Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ8973

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
07/630381-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen, voorhanden hebben hennep, bewijs, gemotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630381-08

Uitspraak: 13 augustus 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. G. van der Wulp, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten € 20.000,- en € 6.000,-, verbeurd worden verklaard.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde omdat nagenoeg het gehele verschil in de kasopstelling is verklaard en niet is komen vast te staan dat het geld of het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig misdrijf afkomstig zijn van de onder 1 genoemde geldbedragen en/of personenauto’s.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2004, LJN AP2124 overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen echter niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Voldoende is dat het ‘niet anders kan zijn dan dat‘ het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier in het onderhavige geval echter geen sprake van omdat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en personenauto’s een legale herkomt hebben. Een criminele herkomst kan niet als enige aanvaardbare verklaring gelden. De rechtbank heeft in dit verband mede gelet op de door de broer van verdachte (naam) bij brief van 16 juli 2009 gegeven verklaring met betrekking tot de herkomst van het geld en hetgeen ter terechtzitting is verklaard.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank volgt het verweer.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de in de schuur bij de woning van verdachte aan de (adres) aangetroffen hennep het afval betrof van de buitenkweek van medeverdachte (naam) en dat verdachte bij de politie weliswaar heeft verklaard over een zak weed die hij in de schuur heeft gezet, maar daarbij niet doelde op dit specifieke afval.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Uit het op ambtsbelofte door de verbalisanten (naam) en (naam) opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 oktober 2008 (dossierpagina 430 tot en met 433) blijkt dat verdachte heeft verklaard: “Ik heb wel eens een zak met afval gevonden in de steeg achter mijn woning. Deze heb ik toen in de schuur gelegd”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hier wel degelijk gedoeld op de in de schuur aan de (adres) aangetroffen hennep zoals is tenlastegelegd.

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman voor wat betreft de in de personenauto gevonden hennep en acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de hennep die is aangetroffen in personenauto. De rechtbank spreekt de verdachte van dit deel van het onder 2 tenlastegelegde vrij.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

2.

hij op 3 september 2008 in de gemeente Zwolle in een schuur nabij een woning, gelegen aan de (adres) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.4 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij de artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet en

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder verdachte in beslaggenomen geldbedragen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 januari 2009;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 1 subsidiair is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen vervangende hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank gelast de teruggave van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde geldbedragen aan verdachte, te weten:

-een bundel contant geld, € 2.000,- en

-een een bundel contant geld, € 20.000,-.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2009.

Mr. G.E.A. Neppelenbroek, voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.