Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ5681

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
07/630433-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

noodweer - noodweerexces - aannemelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 630433-08 (P)

Uitspraak: 20 augustus 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren in (geboortejaar),

thans verblijvende in de (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bos, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. S.T.C. van der Werf.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 oktober 2008, in ieder geval in of omstreeks de periode van 13 oktober 2008 tot en met 16 oktober 2008 in de gemeente Zwolle opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, die (slachtoffer) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de keel/hals en/of de borst en/of rug en/of elders in het lichaam gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de voorbedachten rade en daarmee tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde in na te melden zin bewezen kan worden verklaard.

De hierna volgende bewezenverklaring steunt op het volgende bewijs:

De verdachte heeft ter terechtzitting van 6 augustus 2009 onder meer verklaard:

Ik heb in de nacht van maandag 13 oktober op dinsdag 14 oktober 2008, het was inmiddels de vroege ochtend van 14 oktober 2008, mijn broer (slachtoffer) in de badkamer van zijn woning aan de (adres) te Zwolle met een mes doodgestoken. Ik kan mij herinneren dat ik (slachtoffer)tweemaal met het mes heb gestoken. Ik weet dat er in totaal vierendertig messteken in het lichaam van (slachtoffer)zijn aangetroffen. Ik moet wel de persoon zijn die ook die andere tweeëndertig messteken heeft toegebracht.

Op donderdag 16 oktober 2008 is door de technische recherche een onderzoek ingesteld naar aanleiding van moord c.q. doodslag gepleegd in de woning aan de (adres) te Zwolle. Op donderdag 16 oktober 2008 omstreeks 15.52 uur werd bij het Meld- en Infocentrum van de politie IJsselland melding gedaan, dat de bewoner van de (adres) te Zwolle dood en onder het bloed was aangetroffen. De melding werd gedaan door de buren. Zij hadden het slachtoffer al drie dagen niet gezien. Het slachtoffer werd in de douche aangetroffen. Op 16 oktober 2008 heeft de technische recherche het lichaam van het slachtoffer geschouwd in de woning. Het slachtoffer lag geheel gekleed op zijn rug in de douche/wc ruimte en er waren meerdere steekwonden zichtbaar. Er was te zien dat het slachtoffer meerdere verwondingen in de halsstreek had en verder waren er zogenaamde steekgaten in het overhemd van het slachtoffer.

Het slachtoffer bleek genaamd te zijn:

(slachtoffer), ingeschreven op het adres (adres) te Zwolle.

Op 17 oktober 2008 is door de arts en patholoog dr. (naam) in- en uitwendige schouwing gedaan aan het lichaam van (slachtoffer), dood aangetroffen aan de (adres) te Zwolle op 16 oktober 2008 omstreeks 16.00 uur.

Daarbij is het volgende gebleken:

In totaal 34 scherprandige huidperforaties met onderhuidse bloeduitstortingen (aan de hals, nek, romp, ledematen, hoofd). De langst gemeten letsels waren 3,5 cm. De diepst gemeten steekkanaallengte was 11,5 cm.

Er was onder andere perforatie van de rechter sleutelbeenader, de grote lichaamsslagader, de rechter hartboezem, de rechterlong, de longader, de linkerlong, beide halsslagaders, de linkerhalsader, klieving van het strottenhoofd en de luchtpijp.

De letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld opgeleverd kan worden door een mes. Deze letsels gingen gepaard met onder andere klieving van meerdere slagaders en aders, de grote lichaamsslagader en de rechter hartboezem, samengevallen linkerlong en uitgebreid bloedverlies. Er waren tekenen van verbloeding.

Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de hierdoor opgetreden verbloeding in combinatie met weefselschade van vitale organen en inademing van bloed.

Daarbij wordt geconcludeerd:

De postmortale veranderingen passen bij een postmortale tijd van bijvoorbeeld één tot enkele dagen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 14 oktober 2008 in de gemeente Zwolle opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die (slachtoffer) meermalen met een mes in de keel/hals en de borst en rug en elders in het lichaam gestoken en gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier heeft geconcludeerd dat het feit en de verdachte strafbaar zijn en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft – primair – een beroep gedaan op noodweer en daartoe aangevoerd, dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte de grenzen van de noodzakelijk verdediging heeft overschreden, heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces, en daartoe aangevoerd dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt:

