Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ1988

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
138676-HA ZA 07-1429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nadat partijen jarenlang verschil van mening hebben gehad over de afwikkeling van een aandelenverkoop en op grond daarvan door IJsselmeer-Beton gepretendeerde vordering, bereiken zij hierover een schikking. In deze procedure vordert Jamiti op grond van onrechtmatige daad vergoeding van de kosten die zij stelt te hebben moeten maken om gedurende drie jaar de door IJsselmeer-Beton gepretendeerde vordering buiten rechte af te weren. Vordering wordt afgewezen: uitgangspunt zoals geformuleerd in o.a. HR 27-06-1997 , JN 1997.651) geldt ook in dit geval. Procederen kan op zichzelf niet als onrechtmatig jegens wederpartij worden aangemerkt, ook niet als dat niet tot een gunstig resultaat leidt. Dit geldt ook voor het buiten rechte pretenderen van een vordering en het volgens niet - om welke reden dan ook aanhanging maken van die vordering. In dit geval is geen sprake van een situatie waarin het pretenderen van de vordering enkel als doel had om zonder enig redelijk belang onrechtmatig aan wederpartij nadeel toe te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138676 / HA ZA 07-1429

Vonnis van 6 mei 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAMITI B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IJSSELMEER-BETON B.V.,

gevestigd te Lemmer,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge.

Partijen zullen hierna Jamiti en IJsselmeer-Beton genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte uitlating productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 24 februari 2003 is er een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten tussen de Stichting Administratiekantoor Hout Beheer (hierna: de stichting) en [A] (hierna: [A]) als verkopers en IJsselmeer-Beton als koper met betrekking tot de verkoop van 100% aandelen in Groot Lemmer B.V. (hierna: Groot Lemmer). IJsselmeer-Beton werd hierbij begeleid door Marktlink Fusies & Overnames B.V. (hierna: Marktlink).

2.2. Op 5 mei 2003 zijn ter uitvoering van de koopovereenkomst de aandelen in Groot Lemmer door de stichting en [A] geleverd aan IJsselmeer-Beton via Jamiti. De levering via Jamiti is geschied om te bewerkstelligen dat de uit de koopovereenkomst voor de stichting en [A] voortvloeiende rechten en verplichtingen werden overgedragen aan Jamiti.

2.3. In artikel 6.8 van de koopovereenkomst is bepaald:

“Tot zekerheid van de betaling van eventuele vorderingen uit hoofde van de garanties, zoals bedoeld in dit artikel, zal door Verkoper een onvoorwaardelijke bankgarantie op eerste afroep van EUR 2.375.000,- (…) worden afgegeven. […] Verder verplicht Koper zich, alvorens zij aan de bank een verzoek doet tot uitbetaling uit hoofde van de bankgarantie, om Verkoper een gemotiveerde onderbouwing van dit verzoek met bijbehorende documentatie te doen toekomen. Indien Koper en Verkoper het binnen twee maanden na verzending van deze onderbouwing niet eens kunnen worden over de gerechtigheid van het verzoek en daarmee de uitbetaling, heeft Koper het recht dit verzoek bij de bank in te dienen en daarmee uitbetaling te bewerkstelligen;”

De Coöperatieve Rabobank Kockengen U.A. te Kockengen heeft op 5 mei 2003 de bedoelde bankgarantie gegeven.

2.4. Bijlage 2 bij de koopovereenkomst bevat garanties en verklaringen met betrekking tot Groot Lemmer, waaronder:

“De winst na belasting in 2002 is gegarandeerd minimaal EUR 453.780,- (NLG 1 mln.) te bedragen. Het eventuele meerdere is derhalve voor Verkoper. De winst zal volgens de bestendige gedragslijnen als omschreven in lid 1 van dit artikel opgesteld worden. (Koper krijgt de gelegenheid tot 30 juni 2003 om dit te controleren, waartoe Verkoper de concept jaarrekening uiterlijk 1 mei 2003 zal aanleveren).”

2.5. IJsselmeer-Beton heeft in verband met deze garantie door Deloitte & Touche boekenonderzoek laten doen bij Groot Lemmer. Deloitte & Touche heeft hiervan een rapport opgemaakt en geconcludeerd dat de gegarandeerde winst over 2002 niet is gehaald. Tussen partijen is daarna veelvuldig gecorrespondeerd over de vraag of aan de garanties is voldaan en of de hiervoor bedoelde door Jamiti gegarandeerde winst over het jaar 2002 al dan niet is gehaald.

