Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ6354

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
07/440046-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag, voorwaardelijke opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.440046-09 (P)

Uitspraak: 25 augustus 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar).

wonende te (adres),

thans verblijvende (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2009 en 12 augustus 2009 waarbij verdachte en zijn raadsman mr M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen, aanwezig zijn geweest.

DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair

hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (naam 1) van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een (hak)bijl slaande bewegingen heeft gemaakt naar en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of de arm(en) en/of het lichaam van die (naam 1) (terwijl deze (naam 1) op een stoel zat), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

subsidiair

hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (naam 1), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een (hak)bijl slaande bewegingen heeft gemaakt naar en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of de arm(en) en/of het lichaam van die (naam 1), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2

hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Raalte (naam 1) en/of (naam 2)) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (naam 1) en/of (naam 2)) meermalen, althans éénmaal dreigeind de woorden toegevoegd: “ik maak je dood, ik maak je dood” en/of “ik maak jullie allemaal dood” en/of “ik maak jullie allemaal af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 3

hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Raalte opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans één ruit(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (naam 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door meermalen, althans éénmaal met (een) ste(e)n(en) die ruit(en) in te gooien en/of (vervolgens) met een (hak)bijl op/tegen die ruit(en) te slaan;

Feit 4

hij op of omstreeks 15 december 208 te Raalte (naam 1) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (naam 1) dreigend de woorden toegevoegd: “ik sla je het ziekenhuis in en je zult dat niet levend verlaten”, en/of “je komt tussen 6 plankjes te liggen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

FORMELE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemde feiten ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte opzet c.q. voorwaardelijk opzet had op de dood van slachtoffer (naam 1).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verdachte heeft aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde (poging doodslag) onvoldoende wettig bewijs voorhanden is nu alleen de aangeefster heeft verklaard dat verdachte met de hakbijl in de richting van haar hoofd heeft gezwaaid. Derhalve heeft de raadsman de rechtbank verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken.

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder feit 4 heeft de raadsman betoogd dat voor een bewezenverklaring onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De aangifte is volgens de raadsman onvoldoende gericht en concreet. Derhalve heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte tevens van dit feit vrij te spreken.

Voor wat betreft de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3:

Op 16 februari 2009 is verdachte naar Raalte getogen met in zijn rugzak twee stenen en een bijl, teneinde zijn kinderen te kunnen zien, die tijdelijk onder de pleegzorg zijn geplaatst van de moeder (slachtoffer) van zijn vriendin, (naam 1).

Als verdachte bij het huis arriveert, roept hij dat hij zijn kinderen wil zien. Als het slachtoffer (naam 1) hier geen gehoor aan geeft gooit verdachte een steen door de ruit en slaat hij met de bijl de ruit verder in. Ondertussen belt het slachtoffer de politie.

Als verdachte via het raam de woning betreedt treft hij daar het slachtoffer aan, zittend op een stoel aan de eetkamertafel. Verdachte stapt, met de bijl in de hand, meteen op het slachtoffer af en zwaait met de bijl richting het slachtoffer en raakt haar in de buik, onder luidkeels geroep “ik maak je dood, ik maak jullie allemaal af” .

De partner (naam 2)) van het slachtoffer en zijn zoon kunnen de verdachte met moeite in bedwang houden tot dat de politie arriveert .

Verdachte heeft ontkend dat hij met de bijl slaande bewegingen heeft gemaakt naar en/of tegen en/of in de richting van het hoofd. Hij heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij een slaande beweging maakte in de richting van het slachtoffer en dat hij haar ergens bij haar buik heeft geraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij “gewoon geflipt was” . Eén dag later heeft verdacht bij de politie verklaard , dat hij de bijl in zijn rechterhand had en hiermee in de richting van de moeder zwaaide, dat hij met gevoel sloeg en zodanig sloeg dat hij haar niet erg zou verwonden. Hij heeft toen wederom verklaard haar in de buik te hebben geraakt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat verdachte de bijl ook in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft gezwaaid en dat derhalve niet bewezen kan worden geacht dat er sprake is geweest van een poging tot doodslag.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Slachtoffer (naam 1) heeft in haar aanvullende verklaring verklaard, dat verdachte met de bijl voor haar stond en dat hij een slaande beweging met de bijl naar haar hoofd maakte. In een reflex heeft zij de bijl kunnen afweren met haar linkerhand. Zij voelde de bijl langs haar hoofd gaan. Op het moment dat verdachte met de bijl een slaande beweging richting haar hoofd maakte, bracht (naam 2) verdachte uit balans, waardoor de bijl op haar buik terecht kwam .

Getuige (naam 2) heeft verklaard dat verdachte met de hakbijl in zijn geheven rechter hand in de richting van het slachtoffer stapte en dat zij in ieder geval eenmaal een afweerbeweging maakte naar de slaande beweging van verdachte, met de hakbijl in zijn hand. Getuige Pot is, toen verdachte hem passeerde, direct achter hem aangestapt en heeft zijn rechtermouw beet gepakt om te voorkomen dat hij nogmaals zou uithalen .

