Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ4979

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
07/400304-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WvW, bewijs, geheel van omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400304-08

Uitspraak: 28 juli 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

[geboorteplaats],

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2009 waarbij de verdachte en zijn raadsvrouw mr J.H. Rump, advocaat te Zwolle, aanwezig zijn geweest.

De officier van justitie, mr. D. van den Berg, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat bij verdachte geen sprake is van schuld, als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat slechts sprake is geweest van één verkeersfout; verdachte heeft in een moment van onoplettendheid een rood verkeerslicht niet gezien. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte van het primair tenlastegelegde vrij te spreken. Het subsidiair tenlastegelegde kan volgens haar wel bewezen worden.

Met betrekking tot het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft met zijn auto, de maximum toegestane snelheid rijdend (70 km/uur), een voor hem bekende route gereden. Zoals verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard was hij bekend met het feit dat op de kruising waar het verkeersongeval heeft plaatsgevonden verkeerslichten staan. De verkeerslichten waren echter, aldus zijn verklaring ter terechtzitting, door bomen aan zijn zicht ontrokken. Op een zeker moment heeft verdachte zijn radio bijgesteld. Na deze handeling heeft verdachte opgekeken en geconstateerd dat hij de verkeerslichten was gepasseerd en vervolgens dat hij het slachtoffer van links niet meer kon ontwijken. Verdachte heeft verklaard, dat hij heeft geprobeerd het slachtoffer te ontwijken, maar dat er toch een aanrijding heeft plaatsgevonden. Blijkens verklaringen van andere weggebruikers heeft verdachte een rood verkeerslicht genegeerd. Blijkens de verklaring van het slachtoffer en de zich in het dossier bevindende letselverklaring heeft het slachtoffer een gebroken sleutelbeen en schaafwonden aan het ongeval overgehouden.

Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Verdachte wist dat hij een kruising naderde en dat daar verkeerslichten staan. De omstandigheid dat de verkeerslichten door de aanwezigheid van bomen aan zijn zicht waren onttrokken had de alertheid van verdachte moeten verhogen. In plaats daarvan heeft verdachte de kruising met onverminderde snelheid genaderd en heeft hij zijn radio bijgesteld. Verdachte had het rode verkeerslicht én het slachtoffer tijdig kunnen en moeten opmerken en had daarop moeten anticiperen. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Hij op 28 augustus 2008 in de gemeente Zwolle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdend over de weg, Nieuwleusenerdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, rijdend in zijn motorrijtuig met een snelheid van (ongeveer) 70 kilometer per uur en gekomen nabij de kruising met de weg, Hermelenweg, een in zijn rijrichting rood uitstralend verkeerslicht genegeerd en is(vervolgens) met een snelheid van (ongeveer) 70 kilometer per uur, althans met onverminderde snelheid, tegen een – zich op het kruisingsvlak bevindende – medeweggebruiker gebotst, waardoor een ander (genaamd [X]) zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

strafbaar gesteld bij artikel 175 lid 1 sub b juncto 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend blanco uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 juni 2009;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 22c, 22d van het Wetboek van strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 40 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 6 maanden.

De ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mrs. Ch.A.M. Heeregrave en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2009.

Mr. F.E.J. Goffin was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.