2.6. In dit kader heeft Jamiti bij brief van 4 maart 2004 (productie 13 bij dagvaarding) IJsselmeer-Beton als volgt bericht:

“[…]Het is u bekend dat wij ons op het standpunt stellen dat de termijn om een claim in te dienen verlopen is. Desondanks hebben wij het rapport serieus bestudeerd en wel omdat wij geen gebruik van deze formele positie zouden willen maken indien uit het onderzoek ernstige fouten naar voren waren gekomen. Immers zowel u als wij hebben een correcte houding getoond tijdens de onderhandelingen en wij willen daar geen verandering in brengen. Om eerlijk te zijn heeft het rapport ons wel verbaasd. Wij vatten onze conclusies als volgt samen: […] Op grond van bovenstaande is er geen aanleiding terug te komen op ons standpunt dat de termijn om te claimen verstreken is. Wij verzoeken u tot afronding over te gaan.”

2.7. IJsselmeer-Beton heeft op 23 oktober 2006 een verzoek aan de bank tot uitbetaling van een deel van de bankgarantie gedaan, als gevolg waarvan IJsselmeer-Beton (volgens Jamiti ten onrechte) een bedrag van EUR 297.733,00 heeft ontvangen.

2.8. Ook hierna zijn partijen blijven corresponderen over hun geschilpunten, waaronder nu ook de vraag of IJsselmeer-Beton zich wel heeft gehouden aan de voorwaarden die in artikel 6.8 van de koopovereenkomst aan een beroep op de bankgarantie worden gesteld.

2.9. Nadat Jamiti met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 23 februari 2007 conservatoir beslag had gelegd op de bankrekening van IJsselmeer-Beton, heeft Jamiti op 9 maart 2007 aan IJsselmeer-Beton een dagvaarding laten betekenen, waarin IJsselmeer-Beton werd gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank te Leeuwarden en waarin Jamiti vorderde dat IJsselmeer-Beton werd veroordeeld tot betaling aan Jamiti van een bedrag groot EUR 531.250,-- vermeerderd met rente en kosten.

2.10. Hierna heeft op 27 maart 2007 op verzoek van IJsselmeer-Beton een bespreking plaatsgevonden te Muiden. Bij deze bespreking waren aanwezig: de heer [B] namens IJsselmeer-Beton, de heer [C] (directeur van Jamiti, hierna te noemen: [D]) namens Jamiti en de heer [E] (commissaris bij IJsselmeer-Beton, hierna te noemen: [E]). [E] heeft naar aanleiding van deze bespreking de daarbij tussen partijen gemaakte afspraken vastgelegd in een besluitenlijst gedateerd 28 maart 2007 (overgelegd als productie 57 bij dagvaarding).

In de besluitenlijst staat onder meer vermeld:

“Op 28 maart 2007 vond in Muiden een gesprek plaats met het doel finale overeenstemming te bereiken over de claims die verkoper en koper op grond van het koopcontract over en weer geldend hadden gemaakt. […]

1) Koper en Verkoper kwamen overeen dat uiteindelijk per saldo door Verkoper EUR 859 verschuldigd is aan Koper. Alle vorderingen uit hoofde van het koopcontract zijn hiermee dus geregeld. […]

2) […]

3) De praktische uitvoering van 1) is als volgt: Verkoper (bedoeld wordt: koper, rb) betaalt onverwijld aan koper (bedoeld wordt: verkoper, rb) het bedrag dat zij onder de door verkoper gestelde bankgarantie heeft geclaimd, terug onder aftrek van EUR 859 derhalve EUR 296.874. Vervolgens trekt koper eveneens onverwijld, het beslag in dat zij op activa van koper heeft gelegd.”

2.11. [D] heeft op 3 mei 2007 aan IJsselmeer-Beton onder meer geschreven (productie 59 bij dagvaarding):

“[…] Op 27 maart claimde ik de kosten niet, omdat duidelijk was dat de oorzaak bij Marktlink lag. Ben ik misleid? en heeft Marktlink gelijk als ze stellen slechts een verlengstuk van YB te zijn geweest, of heeft U gelijk toen U stelde van essentiële acties van Marktlink niet op de hoogte te zijn geweest? Ik geloofde en geloof U, maar heb wel behoefte aan duidelijkheid. De kosten van Jamiti wens ik vergoed te krijgen en daarom dien ik te weten tegen wie ik dien te procederen.[…]”

2.12. In antwoord hierop heeft IJsselmeer-Beton op 7 mei 2007 geschreven:

“[…] IJsselmeer-Beton B.V. en een door haar ingehuurde partij, de firma Marktlink, hebben destijds gemeend in haar recht te staan door een deel van de betaalde overnamesom bij Jamiti B.V. te claimen. Dat Jamiti B.V. en IJsselmeer-Beton B.V. hiertoe kosten hebben gemaakt hoort bij dit soort transacties. Wij hebben aanloopkosten gemaakt, u heeft verkoopkosten gemaakt.

