Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ4332

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
448292 HA 09-258, 448963 HA 09-273 en 451987 VV 09-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaken. Ontbinding en loonvordering in kort geding. De kantonrechter komt tot de conclusie dat werkgever voor een opzegging een ontslagvergunning nodig had omdat de Nederlandse arbeidsmarkt weldegelijk betrokken is bij de beëindiging van de arbeidsrelatie van partijen. De opzegging daarvan tegen 1 juni 2009 komt daardoor geen effect toe, met als gevolg dat werkgever gehouden is om na 1 juni 2009 werknemers loon door te betalen. Voorts wordt op verzoek van werknemer onvoorwaardelijk ontbonden en niet voorwaardelijk zoals werkgever voorstaat. Gezien de bedrijfseconomische omstandigheden en - inmiddels - de verstoring van de arbeidsrelatie wordt een vergoeding bepaald op basis van een neutrale kantonrechtersformule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 451987 VV 09-81

datum : 22 juni 2009

Vonnis in het kort geding van:

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna werknemer te noemen,

gemachtigde mr. A.A. Camonier

tegen

de besloten vennootschap [WERKGEEFSTER] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde partij, hierna werkgeefster te noemen

gemachtigde mr. B.C.L. Kanen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding met producties

De zaak is op 8 juni 2009 behandeld, gelijktijdig met de door werknemer respectievelijk werkgeefster ingediende verzoeken tot respectievelijk onvoorwaardelijke en voorwaardelijke ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

Verschenen zijn:

-werknemer, bijgestaan door mr. Camonier en vergezeld door mevr. E.J. Blom, tolk Engels

-werkgeefster, vertegenwoordigd door [X] (General Manager), en bijgestaan door

mr. Kanen en vergezeld door R.R. Getrouw, tolk Engels.

Het geschil

Werknemer heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) werkgeefster gebiedt de reguliere salarisbetalingen van werknemer, inclusief overige emolumenten, te continueren vanaf 1 juni 2009 tot de dag waarop de salarisbetalingen van werkgeefster jegens werknemer zullen eindigen vanwege een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2) werkgeefster veroordeelt in de kosten van het geding.

Werkgeefster heeft verweer gevoerd

De beoordeling

1.

Voor wat betreft de vaststaande feiten wordt kortheidshalve verwezen naar de vaststaande feiten zoals deze staan opgenomen onder het kopje “De vaststaande feiten” in de heden door de kantonrechter gewezen beschikking in voormelde ontbindingzaken, waarvan een afschrift aan dit vonnis is gehecht. Aan die vaststaande feiten wordt toegevoegd dat werkgeefster vanaf 1 juni 2009 weigert het salaris ca. van werknemer te betalen.

2.

Werknemer heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat werkgeefster gehouden is zijn salaris ca. vanaf 1 juni 2009 door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze beëindigd zal zijn. Volgens hem had werkgeefster voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst de voorafgaande toestemming van het UWV Werkbedrijf nodig en is die opzegging door hem dan ook terecht vernietigd. Daardoor heeft die opzegging rechtens geen effect en duurt de arbeidsovereenkomst dan ook nog voort. Volgens werknemer zijn bij de beëindiging van der partijen arbeidsovereenkomst de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt in voldoende mate betrokken.

3.

Werkgeefster heeft ten verwere aangevoerd dat, nu zij de arbeidsovereenkomst op 30 maart 2009 heeft opgezegd tegen 1 juni 2009, die overeenkomst per 1 juni is beëindigd en zij vanaf die datum dan ook niet langer gehouden is tot loonbetaling. Voorts heeft zij betwist dat werknemer een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat partijen het er over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst beëindigd zal moeten worden en werkgeefster in het kader van de verzochte voorwaardelijke ontbinding heeft aangeboden een vergoeding van € 15.423,00 te betalen, zodat niet te verwachten is dat werknemer betalingsproblemen zal krijgen.

4.

Voor de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding, zoals in casu de onderhavige loonvordering, dient onderzocht te worden of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is en voorts of er een spoedeisend belang bestaat, terwijl bij de afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico betrokken zal moeten worden.

