] Installatietechniek B.V., [adres]

En

[A]

Geboren op 25 februari 1972 te Zwolle

Wonende Kloosterwg 29, 8326 CB te Sint Jansklooster

En

[B]

Geboren op 11 mei 1985 te Zwolle

Wonende Wetermansweg 6 te Diepenveen

Het navolgende:

Ik, [C], ben vanaf 1983 bij het bedrijf [C] Installatietechniek B.V. (verder te noemen [C] ) betrokken. Het bedrijf [C] bestaat al sinds 1989 en het bedrijf doet zolang ik mij kan herinneren al loodgieters- en dakbedekkingswerkzaamheden. Wij doen dakbedekkingswerkzaamheden van groot tot klein en van nieuwbouw tot renovatie. [A] en [B] zijn momenteel de enige dakdekkers die in vaste dienst zijn bij [C].

[C] is één van de vaste bedrijven die werken voor het Deltion College en onze relatie bestaat al zeker 15 á 20 jaar. [C] doet daarbij ondermeer het dakonderhoud op deze locatie aan de Nijverheidstraat, waar het in dit specifieke geval gaat om bouwdeel A. Ter plaatse van dit bouwdeel is al circa 4 á 5 jaar sprake van lekkageproblemen. In verband met het herstel van die lekkages heeft [C] in een eerder stadium al een offerte gemaakt voor het overplakken van het gehele dak ter plaatse van de kantine/overblijfruimte. Dit vanwege het feit dat de dakbedekking naar mijn inschatting van 20 á 30 jaar oud is. Vanwege budgetproblemen en het feit dat het handelt om een tijdelijke situatie in verband met nieuwbouwplannen is uiteindelijk in overleg met het Deltion College besloten om enkel de dakranden en de overgang tussen het lage platte dak en de opgaande gevel te voorzien van een extra laag dakbedekking. Deze werkzaamheden zijn door het Deltion College op regiebasis aan [C] opgedragen.

Ik, [A], ben vanaf oktober 1991 dakdekker/loodgieter bij [C] te Zwolle. De eerste periode van een uitzendbureau en vanaf 20 januari 1992 in vaste dienst. Mijn vooropleiding is lagere tuinbouwschool en middelbare bosbouwschool. De dakbedekkingswerkzaamheden heb ik via een interne opleiding bij [C] geleerd en ik heb geen externe opleiding genoten.

Vanaf het begin bestaan mijn werkzaamheden bij [C] voornamelijk uit dakbedekkingswerkzaamheden, echter in enkele gevallen doe ik ook overige loodgieterwerkzaamheden.

Ik, [B], ben na mijn lagere schoolperiode aan het werk gegaan. Vanaf omstreeks april 2002 ben ik werkzaam bij [C] als leerling dakdekker. Ik vorm een vast koppel met [A], waarbij [A] de leiding heeft op het dak en ik ten behoeve van het dakdekken allerhande hand- en spandiensten uitvoer. Het branden gebeurt nagenoeg altijd door [A], zeker ter plaatse van kritische aansluitingen. Ik heb op de dag van de brand bij het Deltion College niet gebrand.

Wij, [A] en [B], zijn op vrijdag 17 juni 2005 gestart met het dakwerk ter plaatse van bouwdeel A. Allereerst hebben wij de overige dakranden voorzien van een extra laag dakbedekking. Op donderdagmorgen 23 juni 2005 zijn wij, vanwege de extreme warmte al om 06.00 uur gestart met het dakwerk ter plaatse van de overgang tussen het lage platte dak en de opstaande gevel. Op dat moment waren er nog geen andere personen in en rondom de school aanwezig. Dat was ook niet nodig omdat wij niet in het gebouw hoefden te zijn en wij ons werk vanaf het dak konden uitvoeren.

Als eerste hebben wij het dak aangeveegd, waarna wij het bestaande lood ter plaatse van de onderdorpels van de houten kozijnen omhoog hebben getrokken en de ruimte daaronder zo goed mogelijk hebben schoongemaakt. Ook hebben wij de aanwezige blazen (luchtbellen) in de bestaande dakbedekking kapotgesneden. Wij kenden de opbouw van het overgangsdetail naar het opgaande werk niet en het detail was ook niet zichtbaar. Wij hebben op dat moment daar ook geen nader onderzoek naar gedaan. Ook in een eerder stadium is door [C] geen onderzoek gedaan naar voornoemde detaillering. Ik, [A], weet dat het branden van dakbedekking met open vuur een brandgevaarlijk werk is, zeker ter plaatse van loodaansluitingen met opgaand werk.

Vervolgens hebben wij over de gehele breedte van het gebouw, circa 15 á 16 meter, een nieuwe strook APP dakbedekking over de bestaande dakbedekking geplakt, dwars voor de opgaande gevel. Deze strook bestaat uit 2 afzonderlijke delen. Ik, [A], heb mij tijdens het branden met name geconcentreerd op de aansluiting van de nieuwe dakbedekking op het bestaande dak, waarbij ik de dakbedekking aan de dakzijde heb laten vloeien omdat daar een waterdichte aansluiting moest worden gecreëerd. Aan de dakzijde brand je daarom iets langer dan aan de kant van het gebouw bij de gevel. Aan de gebouwzijde heb ik de dakbedekking niet laten vloeien omdat daar nog de randstroken aangebracht moesten worden. Door aan die kant wan minder te vloeien, bleef een paar centimeter van de dakbedekking los liggen. Wel moest, tot die paar centimeter ook daar de dakbedekking vast gebrand worden. De vlam kwam daardoor wel in de buurt van de gevel. De vlamgrootte bepaal je met gevoel. Dat gebeurde hier ook. Omstreeks 06.30 uur waren wij met voornoemde dakstrook gereed, waarna ik, [A], nog twee afwerkstroken heb aangebracht ter plaatse van de dakrand. Daarna zou ik gaan starten met de randstroken van de opgaande gevel. [B] was inmiddels gestart met het op maat snijden van die randstroken.

Tussen 06.30 en 06.45 uur zagen wij rook uit de op het dak aanwezige afzuigunit komen en ook zagen wij rook bij de mastiekschroot ter plaatse van de opgaande gevel. Wij hebben direct een gedeelte van de dakbedekking bij de mastiekstrook losgesneden waarbij ik , [A], vlammen zag in de bestaande dakconstructie.

Ik, [A], heb direct de brandblusser gepakt en ben begonnen met blussen. Daarbij heb ik de brandblusser geheel leeggespoten. [B] heeft direct de brandweer gebeld die binnen enkele minuten op de locatie aankwam. In die tussentijd hebben wij de gasfles en de lege brandblusser van het dak gehaald en de ladder verplaatst zodat de brandweer eenvoudiger het dak kon bereiken. De brandweer heeft met behulp van onze brandblusser de toegangsdeur van het gebouw geforceerd. Daarna had de brandweer de brand vrij snel onder controle en geblust. Wij hebben op aanwijzingen van de brandweer op meerdere plaatsen de dakbedekking opengesneden zodat zij konden zien tot hoever de brand was verspreid. De brandweer is tussen circa 08.00 en 08.30 uur weer vertrokken.

Via de desbetreffende brandweerman heb ik vernomen dat de brandwerende tussendeuren open stonden.

Nadat de brand geblust was, zagen wij voor het eerst de opbouw van de bestaande constructie. Het bleek te gaan om PS dakisolatie en ook bleek dat er een dubbele mastiekstrook aanwezig was. Tevens hebben wij op een enkele plaats een dubbele loodstrook aangetroffen. Er bleek sprake te zijn van een PU mastiekschroot en een strook steenwol. Op de plaats van het ontstaan van de brand bleek de PU mastiekschroot zelfs nog te zijn samengesteld uit losse PU strookjes. Onze vlam van de brander is tijdens het aanbrengen van de strook dakbedekking wel aan die kant van het detail geweest. Wij denken dat er in het verleden al een eerder een reparatie is uitgevoerd waarbij er nieuwe randstroken zijn aangebracht.

Wij beschikten over 1 brandblusser met een inhoud van 6 liter. Daarnaast hadden wij geen andere voorzieningen. De brandblusser stond opgesteld op het dak in de nabijheid van de ladder. De afstand van de brandblusser ten opzichte van de brandhaard bedroeg circa 20 meter. Het betreft heer een zogenaamde A-B blusser van hert fabricaat Velco, voorzien van een AFFF-schuim. De brandblusser is geleverd november 2001 en moet uiterlijk vervangen worden in oktober 2006. In oktober 2004 is de brandblusser gekeurd en de brandblusser moet voor oktober opnieuw gekeurd worden.

