Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ1942

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
145778 - HA ZA 08-650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop onroerende zaak, boete-beding; geen boete verschuldigd als gevolg van onvoldoende duidelijke aanmaning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak met het zaaknummer / rolnummer: 145778 / HA ZA 08-650

van:

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert,

tegen

1. [C],

2. [D],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat mr. L.A. Drenth.

en in de zaak met het zaaknummer / rolnummer: 150473 / HA ZA 08-1243 van:

1. [C],

2. [D],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in vrijwaring,

advocaat mr. L.A. Drenth,

tegen

1. de vennootschap onder firma [E],

2. [F],

3. [G],

allen gevestigd of wonende te [woonplaats],

gedaagden in vrijwaring,

advocaat mr. M.G. Hees.

De partijen zullen hierna [A], [B], [C], [D] en [F] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure in beide zaken blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2004

- het proces-verbaal van comparitie van 18 maart 2009 met de daaraan gehechte pleitnotities.

2. De feiten

2.1. [A] en [B] hebben op 4 april 2007 aan [C] en [D] de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] verkocht voor EUR 181.500,-- (hierna: de koopovereenkomst). In artikel 4 van de koopovereenkomst is opgenomen dat [C] en [D] tot zekerheid van de nakoming uiterlijk op 16 mei 2007 een bankgarantie van EUR 18.150, moeten stellen of een gelijke waarborgsom op de derdenrekening van de notaris moeten storten (hierna: de bankgarantie). Voorts houdt artikel 8 van de koopovereenkomst in, kort samengevat, dat indien één van partijen tekort schiet deze, na in gebreke te zijn gesteld, na acht dagen tot de dag der nakoming een boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs. De overdracht van de woning diende op 29 juni 2007 plaats te vinden.

2.2. [E] c.s. heeft [C] en [D] begeleid bij de financiering van de door hen gekochte woning.

2.3. Op 15 mei 2007 hebben [C] en [D] aan [A] en [B] bericht dat de taxatie van de woning niet goed was uitgevoerd waardoor hertaxatie moest plaatsvinden en hun verzocht de termijn voor het inroepen van de ontbindende voorwaarden en het stellen van de bankgarantie een week op te schuiven.

[A] en [B] hebben op 21 mei 2007 geantwoord de ontbindende voorwaarde niet, maar de datum voor het stellen van een bankgarantie wèl uit te stellen tot 25 mei 2007.

2.4. Namens [A] en [B] heeft Teammakelaar bij brief van 31 mei 2007 [C] en [D] in gebreke gesteld wegens het niet nakomen van de verplichting tot het stellen van een bankgarantie en hen gesommeerd alsnog binnen acht dagen aan hun verplichting ter zake te voldoen. Verder schrijft Teammakelaar:

“Cliënten maken vanaf heden tevens aanspraak op vergoeding van de als gevolg van uw tekortkoming geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf datum oplevering.”

2.5. Bröring ERA Makelaars heeft op 26 juni 2007 onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde brief, [C] en [D] namens [A] en [B] meegedeeld dat zij in verband met het verlopen van de termijn van acht dagen de notaris zullen verzoeken de dagrentepremie van 3 promille van de koopsom aan hen door te berekenen.

2.6. Op 4 juli 2007 heeft de overdracht van de woning plaatsgevonden. De notaris heeft daarbij geen boete in rekening gebracht.

2.7. Op 6 juli 2007 heeft Klaverblad Rechtsbijstandverzekering namens [A] en [B] onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.4. aangehaalde brief van 31 mei 2007, [C] en [D] aansprakelijk gesteld voor de door [A] en [B] geleden schade als gevolg van het niet tijdig stellen van de bankgarantie en aanspraak gemaakt op de contractueel overeengekomen boete. Volgens Klaverblad is de boete opeisbaar over de periode 8 juni 2007 tot en met 3 juli 2007 en bedraagt deze in totaal EUR 14.157,--.

2.8. [C] en [D] hebben de boete ondanks nadere aanmaning niet voldaan.

3. De vordering in de hoofdzaak

[A] en [B] vorderen, kort samengevat, veroordeling van [C] en [D] tot betaling van EUR 14.157,-- alsmede van EUR 89,25 voor incassokosten.

4. De beoordeling in de hoofdzaak

4.1. Ingevolge artikel 6:93 BW is voor het vorderen van nakoming van het boetebeding een aanmaning nodig. Die aanmaning moet zodanig duidelijk zijn dat er voor de wederpartij geen misverstand over kan bestaan dat aanspraak wordt gemaakt op de overeengekomen boete. In de brief van 31 mei 2007 wordt op niet meer aanspraak gemaakt dan de door [A] en [B] geleden en nog te lijden schade. Die brief bevat, mede gelet ook op het minnelijk overleg dat tot dan had plaatsgevonden en dat tot uitstel van de termijn voor het stellen van een bankgarantie had geleid, een onvoldoende duidelijke aanmaning dat daadwerkelijk aanspraak werd gemaakt op de bedongen boete. [C] en [D] zijn daarom geen boete aan [A] en [B] verschuldigd geworden.

De brief van 26 juni 2007 doet daar niet aan af, omdat deze voortbouwt op de brief van 31 mei 2007.

Ook de brief van 6 juli 2007 leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze is gezonden nadat de woning was overgedragen en er dus geen verplichting tot het stellen van een bankgarantie meer bestond.

De gevorderde boete zal daarom worden afgewezen.

4.2. De gevorderde incassokosten zijn gemaakt in verband met de boetevordering, zij delen daarom het lot daarvan.

4.3. [A] en [B] zullen worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [C] en [D] begroot op EUR 315,-- voor vastrecht en EUR 904,-- voor salaris van de advocaat.

5. De vordering in de vrijwaringszaak

[C] en [D] vorderen, kort samengevat, veroordeling van [E] c.s. tot betaling aan hen van datgene waartoe zij in de hoofdzaak worden veroordeeld.

6. De beoordeling in de vrijwaringszaak

6.1. Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is, moet ook de vordering in de vrijwaringszaak worden afgewezen.

6.2. [C] en [D] zullen worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [E] c.s. begroot op EUR 315,-- voor vastrecht en op EUR 904,-- voor salaris van de advocaat.

7. De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met het zaaknummer / rolnummer: 145778 / HA ZA 08-650:

7.1. wijst de vordering af;

7.2. veroordeelt [A] en [B] te betaling aan [C] en [D] van EUR 1.219,-- voor proceskosten;

in de zaak met het zaaknummer / rolnummer: 150473 / HA ZA 08-1243:

7.3. wijst de vordering af;

7.4. veroordeelt [C] en [D] tot betaling aan [E] c.s. van EUR 1.219,-- voor proceskosten;

in beide zaken:

7.5. verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Huijzer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.