Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ5130

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
156122 - HA ZA 09-462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Vrouw betrekt 12 juni 2005 een wisselwoning. Scheiding 12 september 2005. Eerdere toewijzing uitgesteld, waarop een nieuwe huurovereenkomst per juli 2007, in welk kader de vrouw een verhuisvergoeding ontvangt. Vrouw wil nu helft van die vergoeding.

Dat lukt niet, want de aanspraak op de verbruikersvergoeding is pas na de echtscheiding ontstaan en valt dus buiten de boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 156122 / HA ZA 09-462

Vonnis van 10 juni 2009

in de zaak van

[eiser]

wonende te Oud Turnhout,

eiser,

advocaat mr. H.W. Bongers,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F. Vortman.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 24 maart 2009 van de kantonrechter tot verwijzing van de zaak naar de sector civiel.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten en het geschil

2.1. Op 27 juni 2005 heeft [gedaagde] vanwege sloop/nieuwbouw van de huurwoning van partijen aan de [adres] te [woonplaats] een huurovereenkomst ondertekend voor een (tijdelijke) wisselwoning van de woningbouwvereniging, welke woning zij hangende de echtscheidingsprocedure van partijen, zonder [eiser], is gaan bewonen.

Partijen zijn op 21 september 2005 gescheiden. Zij waren gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2. In de aanvullende bepalingen bij de huurovereenkomst die [gedaagde] met de woningbouwvereniging is aangegaan, staat dat ‘de huurders, zoals omschreven in het Sociaal Plan, na ondertekening van het definitieve huurcontract, de vastgestelde verhuiskostenvergoeding ontvangen.’

2.3. [gedaagde] heeft de huurovereenkomst van de wisselwoning in juli 2007 opgezegd en heeft bij brief van 20 juli 2007 van de woningbouwvereniging formulieren ontvangen voor het aanvragen van de verhuiskostenvergoeding. Zij is een nieuw huurcontract aangegaan voor de woning [adres] te [woonplaats]. Vervolgens is de verhuiskostenvergoeding aan [gedaagde] uitbetaald.

2.4. Het bezwaar van [eiser] tegen uitbetaling door de woningbouwvereniging van de volledige, niet-gesplitste verhuiskostenvergoeding aan [gedaagde] is door de geschillencommissie van de woningbouwvereniging ongegrond verklaard. Daarbij is, kort weergegeven, in ogenschouw genomen dat de woningbouwvereniging in april 2005 expliciet had aangegeven dat slechts [gedaagde] en niet [eiser] - vanwege het louter op [gedaagde] van toepassing zijnde Sociaal Plan en haar ondertekening van het contract voor het betrekken van een wisselwoning (als voortzetter van het huurcontract) - aanspraak maakte op de verhuiskostenvergoeding en dat partijen in het kader van hun echtscheiding desgewenst zelf een verdeling van de verhuiskostenvergoeding dienden te regelen.

2.5. [eiser] vordert samengevat - vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen, in die zin dat aan ieder van partijen worden toegedeeld de vermogensbestanddelen waarover hij/zij feitelijk reeds beschikt en dat [gedaagde] wegens overbedeling wordt veroordeeld tot betaling aan hem van EUR 2.634,50, vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] is overbedeeld, aldus [eiser], omdat zij ten onrechte de gehele verhuiskostenvergoeding (na aftrek kosten) ad EUR 5.269,= heeft behouden na het voorafgaand vertrek van partijen uit hun gezamenlijke huurwoning aan de [adres], terwijl partijen, aldus [eiser], in het voetspoor van en passend bij hun overige afspraken waren overeengekomen dat zij de vergoeding bij helfte zouden delen.

Daar komt bij dat [gedaagde], aldus [eiser], niet alleen tegenover hem maar ook jegens de advocaat van [eiser], mondeling deze afspraak heeft erkend.

2.6. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiser] voor zover het betreft de verdeling bij helfte van de verhuiskostenvergoeding. Zij betwist dat partijen de afspraak hebben gemaakt de verhuiskostenvergoeding te zullen delen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Het geschil tussen partijen betreft, gelet op het verweer van [gedaagde], uitsluitend de aan [gedaagde] uitgekeerde verhuiskostenvergoeding.

3.2. Uit de onder de feiten weergegeven gang van zaken blijkt dat

- [gedaagde] de huurovereenkomst met de woningbouwvereniging heeft voortgezet na het voornemen van de woningbouwvereniging tot sloop/nieuwbouw van de oorspronkelijke huurwoning van partijen doordat zij een contract voor het bewonen van een wisselwoning is aangegaan,

- [eiser] geen aanspraak kon/kan maken jegens de woningbouwvereniging tot uitbetaling van (de helft van) de verhuiskostenvergoeding, aangezien [eiser] niet aan de daarvoor door de woningbouwvereniging gestelde formele vereisten voldeed,

- [eiser] evenmin door (een medewerker van) de woningbouwvereniging (mondeling) de toezegging is gedaan dat uitbetaling van de verhuiskostenvergoeding gesplitst zou plaatsvinden,

- volgens de woningbouwvereniging partijen een verdeling van de verhuiskostenvergoeding desgewenst zelf dienden te regelen,

- uitbetaling van de verhuiskostenvergoeding door de woningbouwvereniging blijkens de hiervoor geciteerde aanvullende bepalingen afhankelijk is gemaakt van de omstandigheid of de huurder van de wisselwoning een definitief huurcontract met de woningbouwvereniging aanging.

3.3. Vaststaat dat [gedaagde] in vervolg op haar huurcontract van de wisselwoning medio 2007 opnieuw een (definitief) huurcontract met de woningbouwvereniging is aangegaan, thans voor de woning [adres] te [woonplaats].

Dat betekent - in het licht van bovengenoemde passage in 2.2 - dat haar aanspraak op de verhuiskostenvergoeding twee jaar ná de echtscheiding van partijen is ontstaan en aldus buiten de boedelverdeling valt. Daarmee komt ook de vergoeding zelf niet in aanmerking voor verdeling bij helfte tussen partijen.

3.4. Dat laatste zou slechts anders zijn indien [eiser] genoegzaam stelt, en bij betwisting door [gedaagde] bewijst, dat [gedaagde] al dan niet voorafgaand aan de echtscheiding van partijen de (mondelinge) overeenkomst met [eiser] is aangegaan om de vergoeding (alsnog) bij helfte tussen partijen te delen.

3.5. [gedaagde] betwist dat zij een dergelijke toezegging heeft gedaan.

3.6. Aan de stellingen van [eiser], waaronder die van zijn advocaat die stelt dat hij getuige is geweest van de erkenning van die afspraak door [gedaagde], moet worden voorbijgegaan, reeds daarom omdat [eiser], die de bewijslast draagt, geen bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden.

3.7. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

stelt de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aldus vast:

4.1. deelt toe aan ieder van partijen de vermogensbestanddelen waarover hij/zij feitelijk reeds beschikt,

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2009.