5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer, gelet op de aard van de vordering –een vordering tot betaling van loon-, voldoende spoedeisend belang daarbij. Het door werkgeefster gevoerde verweer daartegen houdt geen stand. Gelet op de in de ontbindingsbeschikking van heden aan partijen gegeven mogelijkheid om hun respectieve verzoeken in te trekken en in aanmerking nemende het door werkgeefster ingenomen standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2009 is beëindigd, is het immers nog onzeker of werknemer daadwerkelijk een vergoeding zal worden uitbetaald.

6.

Voorts heeft werkgeefster geen beroep gedaan op een mogelijk restitutierisico. Dit hoeft dan ook niet aan toewijzing van de vordering in de weg te staan.

7.

De vraag die resteert is of het voorshands voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat werknemer terecht aanspraak maakt op doorbetaling van zijn salaris. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgeefster tegen 1 juni 2009 zonder voorafgaande toestemming van het UWV Werkbedrijf al dan niet rechtsgeldig is. Bij de beoordeling van laatst gemelde vraag is het uitgangspunt dat in de bodemprocedure werkgeefster zal moeten stellen en zo, nodig bewijzen, feiten en omstandigheden waaruit volgt dat voorafgaande toestemming van het UWV Werkbedrijf voor de opzegging niet vereist was.

8.

Gelet op hetgeen de kantonrechter in zijn ontbindingsbeschikking van heden in rechtsoverweging 2.6 heeft overwogen, wordt voorshands de kans dat de bodemrechter mee zal gaan in het door werkgeefster gevoerde betoog dat de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt in onvoldoende mate betrokken zijn bij de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en dat voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst dan ook geen toestemming van het UWV Werkbedrijf nodig is, zodanig gering geacht dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering van werknemer tot doorbetaling van zijn loon zal toewijzen. De onderhavige vordering van werknemer zal dan ook worden toegewezen.

9.

Werkgeefster zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt werkgeefster tot betaling aan werknemer van zijn maandelijkse salaris, inclusief overige emolumenten, vanaf 1 juni 2009 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

- veroordeelt werkgeefster in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van werknemer begroot op:

€ 85,98 voor explootkosten

€ 110,00 voor griffierecht

€ 400,00 voor salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

=========================================================================

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr. : 448292 Ha Verz 09-258 en 448963 Ha Verz 09-273

datum: 22 juni 2009

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij, verder te noemen werknemer,

gemachtigde mr. A.A. Camonier, advocaat te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap [WERKGEEFSTER] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verwerende partij, verder te noemen werkgeefster,

gemachtigde mr. B.C.L. Kanen, advocaat te Amsterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- een verzoekschrift van werknemer ex artikel 7: 685 lid 1 BW

- een verweerschrift van werkgeefster en de buitenlandse vennootschap [werkgeefster] Ltd.

- een verzoekschrift van werkgeefster, houdende een verzoek harerzijds ex artikel 7:685 lid 1 BW

- een schrijven van 5 juni 2009 van mr. Camonier, houdende de producties 17 tot en met

22 van werknemer.

De mondelinge behandeling is gehouden op 8 juni 2009. De respectieve door werknemer en werkgeefster ingediende verzoekschriften zijn gevoegd behandeld. Gelijktijdig is behandeld een door werknemer tegen werkgeefster (onder zaaknummer 451987 VV 09-81) aanhangig gemaakt kort geding, strekkende tot doorbetaling van zijn loon vanaf 1 juni 2009 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

Verschenen zijn:

- werknemer, bijgestaan door mr. Camonier en vergezegd door een tolk Engels, mevr. E.J. Blom;

- werkgeefster, vertegenwoordigd door [X] (General Manager), bijgestaan

door mr. Kanen en vergezeld door een tolk Engels, de heer R.R. Getrouw.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft werknemer zijn verzoekschrift, voor zover gericht tegen de buitenlandse vennootschap [werkgeefster] Ltd., ingetrokken.

Het geschil

Werknemer heeft verzocht dat de tussen hem en werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit verandering van de omstandigheden, die tot gevolg hebben dat aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting niet van werknemer kan worden gevergd, (onvoorwaardelijk) wordt ontbonden, onder toekenning aan hem van een vergoeding van € 150.000,00 bruto, met veroordeling van werkgeefster in de proceskosten.

Werkgeefster heeft verweer gevoerd.