Getuige (naam 3) heeft verklaard dat verdachte een bijl in zijn rechterhand had, die omhoog had en daarmee met kracht uithaalde naar het slachtoffer. Het slachtoffer weerde deze slag met één hand af. De getuige dacht eerst dat het slachtoffer daardoor niet was geraakt. Later bleek dat de bijl over haar buik was geschaafd.

Uit de getuigenverklaringen van (naam 2) en (naam 3) blijkt niet goed in welke richting de slaande beweging van verdachte is gegaan, voordat deze werd afgeweerd. Tegenover de ontkennende verklaring van verdachte staat alleen de verklaring van het slachtoffer zelf dat de bijl langs haar hoofd ging. Mede gelet op de hectiek waarin dit alles zich heeft afgespeeld, is de rechtbank onvoldoende overtuigd dat de slaande beweging van verdachte ook in de richting van haar hoofd ging.

Voorts is er in het dossier sprake van dat verdachte, nadat hij door de getuigen (naam 2) en (naam 3) was vastgepakt, opnieuw heeft geprobeerd slaande bewegingen met de hakbijl te maken, maar niet blijkt dat verdachte daadwerkelijk nog meer slaande bewegingen in de richting van het hoofd en/of de arm(en) en/of het lichaam van het slachtoffer heeft weten te maken.

Daarom zal verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde deels worden vrijgesproken.

Wel is voor de rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend komen vast te staan dat verdachte met de hakbijl in de richting van het lichaam van het slachtoffer heeft geslagen. Die slag heeft haar ook daadwerkelijk geraakt en kwam, na het afweren door het slachtoffer, op haar buik terecht.

De rechtbank is van oordeel dat door het slaan met de hakbijl in de richting van het lichaam van het slachtoffer, zoals verdachte heeft gedaan, de aanmerkelijke kans bestond dat hij het slachtoffer dodelijk zou treffen. Voorts leidt de rechtbank uit de omstandigheden waaronder verdachte die slaande beweging heeft gemaakt af, dat hij de aanmerkelijke kans op de dodelijke afloop bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft immers in de woning geroepen dat hij iedereen af zou maken. In zijn bij de politie afgelegde verklaring van 17 februari 2009 heeft verdachte bovendien gezegd dat hij – uit frustratie van de laatste jaren – mensen in stukken wilde hakken .

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat er (tenminste) sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht daarom het onder 1 primair tenlastelegde wettig en overtuigende bewezen, zoals hieronder vermeld.

Met betrekking tot feit 4:

De bedreiging zou door verdachte zijn geuit tijdens een telefoongesprek met het slachtoffer (naam 1). Nu verdachte omtrent dit feit een ontkennende verklaring heeft afgelegd en de rechtbank in het dossier geen nadere verklaringen heeft aangetroffen ter ondersteuning van de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van voornoemd feit onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Derhalve zal de rechtbank de verdachte van dit feit vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd met dien verstande dat:

Feit 1 primair

hij op 16 februari 2009 te Raalte ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (naam 1) van het leven te beroven, met dat opzet, éénmaal met een (hak)bijl een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd of het lichaam van die (naam 1) (terwijl deze (naam 1) op een stoel zat), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

Hij op 16 februari 2009 te Raalte (naam 1) en/of (naam 2) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (naam 1) en/of (naam 2) meermalen, dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak je dood, ik maak je dood” en “ik maak jullie allemaal dood” en “ik maak jullie allemaal af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 3

Hij op 16 februari 2009 te Raalte opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans één ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (naam 1), heeft vernield door met een steen die ruit in te gooien en (vervolgens) met een (hak)bijl tegen die ruit te slaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair

doodslag, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid,

strafbaar gesteld bij artikel 287 en artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar voor wat te zijnen laste bewezen is verklaard.

DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes heeft de veroordeling van verdachte gevorderd ter zake van het onder feit 1 primair, 2, 3 en 4 tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte bepleit een lagere straf nu verdachte volgens de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Volgens de raadsman was verdachte niet in staat zijn vrije wil te bepalen. Derhalve heeft de raadsman de rechtbank verzocht tevens een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juni 2009;

- een de verdachte betreffend aanvullend psychiatrisch rapport Pro Justitia

d.d. 19 juli 2009, uitgebracht door R.J.H. Winter, psychiater;

- een de verdachte betreffend aanvullend psychologisch rapport Pro Justitia

d.d. 17 juli 2009, uitgebracht door F. van Nunen, psycholoog;

- een de verdachte betreffend aanvullend adviesrapport Reclassering Nederland d.d. 19 mei 2009, uitgebracht door L.R. Grooten, reclasseringsmedewerker;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport Reclassering Nederland

d.d. 14 april 2009, uitgebracht door L.R. Grooten, reclasseringsmedewerker;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 24 april 2009, uitgebracht door R.J.H. Winter, psychiater;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 24 april 2009, uitgebracht door F. van Nunen, psycholoog.