Naar waarheid opgemaakt en ondertekend.”

2.10. In de brochure “Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken” uit 1997 van de Stichting Bouwresearch luidt de tekst van hoofdstuk 5.1 met als kopje “Algemeen” als volgt:

“Brandrisico’s tijdens de uitvoering van dakbedekkingswerkzaamheden kunnen worden voorkomen/beperkt door een juiste detaillering met eventueel aanvullende maatregelen bij gebruik van open vuursystemen.

Het uitgangspunt voor nieuwbouwwerken is dat alle details brandveilig met alle dakbedekkingssystemen, met alle gangbare verwerkingsmethoden, kunnen worden gemaakt.

Voor renovatiewerk moet de bestaande constructie worden beoordeeld op brandgevaarlijkheid. Indien er sprake is van brandbare materialen op plaatsen die in contact kunnen komen met open vuur dan dienen aanvullende maatregelen te worden genomen. Dit dient in het V&G dossier te worden vermeld.

Dakbedekkingsystemen die zonder het gebruik van open vuur worden uitgevoerd, zoals aangegeven in hoofdstuk 4.5.1 en 4.5.2 van deze studie gelden in dit kader als brandveilig uitvoerbaar.

Thermisch lassen levert alleen brandgevaar op als er contact mogelijk is met licht ontvlambare stoffen als papier, stro, vogelnestjes e.d.”

Hoofdstuk 5.2. met als kopje “Basisdetails” luidt – voor zover van belang- als volgt:

“Van de belangrijkste details worden de risico’s geanalyseerd en aanvullende maatregelen gegeven in het geval het dakbedekkingssystem met open vuur wordt aangebracht.

Afwijking van deze details en maatregelen geeft risico’s en kan consequenties hebben voor de uitvoering.

(…)”

2.11. Het door de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van [C] ingeschakelde expertisebureau Gab Robins heeft op 18 juli 2005 een rapport opgesteld in welk rapport voor zover van belang is opgenomen:

“(…)

Wij willen hierbij wel opmerken dat door de dakdekker van [C] de opstandstrook nog niet was aangebracht en dat alleen het dakbedekkingssysteem, zoals vermeld onder g werd aangebracht.

(…)

Tijdens onze inspectie ter plaatse hebben wij ook waargenomen dat, bekeken vanuit de kantine, de branddeuren naar de overige ruimten van het gebouw open stonden. In het hele gebouw hebben wij in alle ruimten sporen van rook en roet waargenomen.

(…)

Oorzaak

De brand ter plaatse van gebouw A van het Deltion College aan de Nijverheidsstraat 1 te Zwolle is hoogstwaarschijnlijk ontstaan tijdens het uitvoeren van dakbedekkingswerkzaamheden, uitgevoerd door [C]. Door de dakdekkers werd langs de gevel, langs het opgaande werk, één baan dakbedekking aangebracht. Hierbij was het lood reeds omhoog gebogen. De randstrook was nog niet aangebracht.

Voorafgaand aan de werkzaamheden hebben de dakdekkers geen onderzoek uitgevoerd naar detail en waren niet op de hoogte van het aanwezige isolatiemateriaal. In de brochure “Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken” staat aangegeven dat voorafgaand aan de dakbedekkingswerkzaamheden onderzoek moet worden uitgevoerd naar de details en indien blijkt dat het detail aan de onderzijde open is (zoals in dit geval) of bij brandbare materialen, mag er niet gewerkt worden met open vuur bij het aanbrengen van de randstrook.

Omtrent de exacte toedracht kunnen wij opdrachtgevers nader informeren nadat wij aanvullende informatie van betrokken partijen hebben ontvangen.

(…)”

2.12. De branchevereniging voor bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven, Vebidak (waarbij [C] niet is aangesloten) vaardigt richtlijnen uit voor het uitvoeren van dakbedekkingswerkzaamheden. Op grond van deze vakrichtlijnen dienen bij dakbedekkingwerkzaamheden de navolgende brandveiligheidsaspecten in acht te worden genomen (p. 14, vakrichtlijn deel C):

“Bij onderconstructie van details waar sprake is van spleten en kieren en bij opgaand gevelwerk met brandbare bouwmaterialen, niet met open vuur werken. Op deze plaatsen werken met koud gekleefde dakbedekkingsmaterialen of zelfklevende bitumen dakrollen.”

