Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ6440

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
08/2216 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing langdurigheidstoeslag gegrond verklaard. Eiser zou onvoldoende getracht hebben, gedurende het tijdvak van 60 maanden, algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen omdat hij gedurende een bepaalde periode gedetineerd is geweest en daardoor niet geschikbaar voor arbeid. Geen redelijke beleidsbepaling. De rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: 08/2216 WWB

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde, mr. L.E. Nijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 20 juni 2008 heeft eiser een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) aangevraagd voor het jaar 2008.

Bij besluit van 27 juli 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser op 25 augustus 2008 bezwaar gemaakt, aangevuld met gronden op 9 oktober 2008.

Eiser is gehoord op 14 oktober 2008.

Bij besluit van 5 november 2008 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Op 15 december 2008 is namens eiser beroep ingesteld, aangevuld met gronden op 14 januari 2009.

Verweerder heeft op 6 februari 2009 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 26 mei 2009 ter zitting van de meervoudige kamer behandeld.

Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door N.J.J. Massier.

2. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht de aanvraag van eiser voor een langdurigheidstoeslag heeft afgewezen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft vanaf 22 november 1997 een bijstandsuitkering van de gemeente Zwolle ontvangen. Eiser is gedetineerd geweest in de periode 29 november 2007 tot 24 april 2008 en was in verband hiermee gedurende die periode uitgesloten van het recht op bijstand.

Eiser heeft over het jaar 2008 een langdurigheidstoeslag aangevraagd.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder rubriek 1 van deze uitspraak.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser gedurende het tijdvak van 60 maanden onvoldoende getracht heeft om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, omdat hij gedurende een bepaalde periode gedetineerd is geweest en daardoor niet beschikbaar voor arbeid. Verweerder heeft daarbij verwezen naar artikel 36 WWB en naar artikel 6, aanhef en onder b van de gemeentelijke Beleidsregel Langdurigheidstoeslag Wet Werk en Bijstand 2006 d.d. 12 december 2006 van de gemeente Zwolle (verder: de Beleidsregel). Er is eiser in de referteperiode geen ontheffing verleend van de arbeidsplicht, zodat deze onverkort gold.

Eiser heeft gesteld, samengevat weergegeven, dat verweerders beleid onredelijk is en dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Eiser behoort bij uitstek tot de doelgroep van de regeling; hij is al heel lang aangewezen op een minimuminkomen. Hem kan niet tegengeworpen worden dat hij onvoldoende heeft geprobeerd arbeid te verkrijgen. Vanaf 1999 tot aan het moment van zijn detentie heeft hij inderdaad nooit enige sollicitatieactiviteit verricht, maar zonder dat hij daar ooit door de gemeente is aangesproken of is gestimuleerd in arbeidsactiviteiten, zodat feitelijk of materieel gezien geen sprake was van een arbeidsplicht. De gemeente heeft ook niets gedaan om eiser naar de arbeidsmarkt te begeleiden. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 4 juli 2006 (LJN: AY0161) voor het centraal staan van het begrip arbeidsmarktperspectief. Bovendien vindt eiser dat het verlies van de toeslag voor vijf jaar niet evenredig is aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid in de zin van artikel 36 WWB.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals de tekst van deze bepaling luidde van 28 maart 2008 tot en met 31 december 2008, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

In de Beleidsregel is artikel 36 WWB verder uitgewerkt en, voor zover in onderhavige procedure van belang, in artikel 6, aanhef en onder b, bepaald, dat:

Een belanghebbende in ieder geval verwijtbaar onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, indien de belanghebbende gedurende de referteperiode:

a. ….

b. rechtens van zijn vrijheid was ontnomen, tenzij op grond van artikel 13, lid 3 van de wet of het besluit extramurale vrijheidsontneming bijstandsverlening wel was toegestaan.

De langdurigheidstoeslag is geweigerd op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB gestelde voorwaarde dat gedurende de zogeheten referteperiode van 60 maanden naar het oordeel van het College voldoende is getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB is de langdurigheidstoeslag bedoeld als een inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Daarbij is het begrip arbeidsmarktperspectief van wezenlijke betekenis. Doorslaggevend is volgens de rechtbank in dit verband of eiser in de visie van verweerder over de gehele periode van 60 maanden voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleidsregel heeft geformuleerd die er - kort gezegd - op neerkomt dat de betrokkene geacht wordt niet aan de gestelde voorwaarde te hebben voldaan indien in de referteperiode sprake was van detentie.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beleid van verweerder op dit punt niet in overeenstemming met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 heeft gegeven aan de commissie voor de Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat bij onderbrekingen van de periode van 60 maanden (waarbij als voorbeeld is genoemd een kort verblijf in het buitenland waarbij geen inkomsten zijn genoten) de gemeente dient vast te stellen of er aan de voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag is voldaan. Met name betreft het dan volgens de staatssecretaris de beoordeling van de vraag of er, conform het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onderdeel c WWB, in voldoende mate is getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het beleid van verweerder te ongenuanceerd. Hierin ligt immers besloten dat de omstandigheid dat iemand in de referteperiode gedetineerd is geweest, automatisch tot de conclusie leidt dat onvoldoende is getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, ongeacht de vraag of de duur van de detentie ook daadwerkelijk een belemmering heeft gevormd voor activiteiten gericht op arbeidsinschakeling.

Het betreffende beleid voldoet derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet aan de eisen van een redelijke beleidsbepaling. Aangezien het bestreden besluit op dit beleid is gebaseerd, kan niet gesteld worden dat dit besluit op een deugdelijke grondslag berust zodat dit wordt vernietigd. De rechtbank zal bezien of er aanleiding is gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat voor eiser de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB gold. In de periode 29 november 2007 tot 24 april 2008 is eiser gedetineerd geweest. Bij een detentieperiode van deze omvang, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden, dat er sprake kan zijn geweest van reële inspanningen gericht op arbeidsinschakeling. Dat eiser ook voor zijn detentie geen inspanningen heeft verricht, zoals hij heeft aangevoerd, moge zo zijn, maar dat laat onverlet dat hij tengevolge van zijn ruim vier maanden durende detentieperiode verwijtbaar geen activiteiten heeft ontplooid.

De rechtbank komt in het licht van het voorgaande tot de slotsom, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- gelast dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 39,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00 te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.G. van Arem, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en

mr. G.M.J. Vijftigschild, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier, op

Voorzitter buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden op: