Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ8741

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
07.607128-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inbraak

bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607128-09 (P)

Datum: 17 september 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland,

Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009 en 3 september 2009. De verdachte is verschenen, op beide zittingen bijgestaan door mr. F.S. Boedhoe, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J.W.M. Janssen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

TENLASTELEGGING

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 april 2009 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelege[adres]es] heeft weggenomen een (externe) harde schijf, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 11 april 2009 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning gelegen aan de [adres] weg te nemen (een) goed(eren) van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, aan de achterzijde van die woning een raam(pje) heeft geforceerd en/of (vervolgens) (door dat raam(pje)) die woning heeft betreden en/of een kast heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJS

A. Vaststaande feiten

Op 11 april 2009, omstreeks 22.40 uur, rijden verbalisanten in een opvallend dienstvoertuig en krijgen zij van de centralist de opdracht te gaan naar de [adres] in [plaats], alwaar volgens een melding breekgeluiden waren gehoord . De verbalisanten begeven zich naar voornoemd adres, alwaar zij omstreeks 22.45 uur arriveren. In afwachting van andere verbalisanten vatten zij post ter hoogte van de achtertuinen van de [adres].

Wanneer andere verbalisanten zijn gearriveerd loopt een aantal van hen naar de achterzijde van de [adres] en constateren zij dat de zijkanten van de achtertuinen aan elkaar grenzen en dat deze middels schuttingen en bossages van elkaar zijn gescheiden. Tevens zien zij dat de achterzijde van de tuinen door middel van een hoge groenstrook is gescheiden van het openbaar gelegen grasveld. Vervolgens heeft een aantal verbalisanten via de voorzijde van de woningen gelegen aan de [adres], de achtertuinen betreden.

Eén van de verbalisanten bevindt zich omstreeks 23.00 uur in de achtertuin van de woning aan de [adres] en ziet dat zich achter een houten tuinhuisje een manspersoon verschuilt. Hij ziet dat de man geheel in elkaar gekropen zit en zich zo klein mogelijk heeft gemaakt. Tevens ziet hij dat er stukjes struik en tak aan de kleding en in de haren van de man zitten. Vervolgens wordt de manspersoon, welke later [verdachte] blijkt te zijn, als verdachte aangehouden.

Twee andere verbalisanten gaan naar de woning aan de [adres] en treffen daar [aangever]. Zij constateren dat aan de achterzijde van de woning een ruit is ingeslagen en zien in de woning een computer op de grond liggen.

Door [aangever] wordt een dag later, op 12 april 2009 aangifte gedaan van inbraak in zijn woning, waarbij een externe harde schijf is weggenomen.

De twee verbalisanten begeven zich, nadat zij met [aangever] hebben gesproken, naar de achtertuin van de woning aan de [adres] en treffen daar een roodkleurige plastic tas met daarin een gameboy, een harde schijf en een afstandbediening. Achter het perceel [adres] treffen zij een zwartkleurige fiets aan en ter hoogte van het perceel [adres] treffen zij een schroevendraaier aan. Voornoemde goederen worden in beslag genomen.

Op 12 april 2009 wordt de [getuige] gehoord, die verklaart dat zij op 11 april 2009 omstreeks 22.35 uur samen met haar partner in haar woning aan de [adres] te [plaats] was en een harde knal hoorde, gevolgd door glasgerinkel, welk geluid afkomstig was van de woning van de buren, gelegen aan de [adres].

Op 12 april 2009 doet tevens [aangever] aangifte van een poging tot inbraak in zijn woning aan de [adres] te [plaats]. Hij verklaart dat er geen goederen zijn weggenomen.

Verdachte wordt een aantal keren gehoord door de politie, maar beroept zich op zijn zwijgrecht.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Hij heeft hiertoe gewezen op het feit dat er voldoende wettig bewijs is in de vorm van de twee aangiftes en het proces-verbaal van aanhouding.

Ten aanzien van de overtuiging heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich tot en met zijn verhoor in raadkamer heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen hieraan consequenties worden verbonden wanneer een persoon als verdachte gehouden was iets uit te leggen. In het onderhavige geval was verdachte gehouden iets uit te leggen en is de verklaring die hij uiteindelijk bij de behandeling in raadkamer ter zake de vordering verlenging gevangenhouding aflegt niet geloofwaardig. Bovendien is de verklaring qua feiten op dat moment niet meer te controleren door de politie.

C. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe het navolgende aangevoerd.

Verdachte heeft slechte ervaringen voor wat betreft het afleggen van verklaringen bij de politie en heeft er om die reden voor gekozen eerst bij het Gerechtshof een verklaring af te leggen. Bovendien had de politie ten tijde van de aanhouding reeds kunnen constateren welke kleding verdachte droeg.

Verdachte is niet aangetroffen op de plaats delict en er zijn geen getuigen die iets hebben gezien. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

D. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde vaststaande feiten, dat vaststaat dat op 11 april 2009 in de gemeente [plaats] in de woning aan de [adres] is ingebroken en dat op diezelfde datum is geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres].

Gelet op het proces-verbaal van aanhouding en de verklaring van de [getuige] staat eveneens vast dat de inbraak in de woning aan de [adres] omstreeks 22.35 uur heeft plaatsgevonden. De poging inbraak heeft, gelet op de verklaring van [aangever] plaatsgevonden vóór 23.30 uur.

