Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ3448

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
07.607265-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

(duur) vrijheidsbeneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607265-08

Uitspraak : 20 juli 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen, advocaat te Zeewolde.

Voorts is verschenen de gemachtigde van [benadeelde partij] alsmede [aangeefster].

De officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot:

• een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag;

• een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 173,82 aan materiële schade en een bedrag van € 600,00 aan immateriële schade met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de benadeelde partij voor het meer of anders gevorderde niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat zich, ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt ten aanzien van het eerste en zesde gedachtenstreepje in de tenlastelegging, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het eerste gedachtenstreepje overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de deuren daadwerkelijk afgesloten zijn geweest en dat het verdachte is geweest die deze deuren op slot zou hebben gedraaid. Weliswaar hebben [aangeefsters] verklaard dat verdachte heeft geroepen dat de deuren afgesloten waren, echter zij hebben dit niet zelf waargenomen en verdachte zelf heeft uitdrukkelijk verklaard dat de achterdeur open heeft gestaan en hij de voordeur dicht heeft gegooid, maar niet op slot heeft gedraaid. Ook uit de verklaringen van de [getuigen] blijkt niet of zij bij het openen van de deur hebben geconstateerd dat deze op slot zat.

Ten aanzien van het zesde gedachtenstreepje overweegt de rechtbank dat hetgeen hier staat omschreven is gebeurd op het moment dat [aangeefsters] de woning reeds hadden verlaten.

Ten aanzien van de overige gedachtenstreepjes in de tenlastelegging overweegt de rechtbank dat zich in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om tot een bewezenverklaring ter zake te komen.

Door de verdediging is bepleit dat hetgeen is omschreven achter de gedachtenstreepjes 2 tot en met 5 niet heeft geleid, althans niet heeft kunnen leiden, tot een vrijheidsberoving van [aangeefsters]. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Beide slachtoffers hebben in hun verklaringen diverse momenten aangegeven waarop zij de woning wensten te verlaten, maar hiervan werd weerhouden door de dreigende houding en het intimiderende gedrag van verdachte. Zo hebben zij verklaard dat verdachte tot twee maal toe naar boven is gekomen met een grote moker in zijn handen, [aangeefster] door verdachte is tegengehouden en terug is geduwd de slaapkamer in en hen werd verhinderd hun mobiele telefoons te gebruiken om hulp in te schakelen, terwijl de vaste telefoon was uitgeschakeld doordat verdachte de stoppen eruit had gedraaid.

Verdachte heeft bij de politie zelf ook verklaard dat [aangeefster] de woning wilde verlaten en dat hij haar hiervan heeft weerhouden. Hij heeft ondermeer aangegeven dat aangeefster weg wilde gaan en dat hij haar heeft tegengehouden, omdat hij met haar wilde praten. Verdachte heeft bij de behandeling ter terechtzitting verklaard dat hij de stoppen naar beneden heeft gedrukt om te beletten dat [aangeefster] zou gaan bellen. Voorts heeft hij bij de behandeling ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij tot twee maal toe de moker heeft gepakt.

De rechtbank is gelet op de dreigende houding en het onberekenbare gedrag van verdachte van oordeel dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de beide aangeefsters de slaapkamer niet durfden te verlaten. De verdachte heeft derhalve de beide aangeefsters hierdoor opzettelijk belet de slaapkamer te verlaten en te gaan en te staan waar zij wilden.

Door de verdediging is bepleit dat een zeer korte beperking van de vrijheid niet als vrijheidsbeneming in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Uit de verklaringen van de beide slachtoffers en met name die van [aangeefster], leidt de rechtbank af dat de vrijheidsbeneming meer dan enkele minuten heeft geduurd. In dit kader acht zij van onder meer belang dat verdachte tussendoor naar beneden is gegaan om zijn moker –die [slachtoffer] naar beneden had gegooid – weer op te halen. Het betoog van de verdediging treft derhalve geen doel.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Door de verdediging is bepleit dat een lange periode ten laste is gelegd en dat voor wat betreft het geven van “de zwieperd” en het schoppen geen bewijs is voor het opzettelijk toebrengen van pijn en/of letsel. Voorts is betoogd dat voor wat betreft de kopstoot door de verbalisant geen letsel is geconstateerd en dat ook hiervoor geldt dat zich in het dossier geen bewijs bevindt voor het opzet.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde, gelet op de verklaringen van [aangeefster], [getuige] en de verklaring van verdachte zelf, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, strafbaar gesteld bij de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 juni 2009;

- een rapport d.d. 1 juli 2009, uitgebracht door K.M. Staal en N. Talsma, respectievelijk reclasseringswerker en hoofd afdeling verslavingsreclassering van Tactus Verslavingszorg;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door haar vader [vader slachtoffer] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de onder 1 en 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.649,60.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde (onvoldoende onderbouwd en derhalve) niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 500,00 ten behoeve van het [slachtoffer].

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de verslavingsreclassering van Tactus Verslavingszorg, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 180 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde partij], wonende te [adres], van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,00 ten behoeve van het [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2009.

Mr. G.A. Versteeg, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.