Feitelijke toedracht

Verdachte heeft tijdens het voorbereidend onderzoek meermalen – hoewel in details verschillend, in grote lijnen consistent – over de feitelijke toedracht verklaard. Verdachtes verklaringen, zoals bijvoorbeeld afgelegd tijdens het politieverhoor op 3 november 2008, tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 4 november 2008, tijdens de reconstructie op 15 december 2008, maar ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting, komen op het volgende neer:

Nadat het bezoek de woning had verlaten, heeft verdachte in de desbetreffende nacht ruzie gekregen met het slachtoffer. Zoals altijd ging die ruzie over de familie en de erfenis. Het slachtoffer begon verdachte uit te schelden en gaf hem er de schuld van dat de erfenis niet geregeld was. Het slachtoffer gaf ook aan dat hij naar zijn broer (naam) in Amsterdam wilde om zijn geld te halen. Verdachte zei dat hij daar niets mee te maken had en dat het slachtoffer naar Marokko moest gaan, als hij zijn geld wilde hebben. Het slachtoffer werd steeds bozer. Hij had bier en jenever gedronken, hasj gerookt en medicijnen gebruikt. Toen verdachte vervolgens de woning wilde verlaten, ging hij naar de badkamer om zijn toilettas met scheerspullen te pakken. De toilettas stond op de grond. Verdachte bukte zich om de toilettas te pakken. Toen hij zich met de toilettas in zijn hand weer omdraaide, sloeg het slachtoffer de toilettas uit zijn hand, waardoor alles over de vloer ging. Verdachte zag toen dat het slachtoffer een mes in zijn hand

had, dat op hem was gericht. Het slachtoffer stond op ongeveer 20 cm. afstand van verdachte. Het slachtoffer zei: “Je gaat in een doos naar Marokko.” Daarmee werd een lijkkist bedoeld. Het slachtoffer zei daarna: “Dan ga ik naar Amsterdam en dan gaat (naam) ook in een doodskist naar Marokko.” Verdachte probeerde het slachtoffer te kalmeren, maar op dat moment was het mes enkele millimeters van zijn keel verwijderd. De ogen van het slachtoffer stonden wijd open, alsof hij gek was of hondsdol. Volgens verdachte was het slachtoffer op dat moment zijn verstand kwijt. Verdachte concentreerde zich toen op het mes. Hij pakte zo snel hij kon met twee handen de hand van het slachtoffer waar het mes in zat. Het mes viel uiteindelijk in de wasbak. Er volgde een korte worsteling, waarbij verdachte het slachtoffer van zich af duwde. Verdachte pakte vervolgens het mes om het slachtoffer af te schrikken. Niettemin stormde het slachtoffer als een beest op verdachte af. Daarop heeft verdachte het slachtoffer in de linker schouder gestoken, om hem te waarschuwen en hem pijn te doen. Het slachtoffer kwam opnieuw op verdachte af. Toen heeft verdachte hem nogmaals in zijn romp gestoken.

Verdachte dacht dat het slachtoffer hem zou doden als hij het mes te pakken zou krijgen. Vanaf de tweede steek zegt verdachte zich niets meer te kunnen herinneren. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij zich nog kan herinneren dat het slachtoffer langzaam met zijn rug tegen de muur viel, dat hij nog twee keer in het Berber “broer” heeft gezegd en dat verdachte hem – nadat zijn geest blanco was geweest – na een tijd op de vloer heeft zien liggen. Hij heeft toen nog één keer gekeken omdat hij dacht dat het slachtoffer weer zou opstaan. Vervolgens heeft verdachte zijn handen gewassen en ook het mes afgewassen. Daarna heeft hij een tijd op de bank gezeten en ook nog gelegen.

De volgende morgen heeft verdachte zijn spullen gepakt en is hij met de trein naar Amsterdam vertrokken.

De officier van justitie heeft zich in haar requisitoir op het standpunt gesteld dat de lezing van verdachte niet door feiten en omstandigheden wordt gestaafd en dat op basis van het aanwezige bewijsmateriaal een andere gang van zaken even zo goed mogelijk is geweest.

De officier van justitie legt hierbij echter een te zware maatstaf aan. Een verdachte behoeft bij een beroep op noodweer(exces) niet door feiten of omstandigheden te bewijzen, dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Het is voldoende dat verdachte de noodweersituatie aannemelijk weet te maken.