Werkgeefster heeft harerzijds verzocht dat de tussen haar en werknemer bestaande arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, te weten voor het geval dat in rechte onherroepelijk is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet door de opzegging van 30 maart 2009 met ingang van 1 juni 2009 is beëindigd, wordt ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van € 15.423,00 bruto aan werknemer, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist –mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties- het volgende vast:

1.1

Werknemer, geboren op [datum] en van de Canadese nationaliteit, is op [datum] bij [werkgeefster] Ltd., gevestigd in [vestigingsplaats], Canada, in dienst getreden als Export Coödinator. [werkgeefster] Ltd. behoort net als werkgeefster tot het [werkgeefster] concern, waarvan [X] de eigenaar en de algemeen directeur is.

1.2

Per 1 augustus 2002 is werknemer in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van European Sales Manager. In 2006 is werknemer bij werkgeefster de functie van Director Sales Europe gaan uitoefenen. Als zodanig was hij laatstelijk werkzaam tegen een bruto salaris van € 8.500,00 per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Ook kan werknemer jaarlijks in beginsel aanspraak maken op een bonus.

1.3

Medio december 2007 is werknemer wegens ziekte (bij hem was een hersentumor ontdekt) uitgevallen. Op 31 maart 2008 is gestart met de reïntegratie. Per 9 januari 2009 is hij weer volledig arbeidsgeschikt bevonden.

1.4

Op 4, 5, 7 en 11 februari 2009 heeft werknemer vertrouwelijke en concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie gestuurd naar zijn privé-emailadres. Dit betrof onder meer: een compleet overzicht van werkgeefsters’ Europese klanten (met omzetcijfers), een verslag van een beurs in Parijs (met orders en omzetcijfers) en een overzicht van de drie grootste afnemers van werkgeefster in de maand januari 2009.

1.5

Op de [naam beurs]-beurs in Frankfurt, gehouden van [data], is aan werknemer op [datum] door [X] te kennen gegeven dat werkgeefster vanwege verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden de arbeidsovereenkomst met werknemer wilde beëindigen. Hem is toen een financieel beëindigingsvoorstel gedaan.

1.6

Per 25 februari 2009 is werknemer op non-actief gesteld; dit vanwege de ontdekking van werkgeefster dat hij voormelde bedrijfsinformatie naar zijn privé-emailadres had doorgestuurd.

1.7

[werkgeefster] Groep heeft eind 2008/begin 2009 wegens verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden besloten haar organisatie (wereldwijd) te herinrichten. In het kader van die reorganisatie heeft zij met ingang van 1 februari 2009 de nieuwe functie van General Manager Europe geïntroduceerd (waarvoor ene [Y] is aangesteld) en heeft zij de door werknemer uitgeoefende functie van Director Sales Europe per 1 maart 2009 opgeheven.

1.8

Bij schrijven van 30 maart 2009 van haar gemachtigde heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer (zonder daartoe verkregen toestemming ex artikel 6 van BBA van het UWV Werkbedrijf) opgezegd tegen 1 juni 2009; dit op de grond dat zijn functie was opgeheven en werkgeefster geen alternatieve functies voor hem heeft.

1.9

Bij schrijven van 8 april 2009 heeft de gemachtigde van werknemer voormelde opzegging vernietigd ex artikel 9 BBA.

De beoordeling

2.1

Ter adstructie van zijn stelling dat de arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) dient te worden ontbonden heeft werknemer betoogd –welk betoog tevens het verweer vormt tegen het door werkgeefster ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding-, dat er sprake is van een compleet verstoorde arbeidsrelatie, die volledig is veroorzaakt door werkgeefster. Werkgeefster heeft hem namelijk klakkeloos, zonder geëigende reden, uit haar organisatie willen werken. Het heeft er volgens werknemer alle schijn van dat werkgeefster van hem af wil, omdat hij ziek is geweest en zij vreest dat hij opnieuw ziek zal worden. Dat het slecht gaat met het [werkgeefster] concern wordt door werknemer niet betwist, maar wél dat hierdoor zijn functie moet komen te vervallen. Feitelijk zullen de werkzaamheden van [Y] namelijk niet verschillen van de werkzaamheden van werknemer. Daarnaast is het onlogisch dat werknemer niet geschikt is voor de functie van General Manager Europe en [Y] wél. Voorts heeft werkgeefster vanaf de bespreking op 15 februari 2009 tot aan de indiening door werkgeefster van haar verzoekschrift nooit een concrete, cijfermatige onderbouwing van de bedrijfseconomische reden van het ontslag willen geven. Getuigt voormelde handelwijze van werkgeefster al van slecht werkgeverschap, daarbij komt volgens werknemer nog dat werkgeefster hem na genoemde bespreking slechts onder druk heeft proberen te zetten om akkoord te gaan met ontslag en een (steeds lager wordende) beëindigingsvergoeding. In dit verband heeft werknemer er op gewezen dat werkgeefster hem ten onrechte op non-actief heeft gesteld en heeft gedreigd met ontslag op staande voet. Ook heeft werkgeefster hem er eind maart 2009 ten onrechte van beschuldigd dat hij de contactgegevens van twee op de [naam beurs] beurs opgedane potentiële klanten niet aan werkgeefster heeft gemeld. Tenslotte heeft werkgeefster het volgens werknemer nog betaamt zijn dienstverband op te zeggen zonder de vereiste toestemming van het UWV Werkbedrijf.

