Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ6351

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
07/410106-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 6 Wegenverkeerswet, art. 5 Wegenverkeerswet bewijs, gemotiveerde vrijspraak. strafmaatmotivering.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.410106-08 (P)

Uitspraak: 25 augustus 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009 waarbij verdachte en zijn raadsvrouw mr P.J. Hellinga, advocate te Zwolle, aanwezig zijn geweest.

DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd (zoals ter terechtzitting gewijzigd) dat:

Primair

Hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdend over de weg, de Beulakerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat motorrijtuig met één of meer wielen in de naast die weg gelegen rechterberm is geraakt en/of vervolgens slippend met dat motorrijtuig met één of meer wielen in de naast die weg gelegen linkerberm is terechtgekomen of geraakt, waarna dat motorrijtuig al slippend of rijdend in het water van het naast die weg gelegen kanaal is geraakt, waardoor een ander (genaamd (naam)) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel B, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

subsidiair

hij op omstreeks 11 oktober 2008, te Giethoorn, althans in de gemeente Steenwijkerland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Beulakerweg, niet voortdurend in staat is geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en/of niet voortdurend zijn motorvoertuig onder controle heeft gehad en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of (daardoor) in de (links van de weg gelegen) grasberm is gereden/geraakt/terecht gekomen en/of (vervolgens) (weer) op de rijbaan is gereden/geslipt/geraakt/terecht gekomen en/of (vervolgens) (weer) in een slip is geraakt en/of (vervolgens) (weer) in de (links van de weg gelegen) grasberm is gereden/geslipt/geraakt/terecht gekomen en/of (vervolgens) (het water van) kanaal Beukers is ingereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

meer subsidiair

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de wegenverkeerswet 1994, 415 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

FORMELE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen verdachte subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemde feiten ten laste is gelegd. Van het primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd nu volgens haar geen sprake is geweest van roekeloos, onoplettend en/of onvoorzichtig rijgedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft willen uitwijken voor een dier, hetgeen niet kan worden aangemerkt als roekeloos, onvoorzichtig of onoplettend gedrag als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.. Evenmin kan het worden aangemerkt als een evidente vorm van hinder of gevaar als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994..

Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vaststaande feiten

Verdachte heeft zich op 11 oktober 2008 te Giethoorn, met (naam) als passagier, op de weg (de Beulakerweg) begeven als bestuurder van een auto, nadat hij in een café een aantal glazen alcohol had genuttigd. Verdachte heeft op enig moment de controle over het voertuig verloren, waarna de auto te water is geraakt in het kanaal Beukers . De verdachte heeft na veel moeite de te water geraakte auto kunnen verlaten. Zijn passagier is niet bij machte geweest het voertuig te verlaten en is verdronken .

De verdere beoordeling

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij plotseling een dier zag oversteken en dat hij getracht heeft dit te ontwijken door naar de linkerweghelft te sturen, waarna hij een aantal keren over de weg is geslipt en uiteindelijk in het water terecht is gekomen. . Hij heeft voorts verklaard dat hij duidelijk kon zien dat er geen sprake was van tegemoetkomend verkeer en dat hij, zou dat wel het geval zijn geweest de betreffende manoeuvre met de auto niet zou hebben uitgevoerd.

De rechtbank zal voor wat betreft de beoordeling van de feiten en omstandigheden uitgaan van hetgeen verdachte daarover heeft verklaard, te meer daar het politieonderzoek geen resultaten heeft opgeleverd die aanleiding geven om van een andere lezing uit te gaan. Hoewel de actie van verdachte ontegenzeglijk zeer dramatische gevolgen heeft gehad en vast staat dat verdachte in de uren voorafgaand aan het ongeval alcohol heeft genuttigd, voert het naar het oordeel van de rechtbank te ver om de dood van verdachtes medepassagier te wijten aan roekeloos, dan wel onvoorzichtig dan wel onoplettend rijdrag van verdachte en daarmee aan diens schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat

de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat de manoeuvre die door verdachte met zijn motorvoertuig is uitgevoerd, een zodanige gedraging is geweest dat gevaar op die weg kon worden veroorzaakt. In de omstandigheid dat verdachte heeft getracht uit te wijken voor een overstekend dier – volgens verdachte een konijn of een kat – kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor verdachtes rijgedrag. Het was de verantwoordelijkheid van verdachte om zijn auto onder controle en op de voor hem bestemde rijstrook te houden. Dat verdachte op de linkerweghelft en in de linkerberm is beland door te handelen zoals hij heeft gedaan, kan hem worden verweten. De enkele omstandigheid dat er ten tijde van die manoeuvre gelukkig geen sprake was van tegemoetkomend verkeer, doet daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem subsidiair ten laste is gelegd.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen subsidiair ten laste is gelegd met dien verstande dat:

Hij op 11 oktober 2008 te Giethoorn, althans in de gemeente Steenwijkerland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Beulakerweg, niet voortdurend in staat is geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en niet voortdurend zijn motorvoertuig onder controle heeft gehad en de macht over het stuur heeft verloren en (daardoor) in de (links van de weg gelegen) grasberm is geraakt en (vervolgens) (weer) op de rijbaan is geraakt en (vervolgens) (weer) in een slip is geraakt en (vervolgens) (weer) in de (links van de weg gelegen) grasberm is geraakt en (vervolgens) (het water van) kanaal Beukers is ingereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 177, eerste lid en artikel 178, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar voor wat te zijnen laste bewezen is verklaard.

DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes heeft de veroordeling van verdachte gevorderd ter zake van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde tot een taakstraf, te weten een werkstraf, voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van het totaal aantal dagen dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest, tot aan de dag van de uitspraak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit primair geen nadere stafoplegging. Indien de rechtbank besluit een straf op te leggen bepleit de raadsvrouw een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 2 jaren.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is van oordeel dat naast een passende werkstraf, een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is nu verdachte, door zijn stuurmanoeuvre de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf betrekt de rechtbank dat het ongeval een dodelijk afloop heeft gehad. De duur van de op te leggen rij-ontzegging is mede ingegeven door de tijd waarin het rijbewijs krachtens artikel 164 van de Wegenverkeerswet ingevorderd is geweest. Deze tijd is zo lang geweest, omdat verdachte zijn rijbewijs niet na zes maanden ten parkette heeft afgehaald.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend blanco uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juni 2009.

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf, tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 40 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 10 maanden.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2009.