Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI9024

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
07.607418-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag, bewijs, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607418-08 (P)

Uitspraak: 11 juni 2009

Tegenspraak

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

postadres [adres]

thans verblijvende in de P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzittingen van 24 maart 2009 en 29 mei 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. Buis, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G.I. Roos, advocaat te Almere, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2008 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer] in de maag, althans tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en/of

- (vervolgens) toen die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal met (forse) kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de nek, althans (elders) tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2008 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer] in de maag, althans tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en/of

- (vervolgens) toen die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal met (forse) kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de nek, althans (elders) tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. Bewijsmotivering

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem primair ten laste is gelegd. Volgens de raadsman kan het opzet op de dood van het slachtoffer niet worden bewezen. De raadsman is van mening dat het subsidiair tenlastegelegde wel kan worden bewezen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte op 20 december 2008 in Lelystad [slachtoffer] in de maag heeft gestompt, hem vervolgens op de grond heeft gegooid en hem daarna meerdere malen hard tegen het hoofd, het gezicht en de nek heeft geschopt/getrapt.

De rechtbank wijst in dit verband op de door verdachte ter terechtzitting van 24 maart 2009 afgelegde verklaring en de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring. Voorts wijst de rechtbank op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

De rechtbank is voorts van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven wilde beroven. Tijdens het verhoor door de politie heeft verdachte immers verklaard dat hij [slachtoffer] wilde afmaken omdat hij een pedofiel is, dat hij met kracht heeft getrapt/geschopt en dat hij daarbij dacht dat als hij het maar hard genoeg deed het hoofd van het slachtoffer uit elkaar zou spatten.

Ten overstaan van de hulpofficier van justitie heeft verdachte verklaard dat hij een pedo heeft geslacht, dat hij het slachtoffer op de grond heeft gegooid en zijn kop heeft ingetrapt en dat verdachte de gehele familie van het slachtoffer afmaakt als het moet.

Tegen de verbalisant [X] heeft verdachte gezegd: ”Zo weer een pedo dood. Weer een pedo dood.”. Verder heeft verdachte tegen [X] gezegd: “Ook jij gaat mij niet tegenhouden [X], jij gaat mij niet tegenhouden. Die pedo moet dood.”, dan wel woorden van gelijke strekking.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij vorenstaande niet letterlijk heeft bedoeld.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding verdachte niet te houden aan zijn eerder afgelegde verklaringen en hetgeen hij toen heeft bedoeld te zeggen.

De rechtbank overweegt voorts nog dat verdachte in ieder geval door [slachtoffer] meerdere keren met kracht tegen het hoofd, het gezicht en de nek te schoppen/trappen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 20 december 2008 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer] in de maag heeft gestompt en

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en

- (vervolgens) toen die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] meermalen met (forse) kracht in het gezicht en tegen het hoofd en tegen de nek heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

5. Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

Er zijn evenmin feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Strafoplegging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zestien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van de Wetboek van Strafrecht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Afdeling Verslavingsreclassering van Tactus Verslavingszorg, ook indien dit inhoudt een behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling Roosenburg van de GGZ-instelling Altrecht te Den Dolder dan wel een soortgelijke instelling

De raadsman stelt zich op het standpunt dat in deze zaak met een gevangenisstraf van

17 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, kan worden volstaan. In dat geval is het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en kan verdachte zo spoedig mogelijk beginnen met de behandeling in Altrecht. De raadsman is verder van mening dat een proeftijd van twee à drie jaren meer op zijn plaats is.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 20 december 2008 in het pand van het Leger des Heils in Lelystad geprobeerd een medemens, die op de grond lag en in een weerloze positie verkeerde, opzettelijk van het leven te beroven door hem meerdere keren hard tegen het hoofd, het gezicht en de nek te schoppen/ trappen. Het betreft hier een ernstig strafbaar feit. Meerdere personen waren op dat moment bij het incident aanwezig en hebben hierop geschokt gereageerd.

De rechtbank is daarom van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Wat de persoon van de verdachte betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 mei 2009;

- de verdachte betreffende voorlichtingsrapporten d.d. 10 maart 2009 en 22 mei 2009, uitgebracht door P.M.Visser, als reclasseringswerker werkzaam bij de Afdeling Verslavingsreclassering van Tactus Verslavingszorg;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 8 maart 2009, uitgebracht door drs. J.A.M. Gresnigt, klinisch psycholoog;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 19 mei 2009, uitgebracht door R.J.H. Winter, psychiater.

Voormeld uittreksel houdt in dat verdachte eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

De deskundige Gresnigt komt tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in termen van cannabisafhankelijkheid en van alcoholmisbruik. Daarnaast is er bij de verdachte primair sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestver-mogens in termen van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, borderline, paranoïde en antisociale kenmerken. Voorgaande heeft in het tenlastegelegde doorgewerkt. Deze doorwerking heeft zijn gedragskeuzemogelijkheden verminderd en tot gevolg gehad dat verdachte in verminderde mate de gevolgen van zijn handelen heeft overzien nadelige consequenties van zijn gedag. Deze deskundige acht verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem ten laste gelegde.

Ook de deskundige Winter komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een langdurige afhankelijkheid van alcohol en cannabis. Daarnaast is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis van het zogenaamde cluster B (met name antisociale en narcistische kenmerken). Ten tijde van het tenlastegelegde was er een zeer sterke beïnvloeding door zowel de ziekelijke stoornis alsook de persoonlijkheidsstoornis. De invloed van de persoonlijkheidsstoornis blijkt dermate te zijn dat verdachte onvoldoende in staat is zijn wilsvrijheid geheel te kunnen bepalen. Deze deskundige acht verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over, maakt deze tot de hare en heeft deze betrokken bij haar oordeelsvorming. De rechtbank concludeert op grond van dit rapport dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat een deel van die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, mits de verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft.

De rechtbank wijst in dit verband op het rapport van Gresnigt, waarin deze heeft aangegeven dat er een groot risico is dat verdachte zal recidiveren. Ook Visser heeft in zijn rapport van 10 maart 2009 aangegeven dat verdachte volgens de Recidive Inschattings Schalen (RISc) hoog scoort voor wat betreft de kans op recidive. Gresnigt en Visser zijn beiden van mening dat het van belang is dat de verdachte een klinische behandeling bij een forensisch psychiatrische afdeling gaat volgen om de kans op recidive te verminderen. Daarnaast achten zij een langerdurend verplicht reclasseringscontact aangewezen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inziet dat hij dient te worden behandeld en dat hij dat ook graag wil op de wijze zoals door Gresnigt en Visser wordt geadviseerd. Mede gelet op de door Visser ter terechtzitting gegeven toelichting zal de rechtbank het advies van Winter om verdachte niet klinisch maar ambulant te behandelen passeren.

Door het opleggen van een deels voorwaardelijke straf wil de rechtbank invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte zodat het door hem opnieuw plegen van een strafbaar feit wordt voorkomen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een langere proeftijd dan de gebruikelijke proeftijd van twee jaren op zijn plaats zou zijn geweest. Een proeftijd van langer dan twee jaren is dit geval echter niet mogelijk, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2007, LJN BB3999, NJ 2008, 146.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en alles daarbij afwegende, acht de rechtbank de na te noemen straf passend.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot zestien (16) maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Afdeling Verslavingsreclassering van Tactus Verslavingszorg, dan wel een soortgelijke instelling, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt voorts als bijzondere voorwaarde dat de verdachte wordt opgenomen en behandeld op de Afdeling Roosenburg van de GGZ-instelling Altrecht in Den Dolder.

De rechtbank bepaalt hierbij dat de opname op de Afdeling Roosenburg van de GGZ-instelling Altrecht in Den Dolder maximaal negen (9) maanden mag/zal duren.

Aldus gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mrs. M.A. Pot en A.W.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2009.