2.2

Ter adstructie van haar voorwaardelijke ontbindingsverzoek heeft werkgeefster betoogd, welk betoog nagenoeg –behoudens, voor zover relevant, het hierna in de rechtsoverwegingen 2.4 en 2.5 te bepreken betoog dat de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2009 is beëindigd en het hierna in rechtsoverweging 2.7 aan de orde komende bonusverweer- overeenkomt met haar verweer tegen het onvoorwaardelijke ontbindingsverzoek van werknemer, dat, summier samengevat, primair de door [werkgeefster] Groep doorgevoerde reorganisatie ten gevolge van verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden haar nopen tot beëindiging van het dienstverband met werknemer. Daardoor is zijn functie komen te vervallen, terwijl er geen passende alternatieve functies voor hem voorhanden zijn. Subsidiair wenst werkgeefster tot een beëindiging van het dienstverband te komen, omdat de vertrouwensrelatie tussen partijen volledig en blijvend is verstoord door toedoen van werknemer doordat hij vertrouwelijke en zeer concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie naar zijn privé-emailadres heeft gezonden –hetgeen bij werkgeefster ten strengste verboden is-, en hij dit aanvankelijk, tegen beter weten in, heeft ontkend. Bovendien heeft werknemer volgens werkgeefster contactgegevens van twee potentiële, op de [naam beurs]-beurs opgedane klanten bewust achtergehouden voor werkgeefster. Dit betroffen de gegevens van een potentiële handelsagent voor de Balkan en van een contactpersoon van [A] hotels in Tunis. Stukken betreffende die contacten zaten ook niet in de zgn. “lead binder” van die beurs.

2.3

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het ontbindingsverzoek van werkgeefster verband houdt met enigerlei wettelijk opzegverbod. Daarvan is hem niet gebleken.

2.4

De kantonrechter zal eerst een oordeel geven over de partijen verdeeld houdende vraag of er nog wel een arbeidsovereenkomst bestaat tussen hen. Volgens werkgeefster is dat niet het geval, omdat door haar opzegging aan de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2009 een einde is gekomen. Naar zij heeft betoogd, had zij voor die opzegging niet de toestemming van het UWV Werkbedrijf nodig. Volgens haar zijn bij de beëindiging van der partijen arbeidsovereenkomst de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt namelijk in onvoldoende mate betrokken. Werknemer heeft dit laatste betwist. Volgens hem heeft werkgeefster voor opzegging van de arbeidsovereenkomst dan ook de toestemming van het UWV Werkbedrijf nodig en heeft haar opzegging ten gevolge van de vernietiging daarvan rechtens derhalve geen effect gehad. De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.5