2.13. Blijkens de als productie 10 bij dupliek opgenomen verklaring heeft [D], wonende te Zwolle op 14 april 2009 het volgende verklaard:

“Ik was bevelvoerder van dienst bij de Zwolse brandweer op die bewuste 23 ste juni 2005. Ik kan mij de brand bij het Deltioncollege aan de Nijverheidstraat 1 nog goed herinneren omdat ik een stagiaire bij me had die op dat moment onder mijn supervisie de inzet deed. Daarmee bedoel ik dat stagiaire onder mijn leiding het feitelijk bevel voerde.

(…)

De volgende stap is geweest dat ik samen met diegene die de buitendeur met sleutels had geopend, door het hele pand ben gelopen. De rook trok snel weg omdat alle deuren (ook de branddeuren) in het pand open stonden. De zelfsluitende deuren stonden open met een houten keg (wig) eronder. De lokaaldeuren stonden gewoon open. Ik heb degene van de school die mij heeft begeleid gezegd: Doordat alle deuren los staan met keggies eronder heeft u nu zoveel schade, want rook en roet is nu door de hele school heen getrokken. De man heeft dat beaamd. Hij zei dat hebben wij gedaan omdat het zo warm is en om de school te laten doortochten.

(…)”

2.14. De Bedrijfsregeling Brandregres 2000 bepaalt in artikel 2:

“Brandverzekeraars zullen hun verhaalsrecht jegens niet-particulieren niet verder uitoefenen dan tot een bedrag van f 1.000.000,- per schadegebeurtenis ( 500.000 euro per schadegebeurtenis ontstaan na 31 december 2001) of zoveel hoger als door de overheid aan verzekeringsdekking voor aansprakelijkheid bij of krachtens de wet verplicht terzake wordt voorgeschreven.”

In artikel 2.2. is het volgende bepaald:

“Het recht van verhaal jegens niet-particulieren zal alleen worden uitgeoefend indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.”

In de toelichting bij artikel 2 van deze regeling wordt terzake onder meer aangegeven:

“(…) Bepalend is dus of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. De aard van de aansprakelijkheid zelf (risico- of schuldaansprakelijkheid ) is niet bepalend. (…)”

3. Het geschil

3.1. Deltion c.s. vordert samengevat - veroordeling van [C] tot betaling aan eiseressen sub 2 tot en met 8 van EUR 344.235,71 (hoofdsom) en een bedrag van

EUR 4.000,- wegens gemaakte en te maken buitengerechtelijke kosten, en aan eiseres sub 1 een bedrag van EUR 7.500,- , alles vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [C] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Deltion c.s. stelt - kort en zakelijk weergegeven - dat [C] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. [C] heeft ook (brand)veiligheidsregels geschonden. De schending van (brand)veiligheidsregels heeft betrekking op regels die naar hun aard strekken tot bescherming tegen het gevaar van ongelukken zoals zich dat in deze heeft voorgedaan. Nu het bewuste gevaar (brand) zich heeft verwezenlijk, is [C] aansprakelijk, althans, dient [C] te bewijzen dat het voorval zich ook zou hebben voorgedaan indien de veiligheidsregels wel waren nagekomen. [C] is aldus op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de door de brand ontstane schade. [C] is bovendien op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de fouten van de bij [C] werkzame en aan haar ondergeschikte werknemers.

4.2. [C] stelt - kort en zakelijk weergegeven - dat feitelijk niet is komen vast te staan dat de brand is ontstaan door de werkzaamheden van [C]. Er kan slechts gesproken worden van een aanname. Dit wordt ook met zoveel woorden gesteld in het rapport van Gab Robins. Zo deze aanname al juist is – hetgeen door [C] door gebrek aan wetenschap wordt betwist – is dit in de onderhavige procedure niet voldoende om aansprakelijkheid van [C] voor de schade aan te nemen. Immers ingevolge artikel 2.2. Bedrijfsregeling Brandregres 2000 is verhaal slechts mogelijk indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten van [C]. Dat daarvan sprake is wordt door [C] betwist.