De rechtbank acht de door verdachte gegeven lezing geenszins uitgesloten en is van oordeel dat verdachte de door hem beschreven toedracht voldoende aannemelijk heeft weten te maken. Zij zal voor wat betreft de beoordeling van de feiten en omstandigheden dan ook uitgaan van hetgeen verdachte daarover heeft verklaard. Er zijn geen andere personen bij de steekpartij aanwezig geweest, zodat er zich geen getuigenverklaringen in het dossier bevinden, die een ander licht op de zaak werpen. Daarnaast sluit de lezing van verdachte aan bij de uitkomsten van het technisch onderzoek en zijn uit dat technisch onderzoek geen aanwijzingen voortgekomen, die tot de conclusie moeten leiden dat de feitelijke toedracht anders is geweest dan wat verdachte daarover heeft verklaard. Ook de gedragingen van verdachte in de dagen na de steekpartij dwingen er naar het oordeel van de rechtbank niet toe om van een andere feitelijke toedracht uit te gaan.

Hoewel de officier van justitie op basis van het aanwezige bewijsmateriaal een andere toedracht evenmin uitgesloten acht, heeft zij een alternatief scenario niet met feiten en omstandigheden onderbouwd om aldus de aannemelijkheid van het verhaal van verdachte weg te nemen.

Noodweer

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gegeven feiten en omstandigheden een noodweersituatie opleveren als bedoeld in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Een noodweersituatie is aanwezig indien er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht op – voor zover hier van belang – het leven of het lichaam van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat hier van een dergelijke noodweersituatie sprake is geweest. Het slachtoffer heeft verdachte eerst met een mes bedreigd en heeft verdachte – nadat het mes was afgepakt – op zeer agressieve wijze lijfelijk aangevallen. Dit speelde zich af in een kleine badkamer, waarbij het slachtoffer in de deuropening stond en de uitgang voor verdachte versperde.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is echter nodig dat de verdediging noodzakelijk en geboden was. De verdediging dient – met andere woorden – binnen de grenzen van proportionalialiteit en subsidiariteit te blijven.

Omdat verdachte zelf net door het slachtoffer met het mes was bedreigd, kan aanvaard worden dat verdachte op zijn beurt door bedreiging met het mes heeft geprobeerd het slachtoffer op afstand te houden en – toen dat niet genoeg was en het slachtoffer op hem af bleef komen – daarmee enkele steken heeft toegebracht. Met het toebrengen van 34 steken, voornamelijk op levensbedreigende plaatsen op het lichaam, is verdachte echter de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit verre te buiten gegaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met het toebrengen van 34 steken verder is gegaan dan wat geboden was ter noodzakelijke verdediging.

Noodweerexces

Deze overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit kan verdachte strafrechtelijk niet worden verweten, indien:

a) de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot – voor zover in deze zaak van belang – verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b) op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a) bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank acht aannemelijk dat de gedragingen van verdachte het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging, als gevolg van de dreigende aanranding door het slachtoffer op het lichaam van verdachte. Ondanks de aanwezigheid van het mes in handen van verdachte, bleef het slachtoffer op zeer agressieve wijze op hem afkomen; dit in een zeer kleine badkamer, waarbij het slachtoffer de uitgang voor verdachte versperde. Het mes bleef daarbij ook binnen bereik van het slachtoffer – mede gezien de kleine oppervlakte van de ruimte waar alles zich afspeelde en waaruit verdachte niet kon ontvluchten -, terwijl het slachtoffer verdachte kort daarvoor met datzelfde mes al had bedreigd. Het toedienen van een enkele messteek had het slachtoffer niet kunnen afstoppen. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte onder de gegeven omstandigheden – zoals hij zelf ook heeft verklaard – heeft gemeend geen keus te hebben en dat het een kwestie was van “hij of ik”. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte in doodsnood ettelijke keren heeft gestoken.

Voor zover verdachte ook nog steken heeft toegebracht, terwijl het slachtoffer door de vele messteken al in een toestand verkeerde waarop er voor verdachte al lang geen noodzaak tot verdediging meer bestond, gaat de rechtbank er vanuit dat deze ook nog het gevolg zijn geweest van de hevige gemoedsbeweging waarin verdachte door de voorafgaande aanranding door het slachtoffer was komen te verkeren.

De rechtbank aanvaardt het beroep op noodweerexces. Ingevolge artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank verdachte daarom niet strafbaar en zal zij hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

BENADEELDE PARTIJEN

De vorderingen van de benadeelde partijen(naam 1), (naam 2), (naam 3) en(naam 4) dienen, omdat de verdachte terzake van het feit als gevolg waarvan de benadeelde partijen schade zouden hebben geleden op grond van noodweerexces zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, niet -ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De verdachte is niet strafbaar.

De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen (naam 1), (naam 2), (naam 3) en(naam 4) in hun vorderingen niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en A.P. de Jong-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van A. Samson als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2009.