Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI9195

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
07.607196-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid OM, onrechtmatige aanhouding, redelijk vermoeden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

parketnummer: 07.607196-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 mei 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres]

Raadsman mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 mei 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M.A. Bult, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juni 2008 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik heb een vuurwapen en ik maak jullie allemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2008 in de gemeente Lelystad [slachto[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een schaar, in elk geval met een dergelijk scherp voorwerp, stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2], die zich op korte afstand van hem, verdachte bevond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Wat, ben je bang geworden klootzak, ik ga je steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2008 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] een zogenaamde kopstoot in het gezicht heeft gegeven en/of die [slachtoffer 2] een of meermalen (met kracht) in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 juni 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een zogenaamde kopstoot in het gezicht heeft gegeven en/of een of meermalen (met kracht) in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

T.a.v. feit 2 en 3.

De raadsman stelt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens onherstelbare vormverzuimen (artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering).

Er is volgens de verdediging onvoldoende voortvarendheid betracht door de officier van justitie om de camerabeelden van het voorval op 14 juni 2008 te laten opslaan en te bewaren. Daardoor konden die beelden vernietigd worden. Aldus zijn de camerabeelden niet te gebruiken voor de verdediging om de juistheid van de lezing van verdachte van het voorval aan te tonen. De belangen van een goede verdediging zijn hiermee geschaad.

De raadsman stelt bovendien dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. De aanleiding voor het zoeken naar een verdachte was een melding die slechts de mededeling bevatte dat er een persoon met een schaar op het station in Lelystad zou staan. Er is geen signalement van die persoon doorgegeven, enkel het gegeven dat de persoon richting de rechtbank zou lopen. De politie ziet een negroïde man de straat oversteken en concludeert hieruit dat dit de bedoelde persoon moet zijn. Volgens de raadsman is er op dat moment geen enkele link tussen die persoon en verdachte en daarmee geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2008 blijkt dat op 18 juni 2008, te weten vier dagen na het voorval, door de politie contact is opgenomen met de Cameratoezichtruimte te Amsterdam. Daarbij is mondeling gevorderd om de beelden op het NS station in Lelystad beschikbaar te houden en veilig te stellen in afwachting van een te faxen vordering van de officier van justitie. De medewerker van de Cameratoezichtruimte zou uitzoeken of er beelden waren en zou deze veiligstellen in afwachting van deze vordering, die op 20 juni 2008 per fax is verstuurd. Uit het proces-verbaal blijkt dat de camerabeelden desondanks slechts vijf dagen zijn bewaard en derhalve niet meer aangeleverd konden worden.

De rechtbank is van oordeel dat de politie en officier van justitie de nodige voortvarendheid hebben betracht in het opvragen van de camerabeelden. Het is niet aan de officier van justitie te wijten dat de opgevraagde camerabeelden zijn vernietigd. Het gemis van de camerabeelden is ook overigens niet van zodanige aard dat daardoor de belangen van verdachte ten aanzien van zijn verdediging op grove wijze zijn veronachtzaamd.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van de politie blijkt dat de verbalisanten op 14 juni 2008 om 14.20 uur, tien minuten na de melding bij de politie dat een persoon op het Stationsplein personen met een schaar bedreigt, een negroïde man de Stationslaan zien oversteken. Vervolgens loopt deze persoon, die later als verdachte wordt aangehouden, over het fietspad en probeert over een hek van een bouwplaats te klimmen, naar het lijkt om zich te verstoppen voor de politie of anderen.

In het licht van de omstandigheden zoals die hiervoor zijn weergegeven, waren verbalisanten naar het oordeel van de rechtbank gerechtigd om verdachte aan te houden in verband met de poging mishandeling dan wel bedreiging bij het NS station. Ten aanzien van verdachte kon, gelet op plaats, tijdstippen alsmede zijn poging om over een bouwhek te klimmen een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten poging zware mishandeling dan wel bedreiging, gepleegd bij het NS station, ontstaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanhouding rechtmatig is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

T.a.v. feit 1.

De verdediging voert aan dat de verklaring van getuige [getuige] de aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] niet bevestigt. De getuige bevestigt dat verdachte heeft geschreeuwd in de Burger King in Lelystad. Zij heeft enkel het woord “dood” gehoord. De context van het gesprek tussen aangeefster en verdachte is bij haar niet bekend. De bedreigende woorden zoals genoemd in de tenlastelegging heeft zij niet gehoord.

