Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ2149

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
07.607169-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijwillige terugtred strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

parketnummer: 07.607169-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats],

thans verblijvende in de P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

Raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. D. Sarian, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2009 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer en/of een koevoet en/of een schroevendraaier, in elk geval met een (breek)voorwerp, de (achter)deur heeft/hebben opengebroken (waarna hij en/of zijn mededader(s) de woning is/zijn binnengegaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Op 22 mei 2009 omstreeks 19.00 kreeg verbalisant F.J.A. Ostendorf het verzoek om te gaan naar de [adres] te Lelystad naar aanleiding van een gedane melding van een woningbraak door twee personen, die nog in de woning aanwezig zouden zijn. Ter plaatse vernam de verbalisant van een collega dat aan de achterzijde van de woning sporen van braak te zien waren aan de achterdeur. Verbalisant liet zich vergezellen door zijn diensthond en liep naar de achterdeur. Verbalisant zag twee verdachten in de woonkamer staan met sokken om beide handen. Beide verdachten maakten zich uit de voeten. Hierop werden beide verdachten, te weten verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], te 19.05 uur aangehouden.

Op 22 mei 2009 werd een technisch sporenonderzoek ingesteld bij de woning aan de [adres] waarbij meerdere sporen zijn veiliggesteld.

Op 22 mei 2009 te 19.10 uur deed [slachtoffer] aangifte van inbraak in haar woning aan de [adres] te Lelystad. Aangeefster heeft in de gang een tas gevonden met daarin meerdere breekijzers, welke haar niet toebehoren.

Op 22 mei 2009 te 19.20 uur heeft getuige [getuige] een verklaring afgelegd met betrekking tot de inbraak in de woning aan de [adres].

Op 23 mei en 27 mei 2009 heeft verdachte verklaringen afgelegd.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft met zijn medeverdachte ingebroken in een woning en vervolgens die woning geheel doorzocht. Pas nadat zij niets van hun gading hadden aangetroffen, hebben verdachte en zijn medeverdachte de woning verlaten. Met het doorzoeken van de gehele woning is het ten laste gelegde delict voltooid, te weten de poging tot diefstal.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een intentie om in te breken in de woning aan de [adres]. Er zijn echter geen aanwijzingen dat dit van tevoren is besproken. De verdediging heeft de rechtbank verzocht te overwegen of er sprake is van vrijwillige terugtred van verdachte. Verdachte was met zijn medeverdachte in de woning maar kreeg wroeging en besloot daarop de woning te verlaten.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2009;

- de aangifte van [slachtoffer];

- het proces-verbaal van bevindingen.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank verwerpt het beroep op vrijwillige terugtred (artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht). Een beroep op vrijwillige terugtred kan niet slagen wanneer sprake is van een omstandigheid die –onafhankelijk van de wil van verdachte- de voltooiing van het voorgenomen strafbare feit heeft verhinderd.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij en zijn mededader de woning hebben doorzocht naar geld of goederen. Verdachte verklaart dat, toen bleek dat er niets van hun gading in de woning aanwezig was, zij de woning wilden verlaten en dat hij kort daarna de politie buiten zag staan. De rechtbank overweegt dat het niet aantreffen door verdachte in de woning van geld of goederen die van zijn gading waren, een omstandigheid is die onafhankelijk is van de wil van verdachte en dat daarmee reeds geen sprake meer kan zijn van een vrijwillige terugtred door verdachte.

De rechtbank overweegt dat hiermee sprake is van een voltooide poging tot diefstal.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 22 mei 2009 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die weg te nemen goederen en/of geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader met een breekijzer en een schroevendraaier, de achterdeur hebben opengebroken (waarna hij en zijn mededader de woning zijn binnengegaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij de artikelen 310 juncto 311 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur 6 (zes) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft verdachte zwaar aangerekend dat hij eerder wegens soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie fors is en een gevangenisstraf van zes tot acht weken volgens de richtlijnen aangewezen zou zijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. De verdediging acht het wenselijker om een werkstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is met zijn medeverdachte vanuit Ede naar Lelystad gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte daar een afspraak hadden met meisjes, die echter niet kwamen opdagen, waarna hij en zijn medeverdachte besloten om dan maar een woninginbraak te plegen. Gezien de omstandigheid dat zich in de auto van verdachte en zijn mededader een hoeveelheid inbrekerswerktuigen werd aangetroffen, acht de rechtbank verdachte’s verklaring onaannemelijk en vat de rechtbank deze op als slechts bedoeld om zijn ware intentie, te weten het plegen van een woninginbraak, te bemantelen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot diefstal door middel van braak in een woning. Aan woninginbraken tilt de rechtbank zwaar, nu deze niet alleen materiële schade (in dit geval braakschade) en praktische overlast voor de bewoners veroorzaken, maar vooral ook een forse inbreuk op hun privacy en een aantasting van hun gevoel van veiligheid opleveren.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 juni 2009.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen feit strafbaar:

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. C.E. Buitendijk en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2009.

Mr. W.F. Roelink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.