Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI9494

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07.607071-09 en 07.607116-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607071-09 en 07.607116-09

Uitspraak: 16 juni 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

verblijvende in het Huis van Bewaring te Lelystad.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Rispens, advocaat te Almere en mr. N.C. Milani, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. C.W.J.M. Janssen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde en gevorderd oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

07.607071-09

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2009 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pak vla (ter waarde van euro 0,86), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn B.V. (filiaal Globeplein 2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd aan geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (winkelmedewerker), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "wat moet je nou met je domme kop" in ieder geval woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) (met het hoofd) een kopstootbeweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of (met kracht) met de vuist een slaande/stompende beweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer].

2.

hij op of omstreeks 16 februari 2009 in de gemeente Almere wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen Globeplein 2 en in gebruik bij Albert Heijn B.V., althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, terwijl hem op 18 december 2008 de toegang tot dat lokaal (voor de duur van een jaar) was ontzegd.

07.607116-09

1.

hij op of omstreeks 6 april 2009 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zak Snickers Mini (ter waarde van euro 2,49), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (filiaal Globeplein), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

2.

hij op of omstreeks 6 april 2009 in de gemeente Almere wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen Globeplein 2 en in gebruik bij Albert Heijn B.V., althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, terwijl hem op 18 december 2008 de toegang tot dat lokaal (voor de duur van een jaar) was ontzegd.

BEWIJS

Ten aanzien van onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 07.607071-09 is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het feit dat het geweld in de richting van [slachtoffer] is gepleegd met het oogmerk om zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte op de dagvaarding met parketnummer 07.607071-09 onder 1 en 2 en op de dagvaarding met parketnummer 07.607116-09 onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

07.607071-09

1.

hij op 16 februari 2009 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pak vla (ter waarde van euro 0,86), toebehorende aan Albert Heijn B.V. (filiaal Globeplein 2).

2.

hij op 16 februari 2009 in de gemeente Almere wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen Globeplein 2 en in gebruik bij Albert Heijn B.V., terwijl hem op 18 december 2008 de toegang tot dat lokaal (voor de duur van een jaar) was ontzegd.

07.607116-09

1.

hij op 6 april 2009 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed toebehorende aan Albert Heijn (filiaal Globeplein).

2.

hij op 6 april 2009 in de gemeente Almere wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen Globeplein 2 en in gebruik bij Albert Heijn B.V., terwijl hem op 18 december 2008 de toegang tot dat lokaal (voor de duur van een jaar) was ontzegd.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

07.607071-09

1.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

2.

In het besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen, strafbaar gesteld bij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht.

07.607116-09

1.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

2.

In het besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen, strafbaar gesteld bij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf in rekening de straf die de verdachte bij vonnis van deze rechtbank d.d. 9 maart 2009 van ter zake meerdere diefstallen is opgelegd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 mei 2009;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 12 maart 2009 uitgebracht door R.J.H. Winter, psychiater;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 1 juni 2009 uitgebracht door M.A. Westerborg, psychiater;

de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Uit voornoemd rapport van psychiater Winter komt het volgende naar voren. Diagnostisch lijkt er, op basis van voorgeschiedenis en mededelingen van elders, voornamelijk sprake te zijn van langdurig (en waarschijnlijk overmatig en gecombineerd) middelenmisbruik. Hoewel er eerder gedacht werd aan een mogelijke psychotische ontwikkeling lijkt dit voornamelijk beperkt te blijven tot korte psychotische episodes, waarschijnlijk samenhangend met middelengebruik. Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen voor een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling. Ondanks eerdere pro justitia rapportage is er nog steeds onvoldoende duidelijkheid over de aard van de stoornis en duidelijk inzicht in eventuele persoonlijkheidsproblematiek, zo concludeert Winter. Hij adviseert daarom een plaatsing in het kader van een klinisch forensische observatie om meer duidelijkheid te krijgen in de onderliggende problematiek van verdachte.

Op 31 mei 2009 heeft psychiater Westerborg verdachte bezocht. Zijn rapport vermeldt het volgende.

Verdachte is een 30-jarige man die bekend is met een chronisch psychotisch syndroom, mogelijk in het kader van een schizofrene stoornis. Verdachte kan in de perioden waarin hij psychotisch is niet of nauwelijks functioneren in de maatschappij. Hij leidt grotendeels een zwervend bestaan en voor zijn dagelijkse behoeften spreekt hij familie of vrienden aan. In veel gevallen is er echter sprake van diefstal, vooral uit supermarkten. Het gevolg van regelmatige inname van medicatie is opmerkelijk. Het huidige toestandsbeeld van verdachte vertoont nauwelijks nog psychotische kenmerken, en betrokkene is goed aanspreekbaar op zijn gedrag. Ook zijn medicatie laat hij zich zonder problemen toedienen. De structuur van regelmaat, strakke begeleiding in combinatie met depotmedicatie doen hem duidelijk goed. Diagnostisch is er sprake van een man met een paranoïde psychose en hallucinatoire belevingen die thans in remissie is onder invloed van medicijnen. Mogelijk is er sprake van een schizofreen proces. Hij is bekend met drugsgebruik.

Westerborg adviseert dat verdachte langere tijd (langer dan een jaar) dient te worden ingesteld op depotmedicatie (antipsychotica) waardoor steunende programma’s, zoals het aanleren van vaardigheden voor de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, enig ziektebesef bijbrengen en het afzien van drugs, kunnen worden toegepast met enig uitzicht op succes. Hij stelt dat uit de voorgeschiedenis van verdachte helder mag zijn dat er voldoende reden bestaat verdachte zo’n behandelprogramma aan te bieden in het kader van geïndiceerde forensische zorg. Verdachte zou daarom in het kader van de ISD maatregel in een daartoe aangewezen setting moeten worden geplaatst. Westerborg realiseert zich dat de psychotische stoornis van verdachte een bezwaar kan opleveren. Het is daarbij echter van belang dat niet wordt getornd aan de depotmedicatie van verdachte. Hij functioneert thans redelijk goed, waardoor, zo’n programma kans van slagen heeft.

De rechtbank is op grond van de bevindingen van psychiater Westerborg van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Het advies van psychiater Winter om verdachte te plaatsen in het kader van een klinische forensische observatie legt de rechtbank daarom naast zich neer.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt.

Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds – 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het op de dagvaarding met parketnummer 07.607071-09 onder 1 en 2 en het op de dagvaarding met parketnummer 07.607116-09 onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren.

De rechtbank gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel na zes maanden na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en M.A.A. Ter Meer-Siebers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2009.

Mrs. G.H. Meijer en A.J. Louter voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.