Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ5712

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
07/400219-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

cocaïne in gebitsafdrukken, voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400219-06

Uitspraak: 25 juni 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006, 8 mei 2007, 2 augustus 2007, 1 april 2008 en 11 juni 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. H.J. Timmer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorlopige hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de postpakketten die eerder op het adres van verdachte zijn afgeleverd

cocaïne hebben bevat.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte eveneens van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en haar partner geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, hadden om de aangetroffen cocaïne in te voeren in Nederland. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen omdat verdachte op het moment dat het pakket in Nederland arriveerde in Colombia verbeef.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij uitspraak van heden is de partner van verdachte veroordeeld terzake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar partner.

Gebleken is dat verdachte heeft ingestemd met de toezending van de pakketten door haar broer vanuit Colombia. Verder heeft verdachte telefoontjes gepleegd met haar broer betreffende de verzending van de pakketten naar haar woonadres en telefoongesprekken tussen haar broer en haar partner overgenomen in verband met taalproblemen. Daarmee is verdachte een essentiële schakel in de communicatie tussen haar broer en haar partner geweest.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte en haar partner er niet op mochten vertrouwen dat er met de verzonden pakketten niets aan de hand was.

De verklaring die de broer van verdachte aan hen zou hebben gegeven voor het verzenden van de pakketten, namelijk dat de gebitsafdrukken in Colombia goedkoper waren en dat de pakketten niet rechtstreeks naar de universiteit verzonden konden worden omdat studenten daar geen vast adres hebben, had verdachte ongeloofwaardig kunnen achten. Dit te meer omdat het een feit van algemene bekendheid is dat landen in Midden- en Zuid-Amerika als bronlanden van cocaïne kunnen worden beschouwd en dat vanuit die landen veelvuldig cocaïne wordt gesmokkeld naar onder meer Nederland. De verklaring van verdachte en haar partner dat zij veronderstelden dat de pakketten door de douane en de (xxx)goed waren gecontroleerd acht de rechtbank onvoldoende.

Gelet op het voorgaande heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar partner een uit het buitenland afkomstig postpakket in ontvangst nam waarin zich drugs bevonden.

De omstandigheid dat verdachte op het moment van de aflevering van het betreffende postpakket in Colombia verbleef staat niet in de weg aan een bewezenverklaring dat zij tezamen en in vereniging met anderen de bewezenverklaarde handeling heeft verricht.

Gelet op het voorgaande worden de verweren verworpen.

De raadsman heeft verder betoogd dat ten aanzien van feit 1 geen sprake is van een voltooid delict.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat het pakket inhoudende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland is gebracht en dat de partner van verdachte dit pakket in ontvangst wilde nemen en hiervoor ook heeft getekend.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat onvoldoende is geprobeerd om te achterhalen of het bewuste postpakket vanuit Panama door een zekere (naam) is verzonden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier vast dat talloze -vruchteloze- pogingen zijn ondernomen om deze (naam) te achterhalen. Blijkens het proces-verbaal van de liaison-officer d.d. 29 januari 2009 heeft het geen enkele zin om de Panamese autoriteiten om verdere onderzoekshandelingen te verzoeken omdat daar naar alle waarschijnlijkheid geen gevolg aan gegeven zal worden. De rechtbank overweegt dat, wat hiervan ook zij, dit niet kan afdoen aan de bewezenverklaring van onderhavig feit.

Dit geldt evenzeer voor het door de raadsman gestelde gebrek aan onderzoekshandelingen in de richting van personen in Nederland die ook in beeld zijn gekomen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 14 augustus 2006 in de gemeente Zwolle en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet ongeveer 8 kilogram materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een postpakket, afkomstig uit Panama, waarin zich wassen gebitsafdrukken of wassen gebitsafvormingen bevonden, in welke gebitsafdrukken of -afvormingen cocaïne was verpakt of geborgen, dat aan haar mededader was geadresseerd en op het woonadres in Zwolle werd afgeleverd, in ontvangst genomen,

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. In dit geval betrof het een grote hoeveelheid van bijna 8 kilogram cocaïne die met medewerking van verdachte Nederland is binnengebracht. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat het opsporingsonderzoek zeer lang heeft geduurd en het onderzoek in het buitenland weinig resultaat heeft opgeleverd. Bovendien laat de rechtbank wegen dat er sprake is van een groot tijdsverloop tussen het bewezen verklaarde feit en onderhavige uitspraak. Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank ziet in de geschetste omstandigheden aanleiding om thans een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die is doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank uit het oogpunt van generale preventie, een voorwaardelijke vrijheidstraf opleggen. Verder ziet de rechtbank aanleiding om de maximale werkstraf op te leggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 april 2009;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 619 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. R.A.M. Elbers en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2009.

Mrs. R.A.M. Elbers en A.J. Louter voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.