Gelukkig hebben wij overeenstemming bereikt op 27 maart 2007. Uw correspondentie en aangekondigde acties passen ons inziens niet bij dit bereikte akkoord. Om Marktlink of welke partij dan ook nu in rechte te betrekken, lijkt mij geenszins redelijk. Hieraan willen wij dus niet meewerken. […]”

3. Het geschil

in conventie

3.1. Jamiti vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

a. voor recht verklaart dat IJsselmeer-Beton onrechtmatig jegens Jamiti heeft gehandeld;

b. voor recht verklaart dat IJsselmeer-Beton aansprakelijk is voor de door Jamiti geleden schade ter grootte van EUR 62.983,57 te vermeerderen met de wettelijke rente voortvloeiende uit het bij de dagvaarding omschreven onrechtmatig handelen en/of nalaten van IJsselmeer-Beton en

c. IJsselmeer-Beton veroordeelt tot betaling van schade ter grootte van EUR 62.983,57 te vermeerderen met de wettelijke rente;

d. IJsselmeer-Beton veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. IJsselmeer-Beton voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. IJsselmeer-Beton vordert, onder de voorwaarde dat in conventie een veroordeling plaatsvindt van IJsselmeer-Beton, dat de rechtbank:

1. de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst d.d. 27 maart 2007 vernietigt;

2. Jamiti veroordeelt om aan IJsselmeer-Beton te betalen een bedrag van EUR 398.494,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2007, althans een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van betaling;

3. Jamiti veroordeelt in de kosten van de procedure in voorwaardelijke reconventie.

3.4. Jamiti voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Jamiti vordert op grond van artikel 6: 162 BW vergoeding van kosten die zij stelt te hebben moeten maken om gedurende drie jaar een geheel ongefundeerde vordering van IJsselmeer-Beton buiten rechte af te weren. IJsselmeer-Beton heeft deze beweerdelijke vordering gedurende de periode van 25 juni 2003 tot 13 september 2006 niet onderbouwd en heeft nimmer onderbouwd waarom de termijnen waarbinnen zij op grond van (bijlage 2 bij) de koopovereenkomst haar vorderingen diende in stellen niet waren verstreken, aldus Jamiti.

Na drie jaar ging IJsselmeer-Beton met gebruikmaking van documenten die reeds achterhaald waren over tot het trekken onder de bankgarantie terwijl het voor IJsselmeer-Beton volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat zij geen vordering op Jamiti had. IJsselmeer-Beton weigerde vervolgens het op grond van de bankgarantie uitbetaalde bedrag terug te betalen, terwijl Jamiti reeds meermalen had aangetoond dat de termijn om een vordering in te stellen was verstreken en dat de vordering inhoudelijk niet bleek te deugen. Jamiti is hierdoor genoodzaakt geweest om een raadsman in te schakelen, beslag te leggen en een dagvaarding uit te brengen. Tijdens de bespreking op 27 maart 2007 heeft IJsselmeer-Beton haar vordering uiteindelijk geheel ingetrokken en het onder de bankgarantie getrokken bedrag volledig aan Jamiti terugbetaald, aldus nog steeds Jamiti.

Jamiti heeft hieraan nog toegevoegd dat IJsselmeer-Beton tijdens de bespreking op 27 maart 2007 heeft verklaard niet tevreden te zijn over de door Marktlink verrichte werkzaamheden, dat zij niet bekend was met bepaalde stappen die Marktlink namens haar richting Jamiti had gezet en door Marktlink niet op juiste wijze was geïnformeerd over de haalbaarheid van de vorderingen op Jamiti. Later is gebleken dat IJsselmeer-Beton haar hierbij heeft misleid, omdat uit de brief van 7 mei 2007 (hierboven geciteerd onder r.o. 2.11) blijkt dat IJsselmeer-Beton helemaal niet ontevreden is over Marktlink, zo stelt Jamiti.