Kort na het tijdstip van de diefstal, omstreeks 23.00 uur, en op korte afstand van de plaats waar de woninginbraak plaatsvond, namelijk in de achtertuin van de woning aan de [adres], wordt verdachte aangetroffen. Voorts wordt in het openbaar groen achter voornoemde woning een plastic tas aangetroffen met daarin onder meer de harde schijf die bij de inbraak uit de woning aan de [adres] is weggenomen.

Voorts constateren de verbalisanten dat de achtertuinen van de woningen gelegen aan de [adres] door middel van een hoge groenstrook gescheiden zijn van een voor het publiek toegankelijk grasveld.

De rechtbank overweegt dat door verdachte aanvankelijk geen (plausibele) verklaring wordt gegeven voor zijn aanwezigheid aldaar op dat tijdstip, zeer kort na de woninginbraak en op korte afstand van de woning waar is ingebroken. Eerst bij de behandeling in raadkamer van de vordering verlenging gevangenhouding legt verdachte een verklaring af. Hij verklaart daar dat hij aan het trimmen was, hij zijn behoefte moest doen en dat op het moment dat hij zijn behoefte stond te doen de politie eraan kwam. Hij verklaart te zijn geschrokken van de politie uit schrik te zijn weggerend en zich uit angst om betrapt te worden heeft verborgen in de tuin. Deze verklaring is door verdachte bevestigd bij de behandeling ter terechtzitting van 3 september 2009. Hij verklaart dat hij heeft horen roepen “stop, politie.” De rechtbank constateert dat uit het proces-verbaal van aanhouding niet blijkt dat dit door de verbalisanten die als eerste ter plaatse kwamen is geroepen. Verdachte heeft bij de behandeling ter terechtzitting op 3 september 2009 voorts verklaard dat hij aan het trimmen was door het bosgebied vlakbij zijn woning, echter op de vraag van de officier van justitie wat de naam is van het betreffende bosgebied, moet verdachte het antwoord schuldig blijven.

De rechtbank acht voornoemde verklaringen van verdachte niet aannemelijk, te meer daar hij een van deze verklaringen eerst bij het tweede verhoor in raadkamer heeft afgelegd en niet reeds bij zijn verhoor bij de politie.

De rechtbank is, gelet op alle voornoemde omstandigheden en deze in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft ingebroken in de woning aan de [adres] en daar een externe harde schijf heeft weggenomen en dat hij heeft getracht in te breken in de woning aan de [adres].

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

Hij op 11 april 2009 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een externe harde schijf, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

2.

Hij op 11 april 2009 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning gelegen aan de [adres] weg te nemen (een) goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van verbreking en inklimming, aan de achterzijde van die woning een raam heeft geforceerd en vervolgens door dat raam die woning heeft betreden en een kast heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

VRIJSPRAAK VAN HET MEER OF ANDERS TENLASTEGELEGDE

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het onder 1 bewezene levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezene levert op:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en inklimming, strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak en aan een poging daartoe.

De rechtbank overweegt dat verdachte, door het plegen van die feiten, aan de slachtoffers schade, schrik en overlast heeft bezorgd. Bovendien heeft verdachte met zijn handelwijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 886,84.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 123,94 met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen en subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat de harde schijf aan de benadeelde partij is teruggegeven en dat de beschadiging aan de computer onvoldoende is onderbouwd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 123,94, zijnde de reiskosten, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 123,94 ten behoeve van het [slachtoffer].

BESLAG

De officier van justitie heeft gevorderd om ten aanzien van de op de “Lijst van inbeslaggenomen goederen” onder 1, 2 en 4 genoemde voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten, het op de “Lijst van inbeslaggenomen goederen” onder 3 genoemde voorwerp te retourneren aan de rechthebbende [aangever] en de onder 5 en 6 genoemde voorwerpen verbeurd te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1, 2, 3 en 4 vermelde voorwerpen, te weten een grijze DVD-speler, merk Salora, een Nintendo spelcomputer met spel erin, een STK Harddisk en een zwarte herenfiets, dienen te worden geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. De eigenaar van de onder 3 vermelde STK Harddisk is [aangever]. De rechtbank zal de bewaring gelasten van de onder 1, 2 en 4 vermelde voorwerpen, nu voorshands niet duidelijk is wie als rechthebbende kan/kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 5 en 6 vermelde voorwerpen, te weten een blauwe schroevendraaier en een grijze zaklantaarn/knijpkat dienen te worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van deze voorwerpen de feiten zijn begaan of voorbereid.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave aan de rechthebbende [aangever] van het op de “Lijst van inbeslaggenomen goederen” onder 3 vermelde voorwerp, te weten een STK Harddisk.

De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van teruggave aan de rechthebbende(n) van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1, 2 en 4 vermelde voorwerpen, te weten een grijze DVD-speler, een Nintendo spelcomputer met spel erin en een grijze herenfiets.

De rechtbank verklaart verbeurd de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 5 en 6 vermelde voorwerpen, te weten een blauwe schroevendraaier en een grijze zaklamp/knijpkat.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] te [plaats], van een bedrag van € 123,94 (zegge: honderddrieëntwintig euro en vierennegentig cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 123,94 ten behoeve van het [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. M.A. Pot, voorzitter, mrs. H.Th. Pos en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2009.

Mr. Pos, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.