Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ3585

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
07.607428-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafmaatmotivering, Lovs-oriëntatiepunten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607428-07

Uitspraak: 21 juli 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord te Alkmaar.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar.

De officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 december 2007 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 102,07 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 06 december 2007 in de gemeente Lelystad (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 600, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

3.

hij in of omstreeks de periode van 6 december 2007 tot en met 07 december 2007 in de gemeente Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een auto (Toyota Corolla Verso) en/of een snorfiets (Piaggio) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto en/of snorfiets wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof,

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 december 2007 in de gemeente Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een auto (Toyota Corolla Verso) en/of een snorfiets (Piaggio) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto en/of snorfiets redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

BEWIJS

Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank naast het onder 1 en 2 ten laste gelegde ook het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte beschikte over sleutels van een tweetal panden, gelegen aan de [adres] te Lelystad. In deze panden zijn aangetroffen een hennepplantage, alsmede verschillende auto’s en scooters. In het pand aan de [adres] zijn onder meer aangetroffen een personenauto voorzien van kenteken [XX-XX-XX] en een bromfiets voorzien van kenteken [XXX-XXX], welke voertuigen bij navraag gestolen bleken te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat deze auto en scooter in de loods stonden. Verdachte wil niet zeggen door wie deze goederen in de loods zijn gezet en verklaart dat hij niet wist wat de bedoeling was van deze goederen. [mededader], een medeverdachte, verklaart dat hij wel een vermoeden had dat de auto was gestolen.

Gelet op het feit dat er een auto en een scooter in een loods staan, - welke bij verdachte in gebruik was - , waarvan hij niet wil zeggen waar deze vandaan komen, waarvan hij zegt niet te weten wat de bedoeling ervan was en waarvan de medeverdachte zegt te vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto en de scooter van diefstal afkomstig waren.

De verdachte dient van het onder 3 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 december 2007 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 102,07 kilogram,, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 06 december 2007 in de gemeente Lelystad telkens tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 600, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3. subsidiair:

hij op 6 december 2007 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander een auto (Toyota Corolla Verso) en een snorfiets (Piaggio), voorhanden heeft, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto en snorfiets redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1.:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2.:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3. subsidiair:

Medeplegen van schuldheling, strafbaar gesteld bij artikel 417bis, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grootschalige hennepteelt. Hij heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit.

De rechtbank zal aan verdachte een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen bij de straftoemeting in dit soort zaken aansluiting kan worden gezocht bij de door het landelijke overleg van voorzitter van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. De rechtbank gaat daarbij uit van een hoeveelheid van 1200 (2 maal 600) planten. Nu de verdachte geen documentatie heeft op het gebied van hennepteelt ziet de rechtbank geen aanleiding te komen tot de door het openbaar ministerie geëiste aanzienlijk hogere gevangenisstraf, dan uit de oriëntatiepunten naar voren komt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 juni 2009.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 3 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1,2 en 3 subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. M.A. Pot, voorzitter, mrs. L.G. Wijma en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009.

Mrs. L.G. Wijma en G.E.A. Neppelenbroek voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.