Uit dit alles volgt volgens Jamiti dat IJsselmeer-Beton drie jaar lang onrechtmatig heeft gedreigd met een vordering die zij niet kon onderbouwen. Jamiti stelt als gevolg hiervan schade te hebben geleden door het buiten rechte moeten voeren van verweer. Gelet op de complexiteit en het grote belang van de zaak was zij genoodzaakt zeer hoge proceskosten te maken en IJsselmeer-Beton weigert daarom ten onrechte om de kosten die Jamiti heeft moeten maken ter afwering van de beweerdelijke en onterecht gebleken vordering, te vergoeden, zo luidt het standpunt van Jamiti.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 18 februari 2005, NJ 2005, 216 en eerder HR 27 juni 1997, NJ 1997, 651) procederen, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig jegens de in rechte betrokken wederpartij kan worden aangemerkt. Er bestaat slechts in zeer bijzondere gevallen grond de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden (zie HR 17 december 2004, NJ 2005, 361). Bovengenoemd uitgangspunt heeft ook te gelden voor een partij die zich buiten rechte op het standpunt stelt een vordering te hebben op een andere partij en die later op dat standpunt terugkomt of - om welke reden dan ook - besluit om de gepretendeerde vordering niet in rechte aanhangig te maken, bijvoorbeeld omdat – zoals zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan – partijen ter beëindiging van hun geschil een regeling hebben getroffen.

4.3. Gelet op voorgaande overweging moet met terughoudendheid worden beoordeeld of er in dit geval sprake is van onrechtmatig handelen. Dit zou het geval kunnen zijn indien het pretenderen van een vorderingsrecht enkel als doel heeft om zonder enig in redelijkheid te respecteren belang onrechtmatig aan de wederpartij nadeel toe te brengen.

4.4. IJsselmeer-Beton heeft de hiervoor onder 4.1. weergegeven feitelijke stellingen van Jamiti (gemotiveerd) betwist. IJsselmeer-Beton is nog steeds van mening dat zij zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zij wegens het niet-nakomen van de garanties uit de koopovereenkomst een vordering had op Jamiti, dat de daarvoor geldende termijnen niet waren verstreken en dat zij derhalve terecht een beroep heeft gedaan op de bankgarantie.

Uit het onderzoek dat IJsselmeer-Beton heeft laten uitvoeren door Deloitte & Touche volgde dat de in de (bijlage 2 bij de) koopovereenkomst gegarandeerde winst over 2002 niet was gehaald, met als gevolg dat IJsselmeer-Beton een vordering had op Jamiti, zo stelt IJsselmeer-Beton. Het hierover door Deloitte & Touche opgemaakte rapport is volgens haar tijdig naar Jamiti gezonden, maar omdat Jamiti niet inhoudelijk op dit rapport wenste te reageren kon niet worden vastgesteld over welke punten partijen het eens waren en waarover mogelijk nog discussiepunten zouden bestaan.

Later is volgens IJsselmeer-Beton gebleken dat zij nog meer vorderingen had op Jamiti ter zake de koop van de aandelen.

Met betrekking tot het standpunt van Jamiti over het verstreken zijn van de termijnen waarbinnen claims op basis van de koopovereenkomst konden worden ingediend, heeft IJsselmeer-Beton gewezen op de (hiervoor onder 2.6 deels geciteerde) brief van Jamiti d.d. 4 maart 2004, waarin Jamiti heeft verwoord dat zij de formele termijn niet zou handhaven indien sprake zou zijn van ernstige fouten.

Tijdens de bespreking op 27 maart 2007 hebben partijen een regeling in der minne afgesproken waarbij een finale afrekening is overeengekomen. De reden hiervoor was volgens IJsselmeer-Beton niet dat zij op basis van de argumenten van Jamiti had ingezien dat haar vordering ongegrond was; er waren volgens IJsselmeer-Beton andere zakelijke en financiële overwegingen die haar op dat moment hebben doen besluiten om een streep onder de zaak te zetten. Het geschil kostte veel geld, tijd en energie en men wilde nieuwe aandeelhouders niet confronteren met problemen “uit het verleden”, aldus IJsselmeer-Beton.

IJsselmeer-Beton heeft in dit verband erop gewezen dat Jamiti in de op 9 maart 2007 uitgebrachte dagvaarding een bedrag van EUR 525.000,00 te vermeerderen met een bedrag van EUR 6.250,00 aan buitengerechtelijke kosten van IJsselmeer-Beton vorderde, terwijl als gevolg van de bespreking op 27 maart 2007 door IJsselmeer uiteindelijk (slechts) een bedrag van EUR 296.874,00 werd terugbetaald. Hieruit blijkt volgens IJsselmeer-Beton al dat er geen sprake was van een situatie waarin IJsselmeer-Beton haar vordering heeft ingetrokken omdat zij had ingezien dat die volkomen onterecht was.

