Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ8783

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
161915 / KG ZA 09-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voldoende spoedeisend belang in kort geding bij een mogelijke waardedaling van een 14 jaar oude auto?

Heeft eiser een in rechte te respecteren belang dat de auto over een vermogen van 287 pk beschikt? Dwaling, wat daar ook van zij, dient op grond van de in het verkeer geldende opvattingen als bedoeld in artikel 6:228 lid 2 BW voor rekening van eiser te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 161915 / KG ZA 09-441

Vonnis in kort geding van 28 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. B.V. Rafaela, Ouwendijk Advocaten te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 september 2009 met 11 producties

- de mondelinge behandeling d.d. 21 september 2009.

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] op straffe van een dwangsom zal veroordelen om aan [eiser] binnen 24 uur na het te wijzen vonnis EUR 7.000,00 te betalen en de auto van [eiser] van het merk BMW 325 i High Executive met kenteken [kenteken] terug te nemen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2. [eiser] grondt de vordering primair op dwaling, subsidiair op non-conformiteit en meer subsidiair op een tekortkoming zijdens [gedaagde] in de nakoming van de koopovereenkomst waardoor schade zou zijn ontstaan. Daartoe heeft [eiser] het volgende aangevoerd. Hij heeft op 20 december 2008 van [gedaagde] een BMW 325 i High Executive met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gekocht die volgens aanprijzing door [gedaagde] over een vermogen van 287 pk zou beschikken, tegen inruil van zijn eigen auto ter waarde van EUR 1.500,00 en betaling van EUR 5.500,00.

2.3 In eerste instantie was [eiser] zeer tevreden met de auto, die lekker reed. In de nacht van 13 op 14 maart 2009, tijdens een rit van Rotterdam naar Friesland, bemerkte hij echter dat hij met de auto niet meer dan 240 kilometer per uur kon rijden, waardoor hij het vermoeden kreeg dat de auto niet over 287 pk kon beschikken. Uit een meting die hij vervolgens heeft laten uitvoeren bleek dat de auto slechts over 187 pk beschikt, zulks in tegenstelling tot het gegarandeerde vermogen van 287 pk. Indien hij dit voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst had geweten, dan had hij de auto niet gekocht. Bij brief van 24 april 2009 heeft hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. Ondanks sommaties weigert [gedaagde] om de auto terug te nemen en de koopsom terug te betalen.

2.4. [gedaagde] voert samengevat het volgende verweer: [eiser] wist voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst terdege dat de auto niet over een vermogen van 287 pk beschikte.

2.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Voor toewijzing van het in dezen gevorderde is volgens vaste jurisprudentie in kort geding slechts dan plaats, als het bestaan van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed thans een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts mag een risico van onmogelijkheid van ongedaanmaking - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staan.

3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. [eiser] heeft immers slechts in algemene zin gesteld dat partijen belang hebben bij een spoedige afwikkeling van deze zaak in verband met een mogelijke daling van de waarde van de auto in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. Aangezien het echter gaat om een 14 jaar oude benzine auto (bouwjaar 1995-07), die ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst al 247.920 kilometer had gereden, kan een “mogelijke” daling van de waarde van deze auto onmogelijk meebrengen dat wegens onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Tegenover deze “mogelijke” waardedaling staat bovendien het feit dat [eiser] als eigenaar van de auto de volledige beschikking daarover heeft.

3.3. Het bestaan van de vordering is bovendien geenszins in hoge mate aannemelijk.

Voordat [eiser] in maart 2009 het vermoeden kreeg dat de auto niet over een vermogen van 287 pk zou beschikken, was hij naar eigen zeggen zeer tevreden met de auto. Hij heeft voorts op geen enkele wijze toegelicht wat nu concreet zijn - in rechte te respecteren - belang is dat de auto over een vermogen van 287 pk beschikt. De kans is daarom groot dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de gestelde dwaling, wat daar ook van zij, mede in het licht van de hier te lande geldende maximumsnelheid voor personenauto’s op de openbare snelweg - [eiser] beroept zich er in dit kader slechts (zonder gêne) op dat hij met de auto niet meer dan 240 kilometer per uur bleek te kunnen rijden - van dusdanig ondergeschikt belang is dat die op grond van de in het verkeer (sic) geldende opvattingen als bedoeld in artikel 6:228, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek voor rekening van [eiser] dient te blijven. De overige grondslagen van de vordering houden om de hiervoor genoemde reden evenmin stand. De concrete schade is overigens niet geduid, laat staan aannemelijk gemaakt, terwijl voorts niet gesteld of gebleken is dat [eiser] binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW dienaangaande heeft gereclameerd.

3.4. De vordering dient, gelet op het vorenstaande, te worden afgewezen.

3.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op EUR 262,00 voor vast recht.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 262,00,

4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2009.