Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ7096

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
Awb 08/2207
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond verklaard. Eiser is voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt beschouwd voor de WAO. Eiser heeft in beroep betoogd dat een urenbeperking aan de orde is in verband met de klachten die het gevolg zijn van de dunnedarmstoma en de problematiek eromheen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit niet zo is.

Schadevergoeding in verband met een overschrijding in de procedure van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van het EVRM niet toegewezen omdat die termijn nog niet is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/2207

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. G.B.A. Bol

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van11 november 2008 heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2008, aan eiser meegedeeld dat hij per 20 maart 2006 onveranderd voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt wordt beschouwd voor de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Op 16 december 2008 is tegen dit besluit beroep ingesteld. De werkgeefster van eiser is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, maar heeft niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Bol, gemachtigde en D. van Swet, werkzaam bij Cyklop Nederland BV.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.S. de Vries.

2. Overwegingen

Voor een uitvoerig overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar hetgeen de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 3 oktober 2008 (LJN BF6888) daaromtrent heeft weergegeven. De rechtbank volstaat hier met het volgende. Verweerder heeft ter uitvoering van bedoelde uitspraak nader onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en een onderzoek door een bezwaararbeidsdeskundige.

Verweerder heeft vervolgens bij het thans bestreden besluit het eerdere standpunt gehandhaafd dat eiser per 20 maart 2006 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening is gehouden met de ernst van de medische situatie op de datum in geding en dat eiser in staat moet worden geacht de thans geduide functies te verrichten.

Namens eiser is in beroep opnieuw betoogd - kort weergegeven - dat een urenbeperking aan de orde is in verband met de klachten die het gevolg zijn van de dunnedarmstoma en de problematiek eromheen. In de praktijk is ook gebleken dat meer dan 20 uur werken niet lukt. Eiser heeft een schrijven ingebracht van prof. dr. (…), chirurg, (verder: (dr...) d.d. 16 december 2008, waarin deze gemotiveerd aangeeft het onveranderd niet eens te zijn met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Ter zitting is namens eiser toegelicht dat de totaalbelasting in de geduide functies te zwaar is, uitgaande van de beperkingen die (dr…) aanneemt. Een urenbeperking is aangewezen door de vermoeidheid vanwege de onderbroken nachtrust in combinatie met verminderde weerstand tengevolge van een slechte voedselopname.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verstaat het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 3 oktober 2008 aldus, dat de in de aangepaste FML van maart 2007 alsnog opgenomen (lichte) beperkingen ten aanzien van (frequent) buigen, duwen of trekken, tillen of dragen en de handhaving van de beperking van het frequent zware lasten hanteren tijdens het werk niet in overeenstemming zijn met de door (dr...) gemotiveerd aangegeven noodzaak tot forse beperkingen op deze onderdelen. Verder ontbreekt volgens de Centrale Raad van Beroep een motivering waarom niet mede een beperking is gesteld ten aanzien van knielen of hurken, en waarom in verband met de stomaproblematiek het stellen van een urenbeperking niet noodzakelijk zou zijn.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waaraan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts d.d. 16 oktober 2008 ten grondslag is gelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport aangegeven in de FML alsnog verdere beperkingen aan te nemen wegens de stomaproblematiek. Hij heeft gemotiveerd waarom hij een verdergaande urenbeperking (dan voor werken ’s avonds en ’s nachts en meer dan 8 uur per dag) niet noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de thans door verweerder aangenomen lichamelijke beperkingen stelt de rechtbank vast, dat de FML d.d. 16 oktober 2008 door de bezwaarverzekeringsarts alleen is aangepast op de onderdelen torderen, knielen of hurken en geknield of gehurkt actief zijn. Op de onderdelen tillen, dragen, duwen of trekken heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML niet aangepast, doch volstaan met de eerder aangenomen lichte beperkingen.

De thans aangenomen beperkingen zijn dan ook onveranderd niet in overeenstemming met de door de Centrale Raad van Beroep gevolgde visie van (dr…), die gemotiveerd heeft onderbouwd dat eiser vrijwel niet mag tillen, dragen, duwen of trekken.

(dr…) heeft in zijn brief van 16 december 2008 als reactie op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts d.d. 16 oktober 2008 ook opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts nog steeds onvoldoende blijk geeft van inzicht in de problemen die zich kunnen voordoen bij een dunne darm nooduitgang en de daarmee gepaard gaande opvangproblematiek.

Het vorenstaande klemt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu in de aan het besluit ten grondslag gelegde functie leerplichtambtenaar sprake is van een aanzienlijke til- en draagbelasting (tot ongeveer 10 kilogram).

Met betrekking tot een urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van

16 oktober 2008 aangegeven dat er geen reden is uit te gaan van een structurele verminderde energetische belastbaarheid.

De vermoeidheid en concentratieproblemen kunnen volgens de bezwaarverzekeringsarts niet verklaard worden door de verstoring van de nachtrust noch door de aandoening zelf. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband verwezen naar het rapport van 18 januari 2007. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus niet overtuigend gemotiveerd waarom in afwijking van de bevindingen van chirurg (dr…) een urenbeperking niet aan de orde is. In de visie van (dr…) levert het continu fysiek en psychisch bezig zijn met ontlastingsproblematiek, in combinatie met een verstoorde nachtrust, vermoeidheid en concentratieproblemen op die van dien aard zijn dat een urenbeperking van 2 uur per dag geïndiceerd is. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit niet overtuigend weerlegd. De rechtbank acht hiervoor in ieder geval onvoldoende dat de situatie van eiser wordt vergeleken met die van eenieder die ’s nachts naar het toilet gaat. (dr…) heeft ook gesteld dat de benadering van de bezwaarverzekeringsarts op dit punt onvoldoende blijk geeft van inzicht in de klinische problematiek van eiser. Ten aanzien van de waarnemingen van de werkgever van eiser heeft de bezwaarverzekeringsarts overigens terecht opgemerkt, dat deze zelfs een verdergaande urenbeperking noodzakelijk acht dan door (dr…) is geïndiceerd, maar dit laat onverlet dat niet afdoende is onderbouwd waarom verweerder ook de visie van (dr. …) niet volgt.

Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de door (dr…) genoemde -als ernstig te duiden- beperkingen, zoals hiervoor omschreven. Het thans bestreden besluit is dan ook niet genomen met inachtneming van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en ontbeert onveranderd een voldoende medische grondslag. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank overweegt tot slot het volgende.

Op 16 december 2008 heeft gemachtigde van eiser verzocht een schadevergoeding toe te kennen in verband met een overschrijding in deze procedure van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarbij heeft eiser aangegeven dat het eerste bezwaarschrift is ingediend op 22 januari 2006.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van een appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van een appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) naar voren komt. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient in een procedure als deze, waarin een vernietiging door de Centrale Raad van Beroep van een besluit op bezwaar leidt tot een herhaalde behandeling door de rechtbank, en waarin tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, de rechtbank moet uitgaan van een behandeling in drie instanties en een redelijke termijn van vier jaar voor de procedure als geheel.

In deze procedure is het bezwaarschrift gedateerd op 22 januari 2006 en door verweerder ontvangen op 24 januari 2006. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat in deze procedure (nog) niet gezegd kan worden, dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. In het licht van het voorgaande komt het verzoek om schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart. Het besluit van 11 november 2008 wordt vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644, – voor verleende rechtsbijstand in beroep.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van

het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, mr. F.G. van Arem en

mr. G.M.J. Vijftigschild, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier, op

Afschrift verzonden op: