Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ2249

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
07/400336-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid OM

gelegenheid tot contact met raadsman

bewijs

gemotiveerde uitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400336-08

Uitspraak: 3 juni 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

De officier van justitie, mr. G.C. Pol, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De raadsman van verdachte voert aan dat hem diverse malen de toegang tot zijn cliënt is geweigerd, onder meer tijdens het politieverhoor en voor de voorgeleiding van verdachte aan de rechter-commissaris. De raadsman verklaart dat de verdachte willens en wetens bijstand door een advocaat is onthouden. Volgens de raadsman is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Met name is gehandeld in strijd met de rechtspraak, zoals door het Europese hof uiteengezet in de arresten (naam) en (naam). Voorts is volgens de raadsman de woning van cliënt onrechtmatig betreden nu niet is voldaan aan de vereisten van de Algemene wet op het binnentreden. Derhalve verzoekt de raadsman van verdachte de rechtbank primair de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair zowel de politieverhoren als de verhoren bij de rechter-commissaris uit te sluiten van het bewijs.

Met betrekking tot de door de raadsman bepleite niet ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank het volgende:

Vaststaat dat de verdachte na het politieverhoor op 31 december 2008 wel contact heeft gehad met zijn raadsman. Uit de bewoordingen van de raadsman zelf komt immers naar voren dat verdachte, voorafgaande aan zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris, de gelegenheid heeft gehad om (kort) met zijn raadsman te overleggen. Nu verdachte in deze fase wel toegang heeft gehad tot zijn advocaat, is er in ieder geval geen sprake van een zodanige schending van het recht op een eerlijk proces, dat dit tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie zou moeten leiden. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de officier van justitie wel ontvankelijk is in zijn vervolging.

BEWIJS

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten nu elk wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verdachte heeft alleen ontkennende verklaringen afgelegd en het slachtoffer heeft de aangifte niet ondertekend. Het slachtoffer heeft in een later stadium een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat verdachte geen geweld heeft gebruikt en haar ook niet van haar vrijheid heeft beroofd. De raadsman verzoekt de rechtbank derhalve de verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

De rechtbank concludeert op grond het onderzoek dat in de woning een ruzie tussen het slachtoffer en de verdachte heeft plaatsgevonden. In eerste instantie heeft aangeefster daaromtrent een uitgebreide en voor verdachte belastende verklaring afgelegd bij de politie. Aangeefster heeft de aangifte echter niet, ook niet in een later stadium, ondertekend.

Mede gezien de ontkennende verklaringen van verdachte alsmede het ontbreken van enig ander bewijsmiddel omtrent de ten laste gelegde feiten is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is.

De verdachte dient derhalve van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig bewezen acht.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs, kunnen de verweren van de raadsman gericht op uitsluiting van bewijsmiddelen onbesproken blijven.

BESLISSING

Het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. H. Heins en A.P. de Jong - de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2009.