Vaststaat dat werknemer vanaf augustus 2002 –thans dus bijna zeven jaren- ononderbroken in Nederland heeft gewerkt en gewoond. Voorts staat vast dat hij in dienst is bij een in Nederland gevestigde werkgeefster, zij het dat de onderneming van werkgeefster deel uitmaakt van een internationaal concern. Tevens staat vast dat werknemer door de Nederlandse fiscus wordt aangeslagen voor belastingen en sociale verzekeringen, terwijl tenslotte vaststaat dat werknemer een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft. Deze feiten en omstandigheden in beschouwing nemende, kan naar het oordeel van de kantonrechter bezwaarlijk worden volgehouden dat de Nederlandse arbeidsmarkt in onvoldoende mate betrokken is bij de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsverhouding. Werkgeefster heeft dan wel betoogd, onder de verwijzing naar passages in brieven van de gemachtigde van werknemer van 17 maart 2009 en 8 april 2009, dat werknemer heeft aangegeven dat hij na beëindiging van zijn dienstverband zal terugkeren naar Canada -net zoals dit volgens haar kan worden opgemaakt uit enkele stellingen van werknemer in zijn verzoekschrift en in zijn kort gedingdagvaarding- en dat werknemer na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan ook niet zal terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar dit betoog wordt niet gevolgd door de kantonrechter. Niet alleen kan uit die passages en stellingen niet worden opgemaakt dat werknemer ook daadwerkelijk zal terugkeren naar Canada, werknemer heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. Hij heeft expliciet te kennen gegeven –ook nog eens op daartoe strekkende vragen van de kantonrechter bij gelegenheid van de mondelinge behandeling- dat hij in verband met een door zijn echtgenote gevolgde academische MBA studie in Nederland in elk geval nog tot en met de lente dan wel –afhankelijk van de datum van haar afstuderen- tot en met de zomer van 2010 in Nederland zal moeten blijven, dat hij dan ook in eerste instantie zal solliciteren op de Nederlandse arbeidsmarkt en dat hij na beëindiging van het dienstverband, zolang hij nog geen andere baan heeft gevonden, in Nederland een WW-uitkering zal aanvragen. Anders dan werkgeefster, die dit ook (volstrekt) onvoldoende heeft onderbouwd, heeft de kantonrechter geen redenen om te twijfelen aan dit betoog van werknemer, mede nu werknemer middels zijn productie 21 heeft aangetoond dat hij inmiddels ook daadwerkelijk heeft gesolliciteerd bij in Nederland gevestigde bedrijven en voorts niet is betwist –en dus vaststaat- dat hij voldoet aan alle vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering en dat hij deze ook al heeft aangevraagd. De stelling van werkgeefster dat werknemer niet zal terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt wordt dan ook niet gevolgd door de kantonrechter. Nu voorts, mede in het licht van het vorenstaande, ook op grond van de overige door werkgeefster aangevoerde omstandigheden, te weten dat werknemer de Canadese nationaliteit heeft, dat hij voor zijn indiensttreding bij werkgeefster steeds in Canada heeft gewerkt en dat zijn werkzaamheden bij werkgeefster een sterk internationaal karakter hadden, niet kan worden gezegd dat de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt in onvoldoende mate zijn betrokken bij de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, komt de kantonrechter tot de conclusie dat werkgeefster voor de opzegging van der partijen arbeidsovereenkomst de toestemming van het UWV Werkbedrijf nodig heeft en dat haar opzegging van 30 maart 2009, na de vernietiging daarvan door de gemachtigde van werknemer wegens het ontbreken van die toestemming, in rechte geen effect heeft gesorteerd. Dit brengt met zich dat de arbeidsovereenkomst na 1 juni 2009 is blijven voortduren.

2.6

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.5 is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat. De vraag is vervolgens of er sprake is van gewichtige redenen, gelegen in veranderingen in de omstandigheden, ten gevolge waarvan het billijk is dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

Ten eerste zijn partijen het er immers over eens dat de arbeidsrelatie inmiddels dusdanig verstoord is geraakt dat voortzetting van het dienstverband van werknemer geen reële optie meer vormt en dat arbeidsovereenkomst om deze reden beëindigd dient te worden.

Voorts heeft werkgeefster naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam aannemelijk gemaakt dat een noodzakelijke reorganisatie noopt tot een beëindiging van het dienstverband met werknemer. Zij heeft voldoende aangetoond dat ten gevolge van verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden het [werkgeefster] concern haar toevlucht heeft moeten nemen tot een (wereldwijde) reorganisatie. Werknemer heeft dit ook niet betwist. Werknemer heeft echter wél betwist dat de werkzaamheden, die hij als Director Sales Europe uitvoerde, niet veel verschillen van de werkzaamheden behorende tot de nieuw gecreëerde functie van General Manager Europe en dat hij dus slechts vervangen is. In dit verband heeft hij betoogd –onder overlegging van een verklaring van een ex-collega (zijn productie 20) en door hem namens werkgeefster ondertekende contracten (zijn productie 21)- dat hij niet slechts uitvoerende sales taken verrichtte, maar ook grote verantwoordelijkheden en operationele taken had. Dat de functie van Director Sales Europe min of meer vergelijkbaar is met de nieuwe functie van General Manager en dat, gelijk werknemer suggereert, slechts een ander etiket op de functie van Director Sales Europe is geplakt, is de kantonrechter, mede gelet op hetgeen werkgeefster (onweersproken) omtrent de bij de functie van General Manager Europe behorende werkzaamheden heeft aangevoerd (op pagina 6 respectievelijk op pagina 10 van haar verweer- c.q. verzoekschrift), in het bijzonder dat de General Manager Europe anders dan de Director Sales Europe ook de Customer Services aanstuurt en strategische en beleidmatige beslissingen neemt, die voorheen vanuit het hoofdkantoor in [plaats] werden genomen, onvoldoende gebleken. Werkgeefster heeft in elk geval voldoende aannemelijk gemaakt dat de functie van General Manager meer taken en verantwoordelijkheden omvat dan die van de vervallen functie van Director Sales Europe en dat die functies daarom niet vergelijkbaar zijn. De stelling van werknemer dat hij slechts is vervangen, gaat dan ook niet op. Dat werknemer, naar hij heeft aangegeven, het voorts niet eens is met de beslissing van werkgeefster om niet hem, maar de volgens werknemer daarvoor minder capabele [Y] in de functie van General Manger Europe aan te stellen, is niet relevant. Werkgeefster, die heeft betoogd dat juist werknemer minder geschikt is voor die functie, mede vanwege diens gebrek aan de benodigde leidinggevende capaciteiten, heeft nu eenmaal de vrijheid dat te doen.

Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat zowel de verstoorde arbeidsrelatie als de bij werkgeefster door verslechterde bedrijfseconomische omstandigheden noodzakelijk geworden reorganisatie, veranderingen in de omstandigheden opleveren ten gevolge waarvan het billijk is dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De kantonrechter zal de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst dan ook (onvoorwaardelijk) ontbinden.

2.7

Voor wat betreft de eventueel aan werknemer toe te kennen vergoeding ex artikel 7:685 lid 8 BW staat vast dat werkgeefster bereid is een vergoeding te betalen, zij het niet tot het beloop van het door werknemer verzochte bedrag.

Uitgangspunt bij de vaststelling van de vergoeding is dat deze naar billijkheid wordt vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met alle omstandigheden van het geval.

Zoals hierboven is overwogen, leveren zowel de door werkgeefster doorgevoerde reorganisatie als de verstoorde arbeidsrelatie grond op om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. In beide gevallen, en nu de kantonrechter voorts –anders dan door werknemer ongemotiveerd is bepleit- niet kan inzien waarom in casu, en anders dan gebruikelijk, ter bepaling van de hoogte van de ontbindingvergoeding niet de kantonrechtersformule zou moeten moet worden gebruikt, is het uitgangspunt dat werknemer aanspraak kan maken op een op basis van die formule te berekenen vergoeding waarbij de correctiefactor C gelijk is aan 1.

De vraag die vervolgens rijst is of er sprake is van feiten en omstandigheden die er toe dienen te leiden dat laatst gemelde correctiefactor naar boven of beneden dient te worden bijgesteld. Die vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter negatief te worden beantwoord.

In dit verband is relevant het door werknemer gevoede betoog dat werkgeefster hem klakkeloos uit de organisatie wil werken en dat de echte reden van de gewenste beëindiging van het dienstverband is gelegen in het feit dat hij ziek is geweest en dat zij niet het risico wil lopen dat hij opnieuw ziek zal worden. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dit betoog in het licht van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.6 is overwogen echter niet op. Werkgeefster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat onder meer een noodzakelijke reorganisatie ten grondslag ligt aan de door haar gewenste beëindiging van het dienstverband.

Ook de handelwijze van werkgeefster van na de bespreking van 15 februari 2009, en die werknemer kwalificeert als slecht werkgeverschap, leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een hogere correctiefactor. Zo komt de schorsing vanwege de doorsturing van vertrouwelijke en concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie naar het privé-emailadres van werknemer niet ongegrond voor. Weliswaar is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling genoegzaam aannemelijk gemaakt (aan de hand van de als producties 17 en 18 bij het verweerschrift overgelegde emailberichten) dat –waar het althans de belangrijkste concurrentiegevoelige informatie betreft, namelijk de lijsten van Europese klanten en omzetgegevens- werknemer die lijsten kan hebben doorgestuurd om thuis te kunnen werken aan de van hogerhand gegeven opdracht tot opschoning van die lijsten, maar niet is betwist dat het binnen de onderneming van werkgeefster verboden is bedrijfsinformatie buiten het beveiligde ICT-netwerk van werkgeefster te brengen dan wel op andere wijze buiten haar onderneming te brengen en dat werknemer nu juist een laptop ter beschikking was gesteld waarmee hij thuis via internet en een speciale toegangscode op het bedrijfsnetwerk kan komen. Hoewel werknemer (achteraf bezien) mogelijk geen kwalijke bedoelingen heeft gehad, is de beslissing van werkgeefster tot schorsing van werknemer, toen zij de doorsturing van de vertrouwelijke klantgegevens naar het privé-emailadres van werknemer ontdekte, dan ook niet geheel onbegrijpelijk. Dit geldt te meer nu werknemer niet alleen de Europese klantenlijsten met omzetgegevens naar zijn privé- emailadres bleek te hebben doorgestuurd –en werkgeefster zich nog had kunnen realiseren dat dit wellicht te maken had met genoemde opdracht-, maar ook een verslag van de beurs in Parijs en een overzicht van de drie grootste afnemers over januari 2009. Overigens ziet de kantonrechter –en anders dan door werkgeefster is bepleit- in de omstandigheden dat werknemer vertrouwelijke bedrijfsinformatie naar zijn privé-emailadres heeft gestuurd en dat hij dit volgens werkgeefster aanvankelijk heeft weersproken (dit laatste heeft werknemer overigens betwist), evenmin redenen om werknemer een lagere vergoeding toe te kennen dan een neutrale vergoeding volgens de kantonrechtersformule, in het bijzonder niet nu onvoldoende is gebleken dat bij die versturing kwalijke bedoelingen hebben voorgezeten.

Voor wat betreft het gemaakte verwijt dat werknemer contactgegevens van twee op de [naam beurs]-beurs opgedane potentiële klanten heeft achtergehouden, is de kantonrechter van oordeel dat dit tamelijk gezocht is. De door werknemer bij gelegenheid van de mondelinge behandeling gegeven verklaring dat hij vele potentiële klantcontacten heeft op dergelijke beurzen en dat hij daarom niet van alle potentiële klanten de contact gegevens bijhoudt en dat hij evenmin alle stukken met betrekking tot potentiële klantcontacten in de zgn. “lead binder” doet –hetgeen volgens hem vermoedelijk ook zo is gegaan bij de potentiële klant uit Tunis- komt aannemelijk voor. Dit geldt eveneens voor zijn verder onweersproken gebleven verklaring dat hij het visitekaartje van de potentiële handelsagent voor de Balkan op zijn bureau heeft neergelegd. Van de bewering van werknemer dat werkgeefster hem voormeld verwijt enkel heeft gemaakt om hem onder druk te zetten, is de kantonrechter echter onvoldoende overtuigd. Evenzeer geldt dit laatste voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder ontslagvergunning. Het een noch het ander vormt voor de kantonrechter in elke geval aanleiding om voormelde correctiefactor op meer dan 1 te stellen.

Ook overigens is de kantonrechter niet gebleken van feiten en omstandigheden waarom die correctiefactor hoger of lager zou moeten zijn. Met name de onder punt 48. van de pleitnotities van de gemachtigde van werknemer opgesomde factoren geven geen aanleiding tot toekenning van een hogere vergoeding; net zomin als dat de door werkgeefster genoemde feiten en omstandigheden onder de punten 43. en 78. van haar verzoek- respectievelijk verweerschrift aanleiding geven tot een lagere vergoeding.

Op grond van het vorenstaande zal de correctiefactor C op 1 worden bepaald.

Voor wat betreft de A-factor in de kantonrechtersformule zal de kantonrechter –anders dan werknemer heeft bepleit- geen rekening houden met de dienstjaren van werknemer bij [werkgeefster] Ltd. [werkgeefster] Ltd. en [werkgeefster] B.V. (werkgeefster) zijn twee te onderscheiden ondernemingen. Werknemer heeft bij [werkgeefster] Ltd ook een andere functie bekleed. Dat werkgeefster en [werkgeefster] Ltd. deel uitmaken van hetzelfde concern en dat werknemer op verzoek van de leiding van dat concern naar Nederland is verhuisd om daar werkzaamheden te verrichten voor werkgeefster brengt nog niet met zich dat daarom in het kader van de A-factor de dienstjaren bij [werkgeefster] Ltd. dienen mee te tellen.

Ten aanzien van de B-factor zal de kantonrechter geen rekening houden met het feit dat werknemer in beginsel jaarlijks aanspraak kan maken op een bonus. Daarvoor zou grond bestaan als die bonus hem structureel is uitbetaald. Daarvan is echter niet gebleken. In dit verband is voldoende komen vast te staan, gelijk werkgeefster met de door haar bij haar verweerschrift overgelegde producties 33 tot en met 35 heeft geadstrueerd, dat de bonus in beginsel eind februari van elk jaar wordt uitbetaald en dat de daadwerkelijke uitbetaling daarvan afhankelijk is van de totale behaalde omzet over de Europese klanten in het daaraan voorafgaande jaar. Voorts is voldoende komen vast te staan dat werknemer slechts in maart 2004, maart 2005 en maart 2007 de bonus heeft ontvangen. Werknemer heeft dan wel betoogd dat de door hem in mei en in augustus 2005 ontvangen bedragen van € 4.410,00 bruto en € 19.532,04 bruto eveneens de bonus betroffen, maar dit heeft werkgeefster (volgens haar betreft het bedrag van € 4.410,00 een eenmalige collectieve winstdeling en het bedrag van € 19.532,04 een compensatie voor het feit dat werknemer in Canada fiscaal was belast voor de door hem ontvangen vergoeding voor huisvesting en auto) overtuigend, onder meer met haar productie 31 bij het verweerschrift, weerlegd. Er daarom van uitgaande dat werknemer in 2006 en in de laatste twee jaren, in 2008 en in 2009, geen bonus heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat sprake is geweest van een structureel uitbetaalde bonus. Dat werknemer in het gehele jaar 2008 ziek is geweest, geeft geen aanleiding tot een ander doordeel. Het is immers voldoende komen vast te staan dat niet de persoonlijke prestatie van werknemer bepalend is of de bonus wordt uitbetaald, maar de totale in enig jaar in Europa behaalde omzet (terwijl gesteld noch gebleken is dat die omzet voor een belangrijk deel door werknemer wordt gemaakt) en dat die omzetten in 2007 en in 2008 daartoe onvoldoende waren. Met de bonus zal in het kader van de ontbindingsvergoeding dan ook geen rekening worden gehouden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, rekening houdende met de leeftijd van werknemer, het feit dat hij bijna zeven jaren bij werkgeefster in dienst is en dat hij een maandelijks bruto inkomen geniet van € 9.100,00 (inclusief vakantietoeslag), dat hem een vergoeding toekomt van € 32.130,00 bruto. Tot vergoeding van dit bedrag aan werknemer zal werkgeefster dan ook veroordeeld worden.

2.8

Nu laatst gemelde vergoeding niet door werkgeefster is aangeboden en werknemer daar niet om heeft verzocht, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld hun respectieve ontbindingverzoeken in te trekken.

2.9

In de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in voege als na te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) te ontbinden per 15 juli 2009 onder toekenning aan werknemer ten laste van werkgeefster van een vergoeding van € 32.130,00 bruto;

- stelt partijen in de gelegenheid hun verzoek in te trekken:

werknemer uiterlijk op 2 juli 2009 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij,

en, indien werknemer het verzoek intrekt zodat het verzoek van werkgeefster aan deze beslissing ten grondslag ligt:

werkgeefster uiterlijk op 14 juli 2009 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan werknemer;

voor het geval werknemer zijn verzoek niet intrekt:

- ontbindt - op verzoek van werknemer- de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) en bepaalt dat deze eindigt op 15 juli 2009 onder toekenning aan werknemer ten laste van werkgeefster van een vergoeding van

€ 32.130,00 bruto en veroordeelt werkgeefster tot betaling van dat bedrag aan werknemer tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

voor het geval werknemer zijn verzoek intrekt:

- ontbindt - op verzoek van werkgeefster- de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) en bepaalt dat deze eindigt op 15 juli 2009 onder toekenning aan werknemer ten laste van werkgeefster van een vergoeding van € 32.130,00 bruto en veroordeelt werkgeefster tot betaling van dat bedrag aan werknemer tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

voor het geval ook werkgeefster haar verzoek intrekt:

- compenseert ook in dat geval de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter te Lelystad, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 22 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.