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen uit frustratie over de problemen rond de kinderen van verdachte en zijn partner (naam 4). Deze kinderen zijn onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg te Zutphen en uit huis geplaatst. Zij verblijven bij de moeder van (naam 4), slachtoffer in deze zaak. Er geldt een door Bureau Jeugdzorg bepaalde omgangsregeling, volgens welke de verdachte en zijn partner hun kinderen eenmaal in de 4 tot 6 weken onder begeleiding kunnen zien. De frustratie geldt vooral het feit dat verdachte zijn kinderen niet kan zien als hij dat wil.

Uit de gedragsdeskundige rapportages komt naar voren dat verdachte een psychisch niet sterke man is met een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, asociale, paranoïde en passief agressieve kenmerken. Voorts functioneert verdachte op een laaggemiddeld tot zwakbegaafd niveau.. Volgens de gedragsdeskundigen is verdachte tot de bewezen verklaarde feiten gekomen door zijn beperkte verstandelijke vermogens in samenhang met zijn culturele voorgeschiedenis, waardoor hij niet adequaat wist om te gaan met de situatie van oplopende frustraties over het niet kunnen uitoefenen van zijn vaderschap. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van het plegen van de strafbare feiten.

De deskundigen achten enige vorm van behandeling in deze niet geïndiceerd, omdat er in dit geval geen sprake is van een ziekte, die om behandeling vraagt, maar van een gebrek (zwakbegaafdheid). Zij achten daarom – om de kans op recidive tot aanvaardbare proporties terug te brengen - in dit geval een goede sociaal-maatschappelijke structuur aangewezen in combinatie met eenvoudige doorlopende persoonlijke steun en bemiddeling in de relatie tot de jeugdzorg. Daarbij wordt er op gewezen dat de begeleiding door de reclassering in de afgelopen jaren voornamelijk gericht is geweest op de verslavingsproblematiek en dat er geen enkele poging is gedaan tot bemiddeling in de relatie van verdachte met jeugdzorg, terwijl dit toch elementair is geweest in de aanloop tot de gepleegde delicten.

De gedragsdeskundigen adviseren derhalve ambulante begeleiding door de Reclassering.

Tactus Reclassering ondersteunt echter het advies om te komen tot begeleiding in een ambulant kader niet.

Verdachte heeft namelijk reeds eerder met behulp van tal van instanties zijn leven ambulant op de rails trachten te zetten. Dit is echter niet gelukt. Verdachte heeft niet de capaciteiten om in het woud van instanties afspraken na te komen. Derhalve is volgens Tactus een ambulant kader niet toereikend gebleken om verdachte te laten re-integreren in de maatschappij. Voorts heeft verdachte te kennen gegeven geenszins van plan te zijn een behandeling te volgen. Verdachte heeft te kennen gegeven zijn straf uit te willen zitten en dan naar de Nederlandse Antillen te willen vertrekken.

Tactus is van mening dat verdachte het meest gebaat is bij een behandeling in een klinische setting. Gezien de omstandigheid dat verdachte daar niets voor voelt en gelet op de door de Tactus opgedane ervaringen met verdachte wordt door Tactus geadviseerd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Aldus ligt er geen enkel plan om de kans op recidive te verminderen, anders dan door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Immers dient ook een gevangenisstraf mede tot doel om recidive in de toekomst tegen te gaan.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf ook uit een oogpunt van vergelding noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Wel houdt de rechtbank er daarbij rekening mee dat – zoals de gedragsdeskundigen in hun rapportages hebben aangegeven – het bewezenverklaarde verdachte slechts in verminderde mate valt toe te rekenen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te noemen duur.

BENADEELDE PARTIJ

De volgende benadeelde partijen hebben zich met een vordering tot schadevergoeding gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde:

- (naam 1): ten bedrage van € 3.305,-

- (naam 2)): ten bedrage van € 150,-.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij (naam 1) toe te wijzen tot een bedrag van € 1.500,- en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij (naam 2)) niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft betoogd beide vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk.

De rechtbank overweegt het volgende:

Benadeelde partij (naam 1)

Naar het oordeel van de rechtbank is bij het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam 1) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het voegingsformulier, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 400,- vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij (naam 1) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank merkt in dit verband op dat de vordering weliswaar wordt onderbouwd door een offerte van (xxxx), doch dat uit het dossier niet duidelijk blijkt wat de schade aan de woning is die valt toe te rekenen aan het handelen van verdachte. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank zal aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 400,-; ten behoeve van de benadeelde partij, te weten (naam 1).

Benadeelde partij (naam 2)):

Naar het oordeel van de rechtbank is bij het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan, dat de benadeelde partij (naam 2) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het voegingsformulier, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 150,- vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank zal aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 150,-; ten behoeve van de benadeelde partij, te weten (naam 2).

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 18, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Schadevergoeding

Vordering benadeelde partij (naam 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij (naam 1), toe tot een bedrag van

€ 400,-.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 400,- (zegge: vierhonderd euro) en in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (naam 1) aan de Staat een bedrag te betalen van € 400,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering benadeelde partij (naam 2))

Wijst de vordering van de benadeelde partij (naam 2)), toe tot een bedrag van € 150,-.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro) en in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (naam 2)) aan de Staat een bedrag te betalen van € 150,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter en mrs. F. Koster en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2009.