Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ3459

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
07.607416-08 en 17.840537-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling levensgezel

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607416-08 + 17.840537-06 (vtvv) (P)

Datum: 20 juli 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is bij verstek gehouden ter openbare terechtzitting van 6 juli 2009, waarbij de verdachte niet is verschenen. Verschenen is mr. A.M.C. Verheul, advocaat te Lelystad, die heeft verklaard door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.E.M. van de Ven.

TENLASTELEGGING

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juni 2009.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon te weten [slachtoffer],

- (met kracht) bij de schouders heeft vastgepakt en/of (vervolgens) op de grond heeft gegooid en/of

- meerdere malen, in ieder geval eenmaal (met de gebalde vuist(en)) heeft geslagen/gestompt op/in het gezicht, in ieder geval op/tegen het lichaam en/of

- (met kracht) bij de keel heeft vastgepakt en/of gehouden,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJS

A. Vaststaande feiten

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank de navolgende feiten vast.

Op [datum] wordt door [aangeefster] aangifte gedaan van mishandeling door haar vriend. De mishandeling zou zijn gepleegd in de woning aan het [plaats]. Door de verbalisant die aangeefster heeft gehoord zijn foto’s gemaakt.

Op [datum] meldt verdachte zich op het politiebureau in verband met een incident tussen hem en aangeefster en wordt hij aangehouden.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

C. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende.

De rechtbank constateert dat aangeefster heeft verklaard dat zij door verdachte meerdere malen met de vuisten is geslagen en bij de keel is gepakt. Voorts heeft zij verklaard dat verdachte haar heeft opgepakt en op de grond heeft gegooid.

Blijkens de foto’s die door de verbalisant zijn gemaakt en als bijlagen bij de aangifte zijn gevoegd, had aangeefster letsel in haar gezicht en haar hals.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft vastgepakt aan haar schouders, dat er een worsteling ontstond waarbij over en weer werd getrokken en waarbij aangeefster op de grond is gevallen. Voorts heeft hij verklaard dat hij aangeefster met de buitenkant van zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen en dat hij zag dat zij doordoor een blauwe plek in haar gezicht kreeg. Door verdachte wordt aangegeven dat een en ander is gebeurd in reactie op handelingen van aangeefster, echter voor zover hier een beroep op noodweer zou moeten worden gelezen, wordt dit door de rechtbank verworpen. Niet gebleken is dat sprake is geweest van een noodweersituatie.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel op [datum] in [plaats].

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Hij op [datum] in de gemeente [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [slachtoffer],

- (met kracht) bij de schouders heeft vastgepakt en (vervolgens) op de grond heeft gegooid en

- meerdere malen heeft geslagen/gestompt op/in het gezicht en

- bij de keel heeft vastgepakt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, strafbaar gesteld bij de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De officier heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 30 juni 2009 van Reclassering Nederland en met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 juni 2009.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING

De officier heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis d.d. [datum] door de politierechter van de rechtbank Leeuwarden aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde, zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. De rechtbank zal mitsdien de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 1 maand, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 17.840537-06 bij vonnis d.d. [datum] van de politierechter van de rechtbank Leeuwarden voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. M.A.A. ter Meer-Siebers en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2009.

Mr. G.A. Versteeg, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.