De verdediging bepleit vrijspraak, aangezien de enkele aangifte onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen.

De rechtbank is van oordeel dat getuige [getuige], als toevallige aanwezige in de Burger King, als een onafhankelijke en onpartijdige getuige kan worden aangemerkt en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van haar verklaringen. De getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte het woord “dood” heeft gebruikt in de kennelijke context van een doodsbedreiging . De rechtbank concludeert dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

T.a.v. feit 2 en 3.

De verdediging voert aan dat binnen een uur na het voorval de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 1] uiteen lopen. De verdediging voert aan dat de verklaringen tussen hen onderling niet stroken. Eveneens stroken de verklaringen van de aangever en de getuige tegenover de politie niet met de verklaringen die zij hebben afgelegd bij de rechter-commissaris. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebezigd dienen te worden.

De verklaringen door aangever en getuige worden volgens de verdediging niet ondersteund door een onafhankelijke getuige. De verklaringen komen uit één bron, aangezien aangever en getuige een relatie hebben.

De verdediging geeft aan dat de verklaring van verdachte geloofwaardig is, aangezien deze wordt ondersteund door de onafhankelijke getuigen [getuige 2] en [getuige 3].

De verdediging bepleit ten aanzien van feit 2 en feit 3 primair vrijspraak.

De rechtbank overweegt als volgt.

Alle getuigen hebben op enig moment een schaar gezien. Verdachte verklaart bovendien dat hij deze schaar bij zich droeg. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 1]. De door hen afgelegde verklaringen komen in grote lijnen overeen met elkaar en met de latere bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank deelt de mening van de verdediging dat onvoldoende bewijs aanwezig is voor de onder 3 primair ten laste gelegde kopstoot. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Hij op 13 juni 2008 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb een vuurwapen en ik maak jullie allemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.

Hij op 14 juni 2008 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een schaar, stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2], die zich op korte afstand van hem, verdachte bevond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Wat, ben je bang geworden klootzak, ik ga je steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

Hij omstreeks 13 juni 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien het onder 3 subsidiair ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte bekent slechts dat hij aangever één klap heeft gegeven uit zelfverdediging. Verdachte werd immers zelf aangevallen door aangever, die een stuk groter is dan verdachte, aldus de verdediging.

De verdediging bepleit ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 3 subsidiair.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van de stukken en de behandeling ter terechtzitting is komen vast te staan, dat –zo er al sprake zou zijn geweest van een aanval door aangever jegens verdachte– het verdachte zelf is geweest die bewust, in een verhoogde graad van agressie de confrontatie met aangever heeft gezocht door aangever met een schaar te bedreigen en een stekende beweging daarmee te maken. Van een hevige gemoedsbeweging als in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is niets gebleken. Onder deze omstandigheden kan een beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slagen, zodat de rechtbank dit beroep verwerpt.

Het bewezene levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3 subsidiair:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) uren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 30 (dertig) uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar.

De officier van justitie vordert opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat strafvermindering is aangewezen indien de rechtbank niet beslist tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens de hiervoor onder 3 genoemde onherstelbare vormverzuimen.

De raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, zonder daarnaast de oplegging van een voorwaardelijk gedeelte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van vormverzuimen, zoals hiervoor onder 3. overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafvermindering, zoals door de verdediging (subsidiair) was verzocht.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voor het bewezen verklaarde kan worden volstaan met een taakstraf.

Een gedeelte van deze straf zal zij voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 april 2009;

- een de verdachte betreffend Voorlichtingsrapport d.d. 15 december 2008 uitgebracht door P. Leek, reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend Voortgangsverslag d.d. 3 februari 2009 uitgebracht door L.M. Benard, reclasseringswerker van Reclassering Nederland.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot:

-een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) uren, waarvan 30 (dertig) uren, subsidiair 15 (vijftien) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

-beveelt dat indien veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 27 (zevenentwintig) dagen, althans een aantal dagen dat evenredig is aan het aantal niet verrichte uren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de taakstraf naar de maatstaf van twee uren taakstraf per dag;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders gelast, op grond van het feit dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. C.E. Buitendijk en mr. S.E. Bins-van Waegeningh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2009.

Mrs. E.W. Akkerman en S.E. Bins-van Waegeningh voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.