[C] heeft wel degelijk onderkend dat werken met open vuur bij dakdekkerswerkzaamheden risico’s met zich kan brengen. Het werk van [C] dient niet aan de door de Vebidak uitgevaardigde richtlijn ( zie 2.12) te worden getoetst. [C] is immers geen lid van de brancheorganisatie en is voorts geen gecertificeerd dakdekkersbedrijf. De richtlijn is ook niet overeengekomen tussen het Deltion College en [C].

Gab Robins heeft vastgesteld dat [C] nog bezig was met het aanbrengen van een strook op plaats G, waar volgens de brochure “Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken” (zie 2.10) is toegestaan om open vuur te gebruiken. Immers op die plaats is sprake van een gesloten bitumenlaag met geen bijzonder risico op brandgevaar.

[C] heeft geen enkele norm geschonden die ertoe strekt de brand te voorkomen.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het uitvoeren van dakdekkerwerkzaamheden middels de zogenaamde brandmethode, waarbij gebruik gemaakt wordt van open vuur, risico’s voor het ontstaan van brand meebrengt. Om die reden rust op [C] een bijzonder zorgplicht ter voorkoming van brand. [C] dient zodanige controle- en voorzorgsmaatregelen te nemen als van een redelijk en zorgvuldig handelend dakdekker mag worden verwacht. Deze controle en voorzorgsmaatregelen zijn – zoals door [C] zelf ook aangehaald - ondermeer neergelegd in de brochure “Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken”, maar ook in de door Vebidak uitgevaardigde richtlijn. Zowel de brochure als de richtlijn maakt duidelijk dat op bepaalde plaatsen (details) geen gebruik moet worden gemaakt van de brandmethode. Voorts blijkt uit de brochure dat van de belangrijke details de risico’s dienen te worden geanalyseerd.

Omdat het hierbij gaat om voorzorgsmaatregelen teneinde risico’s op het ontstaan van brand te voorkomen beschouwt de rechtbank deze – anders dan [C] ten aanzien van de Vebidak richtlijnen stelt – niet als vrijblijvend doch als brandveiligheidsregels waaraan een redelijk en zorgvuldig handelend dakdekker zich dient te houden.

Een ander voorschrift is dat op elke werkplek ten minste twee poederblussers met een inhoud van 12 kg en twee blusdekens binnen handbereik dienen te zijn (productie 9 bij repliek).

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [C] vóór het ontstaan van de brand niet zodanige controle- en voorzorgsmaatregelen genomen als van een redelijk en zorgvuldig handelend dakdekker mag worden verwacht. Vaststaat dat er werkzaamheden werden uitgevoerd aan een bestaand gebouw met een dak van 20 á 30 jaar oud (blijkens de verklaring van [C]). Voorts blijkt uit de verklaring van dakdekkers Van Boeyen en De Jong dat zij, daar waar zij hun werkzaamheden hebben verricht, de opbouw van het overgangsdetail naar het opgaande werk niet kenden en het detail ook niet zichtbaar was. Ze hebben daar op dat moment geen nader onderzoek naar gedaan. Ook in een eerder stadium is door [C] geen onderzoek gedaan naar deze detaillering. Eerst nadat de brand geblust was, zagen de dakdekkers voor het eerst de opbouw van de bestaande constructie. Het bleek te gaan om PS dakisolatie en ook bleek dat er een dubbele mastiekstrook aanwezig was. Tevens hebben de dakdekkers op een enkele plaats een dubbele loodstrook aangetroffen. Er bleek sprake te zijn van een PU mastiekstrook en een strook steenwol. Op de plaats van het ontstaan van de brand bleek de PU mastiekstrook zelfs nog te zijn samengesteld uit losse PU strookjes. Uit hun verklaring blijkt voorts dat de vlam in de buurt van de gevel (het opgaande werk) en aan die kant van het detail is geweest. Hieruit blijkt dat de brand is ontstaan in de nabijheid van het overgangsdetail naar opgaand werk, welk overgangsdetail de dakdekkers niet kenden, terwijl in de buurt daarvan wel de vlam is geweest. Hierdoor is zijdens [C] gehandeld in strijd met het gestelde in meergenoemde brochure, zoals ook door Gab Robins is geconcludeerd (zie 2.10).

