Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ0512

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
07.607323-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

noodweer(exces) intentie tot verdedigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

parketnummer: 07.607323-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. S.J. Buis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 september 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met de vlakke hand) in het gezicht heeft geslagen en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of (vervolgens) zijn arm om het hoofd van die [slachtoffer] heeft geklemd, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of heeft pijn ondervonden

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de laatste regel "heeft pijn" in plaats van "pijn heeft". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Op zondag 14 september 2008 om 08.20 uur kreeg verbalisant R.J. Drenth het verzoek om naar [adres] te Lelystad te gaan naar aanleiding van een gedane melding van een echtelijke twist. Ter plaatse vernam de verbalisant van zijn collega’s dat de vermoedelijke dader de verdachte [verdachte] betrof en dat verdachte waarschijnlijk naar het politiebureau is gegaan om aangifte te doen. Verbalisant Drenth is terstond teruggereden naar het politiebureau, Zuiderwagenplein te Lelystad, alwaar hij verdachte voor het politiebureau, op de openbare weg, heeft aangehouden. Op zondag 14 september 2008 om 08.30 uur is verdachte aangehouden.

Op zondag 14 september 2008 om 09.04 uur heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging op 14 september 2008, naar haar zeggen gepleegd door verdachte. Bij de politie worden, ter gelegenheid van de aangifte van mevrouw [slachtoffer], foto’s van haar letsel gemaakt.

Op 14 september 2008 om 09.35 uur heeft getuige [getuige] een verklaring afgelegd. Diezelfde dag om 12.13 uur heeft verdachte een verklaring afgelegd.

Op 17 september 2008 is mevrouw [slachtoffer] onderzocht door S. van den Berg, arts bij de G.G.D. Flevoland. De arts heeft uitwendig letsel bij mevrouw [slachtoffer] waargenomen.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van aangeefster [slachtoffer], de geneeskundige verklaring opgemaakt door een arts, alsmede de bekennende verklaring van verdachte dat hij aangeefster een klap heeft gegeven.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht. De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte de keel van aangeefster niet heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt, aangezien hiervoor geen steun gevonden kan worden in het dossier.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 juni 2009 ;

- de aangifte van [slachtoffer] met bijlagen ;

- de geneeskundige verklaring .

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 14 september 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen en de keel heeft dichtgedrukt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van noodweer.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe voert de raadsman het volgende aan.

Aangeefster heeft de ruit van verdachte vernield om de woning van verdachte binnen te komen. Aangeefster heeft bewust de confrontatie met verdachte gezocht. Zij wist immers dat verdachte zich met zijn nieuwe vriendin ([getuige]) in de woning bevond. Verdachte is aangevallen door aangeefster. Hij is geslagen en geschopt, wat wordt bevestigd door [getuige]. Er bestond onmiddellijk dreigend gevaar voor verdachte zelf, zijn goederen en voor [getuige]. Verdachte heeft zichzelf, zijn goederen en [getuige] getracht te beschermen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangeefster.

Het proportionele geweld dat verdachte heeft gebruikt, te weten het vastpakken van aangeefster en haar te trachten de woning uit te werken, was geboden.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de klap die verdachte aangeefster heeft gegeven het gevolg is geweest van een onmiddellijke hevige gemoedsbeweging, waar verdachte geen weerstand aan kon bieden. Verdachte lag nog te slapen toen aangeefster de ruit ingooide. Een ruit van de woning van verdachte is door aangeefster vernield. Bovendien is verdachte mishandeld door aangeefster. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is er sprake van noodweerexces.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij boos was op aangeefster omdat zij dreigde dat verdachte de kinderen nooit meer mocht zien. Dat was genoeg voor verdachte om aangeefster te slaan. Tevens heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet heeft gereageerd op de schoppen en het slaan van aangeefster. Pas nadat aangeefster riep dat verdachte de kinderen nooit meer mocht zien en dat zij aangifte zou doen, heeft verdachte aangeefster een klap gegeven. Verdachte blijft ook ter terechtzitting van 8 juni 2009 bij zijn eerder afgelegde verklaringen.

De rechtbank concludeert uit deze verklaringen dat verdachte niet de intentie heeft gehad om zich te verdedigen tegen een mogelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte was boos om de dreigende uitlating van aangeefster. Als reactie op de uitlating van aangeefster heeft verdachte haar een klap gegeven. Er is geen sprake van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 40 (veertig) uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich onthouden van een standpunt omtrent een eventuele strafoplegging, aangezien zij concludeert tot ontslag van alle rechtsvervolging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin [slachtoffer] mishandeld. De aanleiding van deze mishandeling vindt zijn oorsprong mede in het feit dat aangeefster de confrontatie met verdachte heeft opgezocht. De rechtbank weegt mee dat het optreden van aangeefster heeft bijgedragen aan de escalatie van de ruzie tussen aangeefster en verdachte.

Dit neemt niet weg dat mishandeling een ernstig feit is en dat verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een voorwaardelijke werkstraf. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 22 maart 2009 is veroordeeld en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 13 mei 2009.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- een werkstraf van 20 (twintig) uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mr. M.A.A. ter Meer-Siebers en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juni 2009.