4.5. Door Jamiti zijn deze stellingen (met uitzondering van laatstgenoemde stelling over het verschil tussen het door Jamiti in de dagvaarding van 7 maart 2007 gevorderde bedrag en het in het kader van de schikking van 27 maart 2007 door IJsselmeer-Beton terugbetaalde bedrag) op haar beurt ook weersproken. Geconstateerd kan dan ook worden dat partijen op veel punten inhoudelijk lijnrecht tegenover elkaar staan. Aan wiens zijde het gelijk ligt op al deze geschilpunten kan echter, gelet op de vordering van Jamiti, in dit geding in het midden blijven. Ter beoordeling ligt immers niet voor of de door IJsselmeer-Beton dan wel de door Jamiti destijds geclaimde vorderingen toewijsbaar zijn, maar de vraag of IJsselmeer-Beton onrechtmatig jegens Jamiti heeft gehandeld door de vordering destijds te pretenderen. Herhaald wordt dat voor die beoordeling van belang is of het pretenderen van dat vorderingsrecht door IJsselmeer-Beton enkel als doel had om zonder enig in redelijkheid te respecteren belang onrechtmatig aan Jamiti nadeel toe te brengen.

4.6. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Gelet op het met het rapport van Deloitte & Touche onderbouwde standpunt van IJsselmeer-Beton kon IJsselmeer-Beton redelijkerwijs met Jamiti van mening verschillen over het antwoord op de vraag of was voldaan aan de in de koopovereenkomst gestelde garanties. IJsselmeer-Beton kon eveneens redelijkerwijs met Jamiti van mening verschillen over de vraag of de termijn om een claim in te dienen was verstreken en over de vraag wat de gevolgen van het eventueel verstrijken van deze termijn zouden moeten zijn. Jamiti heeft immers de bereidheid uitgesproken om, ondanks dat zij zich op het formele standpunt stelde dat de claimtermijnen waren verstreken, uit coulance afstand te doen van dit formele verweer indien uit het rapport van Deloitte & Touche ernstige fouten van Jamiti naar voren zouden komen. Jamiti kan IJsselmeer-Beton dan ook niet verwijten dat zij vervolgens de discussie over het rapport van Deloitte & Touche heeft gecontinueerd. Gelet op de (nog immer) uiteenlopende stellingen van partijen over het al dan niet tijdig (naar een adres met een wellicht verkeerde postcode) verstuurd zijn van stukken en de uiteenlopende interpretatie over de geldende termijnen, geldt ook voor het antwoord op de vraag of IJsselmeer-Beton al dan niet gerechtigd was om een beroep te doen op de bankgarantie, dat daarover van mening kan worden verschild. De stelling dat daarbij door IJsselmeer-Beton gebruik werd gemaakt van achterhaalde documenten is door Jamiti niet onderbouwd.

4.7. Mede in aanmerking genomen dat het volgens de eigen stelling van Jamiti gaat om een complexe zaak met een groot belang, rechtvaardigt de door Jamiti gestelde handelswijze van IJsselmeer-Beton niet de conclusie dat het pretenderen van de vordering door IJsselmeer-Beton geen ander doel had dan het schaden van Jamiti en evenmin dat het enige doel van IJsselmeer-Beton was te proberen zonder enige grond een gedeelte van de koopprijs die zij voor Groot-Lemmer heeft moeten betalen bij Jamiti terug te halen. Andere feiten en/of omstandigheden die deze conclusie zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken.

4.8. Nu er geen sprake is van onrechtmatig handelen van IJsselmeer-Beton komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Hieruit volgt dat het primaire verweer van IJsselmeer-Beton, dat de tussen partijen op 27 maart 2007 overeengekomen finale kwijting mede de thans gevorderde kosten omvat, en hetgeen partijen overigens (zeer uitvoerig) hebben uiteengezet over het al dan niet kunnen slagen van de eerder gepretendeerde (en de in dit geding voorwaardelijk reconventioneel ingestelde) vordering van IJsselmeer-Beton verder onbesproken kan blijven.

4.9. Jamiti zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IJsselmeer-Beton worden begroot op:

salaris advocaat EUR 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.173,00

in reconventie

4.10. De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven. Er is niet een zodanige samenhang tussen de gedingen in conventie en in reconventie dat Jamiti ook als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. De rechtbank zal dan ook geen kostenveroordeling ten aanzien van het geding in reconventie uitspreken.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Jamiti in de proceskosten, aan de zijde van IJsselmeer-Beton tot op heden begroot op EUR 3.173,00,

in reconventie

5.3. verstaat dat niet aan een beslissing wordt toegekomen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M. Peper en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2009.