Voorts staat vast dat op de werkplek niet tenminste twee poederblussers met een inhoud van 12 kg en twee blusdekens binnen handbereik waren. Op de werkplek en binnen handbereik, betekent naar het oordeel van de rechtbank dat deze blusmaterialen op het dak aanwezig dienden te zijn. Vaststaat dat er slecht één poederblusser van 6 kg op het dak aanwezig was en geen blusdekens. Of er nog een andere blusser aanwezig was in de auto van [C], zoals [C] heeft gesteld en Deltion c.s. gemotiveerd heeft betwist, is derhalve niet relevant en het antwoord op die vraag kan dus in het midden blijven.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat [C] bij het uitvoeren van de dakdekkerwerkzaamheden op donderdag 23 juni 2005 onzorgvuldig, dus onrechtmatig heeft gehandeld. [C] heeft brandveiligheidsregels geschonden die naar hun aard strekken tot bescherming van gevaar tegen brand.

4.6. Volgens vaste jurisprudentie is het op grond van de zogenaamde “omkeringsregel” zo dat indien een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging de schending van een norm betreft die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval dit specifiek gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt, dan wordt daarmee het causale verband (in de zin van het condicio-sine-qua-non-verband) tussen de onrechtmatige daad en de schade aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder de gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan; vgl onder meer HR 29 november 2002, NJ 2004, 304.

4.7. [C] stelt weliswaar dat niet is komen vast te staan dat de brand is ontstaan door haar werkzaamheden. Zij heeft echter niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat de brand is ontstaan als gevolg van een andere oorzaak.

De rechtbank gaat derhalve aan deze stelling voorbij.

4.8. Het resultaat van dit alles is dat het causale verband als vaststaand heeft te gelden en dat [C] aansprakelijk is voor de door de brand veroorzaakte schade. Nu voorts sprake is van de schending van een zorgvuldigheidsnorm, is hierdoor gegeven dat de verzekeraars op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres de schade op [C] mogen verhalen.

4.9. Partijen hebben een debat gevoerd over de toepasselijkheid van de door [C] gehanteerde levering- en betalingsvoorwaarden. Het antwoord op de vraag of deze al dan niet toepasselijk, dan wel vernietigbaar zijn, was van belang in verband met het feit dat in deze voorwaarden de aansprakelijkheid van [C] wordt beperkt tot het totaal van de bedragen van het eigen risico van de verzekering van [C] en de door de verzekering gedane uitkering, en de verzekeraar van [C] (aanvankelijk) uitkering weigerde. Bij dupliek stelt [C] echter dat de discussie over dit punt aan relevantie heeft ingeboet nu de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar alsnog dekking heeft toegezegd voor zover de schade het bedrag van het eigen risico ten bedrage van EUR 25.000,- overstijgt. Het komt de rechtbank voor dat [C] hierom geen belang meer heeft bij dit verweer, doch [C] is niet duidelijk op dit punt. De rechtbank zal [C] derhalve in de gelegenheid stellen een akte te nemen teneinde haar in de gelegenheid te stellen aan te geven of zij haar verweer op dit punt al dan niet handhaaft en waarom (niet).

4.10. [C] doet een beroep op de eigen schuld van Deltion op grond van het feit dat het Deltion College haar toezichthoudende taak heeft verzaakt en omdat een aanzienlijk deel van de schade bestaat uit schoonmaakkosten en uit schade aan inventaris die is te wijten aan het niet gesloten zijn van de branddeuren. De branddeuren dienen er immers onder meer toe om dergelijke schade te voorkomen en zoveel mogelijk te beperken.

4.11. Voor wat betreft de stelling dat het Deltion College haar toezichthoudende taak heeft verzaakt verwijst [C] weliswaar naar Infoblad 58 van de Stichting Bouwresearch, doch zij stelt en onderbouwt niet wat het Deltion College had moeten doen met betrekking tot haar toezichthoudende taak. [C] heeft evenmin gesteld dat daarmee de brandschade zou zijn uitgebleven of beperkt. Dit klemt temeer nu het Deltion College - door [C] onweersproken - heeft gesteld dat [C] al vele jaren voor het Deltion College werkte, waarbij ook dakdekkerwerkzaamheden werden verricht. Mede gelet op de ruime ervaring van [C] als dakdekkerbedrijf mocht het Deltion College erop vertrouwen dat [C] wist wat zij deed. Het Deltion College mocht er derhalve ook op vertrouwen dat [C] de nodige veiligheidsmaatregelen in acht zou nemen. Het Deltion College bezit overigens als school ook niet de benodigde kennis om een deugdelijke controle uit te kunnen oefenen. Een specifieke controletaak was er dan ook niet voor het Deltion College. Dat was en is ook niet gebruikelijk en was bij het onderhavige werk niet overeengekomen.

Op dit punt passeert de rechtbank derhalve het beroep van [C] op de eigen schuld van Deltion College.

4.12. Dit ligt anders voor de stelling van [C] dat een aanzienlijk deel van de schade is ontstaan als gevolg van het niet gesloten zijn van de branddeuren. Dat de branddeuren open stonden blijkt uit het rapport van Gab Robbins (zie 2.10) en uit de verklaring van [D], destijds bevelvoerder van dienst bij de Zwolse brandweer bij de bewuste brand.

Deltion c.s. heeft deze onderbouwde stelling niet voldoende betwist. De rechtbank gaat er in de verdere beoordeling dan ook van uit dat ten tijde van de brand alle branddeuren in het gebouw openstonden.

Deltion c.s. betwist voorts dat de branddeuren – indien zij gesloten zouden zijn geweest, substantieel invloed op de omvang van de schade zouden hebben gehad. De schade in de verder van de brandhaard gelegen compartimenten betreft slecht een zeer klein onderdeel van de totale schade. Bovendien bestaat de schade aldaar uit rook-, roet- en bluswaterschade, waartegen de branddeuren (waren zij gesloten) niet of nauwelijks bescherming zouden hebben geboden.

Op basis van het door [C] in het geding gebrachte rapport van Ir. R.A.P van Herpen, ondersteund door de verklaring van [D] (zoals geciteerd in punt 2.13, tweede alinea van het citaat), alsmede het gestelde in punt 2 van de dagvaarding, dat het pand per etage is gecompartimenteerd middels branddeuren, komt de rechtbank tot de conclusie dat de branddeuren mede dienen ter bescherming tegen rook- en roetschade in de verder van de brandhaard gelegen ruimten. Nu deze branddeuren openstonden is voldoende komen vast te staan dat als gevolg hiervan (meer) rook- en roetschade is ontstaan aan de verder van de brandhaard gelegen ruimten die, waren de branddeuren gesloten geweest, niet zou zijn ontstaan. Welk deel van de schade wegens rook en roet daaraan moet worden toegerekend dient te worden vastgesteld middels een deskundigenrapport. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het aantal en de perso(nen) van de deskundigen op te geven alsmede de aan de(ze) deskundig(en) te stellen vragen. Nu Deltion c.s. de hoogte van de door haar geleden schade dient te bewijzen zal zij het voorschot dienen te voldoen.

Overigens kan de rechtbank zich voorstellen dat partijen ([C] na ruggespraak met haar verzekeraar) in onderling overleg tot een verdeling van de schade komen en vervolgens de vordering wordt aangepast.

4.13. Tot slot heeft [C] gesteld dat extra kosten zijn gemaakt doordat in verband met de geplande examens in het weekend van 19 en 20 juni diverse schoonmaakbedrijven zijn ingeschakeld. Onder verwijzing naar de totstandkoming van de opdracht stelt [C] dat zij heeft geoffreerd op 24 mei 2005. Op basis van voornoemde offerte heeft Deltion eerst op 16 juni 2005 opdracht verstrekt met de restrictie dat de werkzaamheden uiterlijk in week 25 (zijnde diezelfde week) dienden te worden uitgevoerd. Deltion wist, althans moest weten dat in die periode examens zouden plaatsvinden. Die omstandigheden brengen met zich dat naar het oordeel van [C] de extra kosten voor erkenning van Deltion c.s. dienen te blijven.

De rechtbank passeert deze stelling. Deze stelling houdt immers in dat Deltion er rekening mee moest houden dat de werkzaamheden van [C] wel eens zouden kunnen uitmonden in een brand. Met Deltion c.s. is de rechtbank van oordeel dat deze stelling kant noch wal raakt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2009 voor het nemen van een akte door partijen als bedoeld in de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.12.

5.2. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Zomer, mr. J. van der Hulst en mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.