Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ2031

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
Awb 09/11
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last met bestemmingsplan strijdige permanente bewoning van recreatiewoning te staken; rechtbank acht termijn van half jaar om andere woonruimte te zoeken niet onredelijk; beroep op zogenaamde 40/12-regel in koopovereenkomst slaagt niet; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/11

Uitspraak

in het geding tussen:

A en B te C,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2008 heeft verweerder eisers gelast de met het bestemmingsplan strijdige permanente bewoning van hun recreatiewoning aan de (…) op park Horsterwold voor 1 december 2008 te staken en gestaakt te houden, zulks onder oplegging van een dwangsom van €.5.000,-- per geconstateerde overtreding per maand, met een maximum van € 25.000,--.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 9 juli 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 26 november 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 2 juni 2008 in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 2 januari 2009, ingekomen op 5 januari 2009, beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2009.

Bij brief van 20 januari 2009 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij schrijven van 17 februari 2009 heeft verweerder verweer gevoerd.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2009, waar eisers in persoon zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtige mr. L. H. Hoogendoorn, werkzaam bij MB-ALL B.V.

2.Overwegingen

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Recreatieterrein Horsterwold 2003” rust op de in geding zijnde gronden de bestemming “Verblijfsrecreatie Klasse I” met de aanduiding “Recreatieterrein”.

Ingevolge artikel 1, onder k, wordt in de planvoorschriften onder woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

Ingevolge artikel 1, onder q, wordt in de planvoorschriften onder een recreatiewoning verstaan een gebouw, geen stacaravan zijnde, al dan niet met vaste fundering, dat dient als recreatief verblijf, waarvan de gebruikers hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben.

Ingevolge artikel 1, onder s, wordt in de planvoorschriften onder recreatief verblijf verstaan verblijf voor recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijkstaande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- en verblijfplaats elders hebben.

Ingevolge artikel 1, onder t, wordt in de planvoorschriften onder permanente bewoning verstaan bewoning van een verblijf als hoofdverblijf.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de betrokken gronden uitsluitend bestemd voor recreatieverblijf in recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften wordt onder verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 in elk geval verstaan het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken, te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

Vaststaat dat eisers hun recreatiewoning aan de (…) gebruiken ten behoeve van permanente bewoning als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, van de vigerende bestemmingsplanvoorschriften. Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

Eisers bestrijden niet dat verweerder van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik heeft kunnen maken, maar achten de door verweerder gehanteerde begunstigingstermijn van zes maanden te kort om de recreatiewoning te verkopen en, in afwachting daarvan, een betaalbare huurwoning in Zeewolde te vinden.

Eisers wijzen in dit verband op de slechte situatie op de woningmarkt en het verslechterde leefklimaat op park Horsterwold.

Ten aanzien van de permanente bewoning van recreatieverblijven voert verweerder beleid dat is neergelegd in de “Notitie permanente bewoning van recreatieverblijven”(vastgesteld op 22 oktober 2002 en bekendgemaakt op 26 augustus 2003, hierna te noemen de beleidsregels). Hierin is aangegeven dat betrokkenen na een eventueel zienswijzengesprek een half jaar de tijd krijgen om andere woonruimte te zoeken.

De rechtbank acht het beleid op dit punt niet onredelijk. Het zienswijzengesprek van eisers met vertegenwoordigers van verweerder heeft plaatsgehad op 10 april 2008. Eisers hebben bij besluit van 2 juni 2008 tot 1 december 2008 de gelegenheid gekregen om aan de last te voldoen. Het bestreden besluit is op dit punt in overeenstemming met het beleid.

Eisers betogen dat verweerder heeft miskend dat de door hen aangedragen bijzondere omstandigheden ertoe nopen dat, in afwijking van het gevoerde beleid, een begunstigingstermijn van twee jaar dient te worden gehanteerd. Zij voeren in dit verband aan dat zij door toedoen van verweerder in de veronderstelling verkeerden dat, met inachtneming van de verplichte afwezigheid gedurende 12 weken per jaar, de recreatiewoning mocht worden bewoond. Eisers wijzen hierbij op het op instigatie van verweerder in de koopovereenkomst van hun woning opgenomen kettingbeding, met daarin opgenomen de 40/12 regel. Uit deze regel konden en mochten eisers afleiden dat zij hun woning mochten gebruiken voor huisvesting, mits zij 12 weken per jaar elders zouden verblijven. Tevens hebben eisers in de bouwaanvraag, die aan de door verweerder verleende bouwvergunning ten grondslag ligt, aangegeven dat het ging om het oprichten van een woning, in het bestemmingsplan omschreven als “bestemd voor huisvesting”. Tot slot geven eisers aan dat verweerder niet heeft gereageerd toen zij zich toentertijd in de gemeentelijke basisadministratie lieten inschrijven op het adres van hun recreatiewoning.

Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb ziet op bijzondere gevallen die bij het vaststellen van de beleidsregels niet zijn voorzien en die in de beleidsregels niet zijn verdisconteerd.

Bij vaststelling van de beleidsregels heeft verweerder er rekening mee gehouden dat in de koopcontracten van de percelen op park Horsterwold (project Lisman) de 40/12 regel is opgenomen, op grond waarvan kopers volgens verweerder geacht worden voldoende te zijn voorgelicht over het toegestane gebruik. Kopers die op het project Lisman hebben ingeschreven kunnen zich ingevolge de beleidsregels om die reden niet aanmelden voor een overgangsregeling, volgens welke regeling bewoners twee jaar de tijd krijgen een andere woning te vinden.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door de 40/12-regel in de koopovereenkomst voor kopers, onder wie eisers, van meet af aan redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat permanente bewoning niet is toegestaan. In de koopovereenkomst staat niet dat de woning gedurende 40 weken per jaar door eisers mag worden bewoond. Er staat dat de woning ten minste 12 weken per jaar niet door de eigenaren zelf mag worden bewoond en daarnaast is met zoveel woorden bepaald dat de recreatiewoning niet voor permanente bewoning is bestemd. Het feit dat eisers in de bouwaanvraag hebben aangegeven dat de bouwwerkzaamheden het oprichten van een woning betreffen, kan hieraan niet afdoen. Hetzelfde geldt voor het uitblijven van een onmiddellijke reactie van verweerder op eisers inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de recreatiewoning. Eisers konden hieraan niet het vertrouwen ontlenen dat permanente bewoning toegestaan was of zou worden gedoogd. Overigens hebben eisers aangegeven dat zij reeds in augustus 2003 middels gemeentelijke publicaties op de hoogte kwamen van het feit dat de 40/12-regel niet bepalend was en de recreatiewoning geen hoofdverblijf mocht zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, waarin verweerder aanleiding had moeten zien van het gevoerde beleid af te wijken.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier, op

Afschrift verzonden op: