Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI8285

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
Awb 08/1337
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwplan Braamhaar in Diepenveen. Van rechtswege verleende bouwvergunning blijft in stand. Project voorzien van een toereikende ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft in redelijkheid vrijstelling kunnen verlenen met toepassing van artikel 19, lid 2 WRO. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/1337

Uitspraak

in het geding tussen:

Vereniging Landelijk Diepenveen,

te Deventer, eiseres,

gemachtigde: P. van der Noord,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en bouwvergunning fase 1 verleend aan Nikkels projecten BV (Nikkels) ten behoeve van het oprichten van 41 appartementen en 2 woningen (verder: bouwplan Braamhaar) op de percelen gelegen tussen de Oranjelaan, Umbgrovelaan, Gewestlaan en Wechelerweg te Diepenveen.

Namens eiseres is hiertegen op 18 november 2007 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaarschrift ter advisering voorgelegd aan de Algemene bezwaarschriftencommissie Deventer. De commissie heeft op 20 februari 2008 een advies uitgebracht strekkende tot instandhouding van het primaire besluit, waarbij dat besluit dient te worden aangepast in die zin dat geen vrijstelling wordt verleend van het bestemmingsplan “Diepenveen 1976”, doch van het bestemmingsplan “Voorhorst”.

Bij besluit van 4 juli 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder conform beslist. Daarbij heeft verweerder ook de gewijzigde tekening voor inrit nummer 74060 vastgesteld.

Namens eiseres is op 13 augustus 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 17 maart 2009 ter zitting behandeld.

Voor eiseres is verschenen mr. R. Hoogewerff. Verder zijn verschenen H. de Vries, P.A. Zuijdweg en P. van der Noord.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door MSc. E. Busman, ing. G. Klaver, G. Nikkels en ir. H. Rinkel.

2.Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 13 maart 2006 heeft Nikkels verweerder verzocht ten behoeve van het bouwplan Braamhaar toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Op 6 september 2006 heeft verweerder het voornemen om de gevraagde vrijstelling te verlenen bekend gemaakt. Een ieder is in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijzen daaromtrent kenbaar te maken.

Namens eiseres is op 16 oktober 2006 een zienswijze ingediend.

Op 15 november 2006 heeft Nikkels een aanvraag bouwvergunning eerste fase ingediend.

Op 29 november 2006 heeft verweerder deze aanvraag gepubliceerd.

De welstandscommissie “Het Oversticht” heeft op 18 december 2006 laten weten dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Bij brief van 24 mei 2007 hebben gedeputeerde staten van de provincie Overijssel verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van een vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwproject.

Hierna heeft verweerder het primaire besluit genomen en dit bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft beslist binnen de in artikel 49, tweede lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van de Woningwet genoemde termijn van 12 weken na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar. Uit het bepaalde in artikel 49, derde lid, van de Woningwet volgt dat, indien verweerder de vrijstelling heeft verleend en niet voldaan wordt aan het eerste of tweede lid van dit artikel, de bouwvergunning van rechtswege is verleend. Nu verweerder op 9 oktober 2007 de vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend, is de bouwvergunning, gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 49 van de Woningwet op 9 oktober 2007 van rechtswege verleend. Verweerder was derhalve op 7 oktober 2007, toen de vrijstelling was verleend, niet langer bevoegd om op de aanvraag om verlening van de reguliere bouwvergunning te beslissen.

Artikel 49, vierde lid, van de Woningwet bepaalt dat verlening van een bouwvergunning ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank is van oordeel dat het op 18 november 2007 ingediende bezwaarschrift geacht moet worden te zijn gericht tegen de verlening van een bouwvergunning voor het oprichten van 41 appartementen en 2 woningen, van rechtswege.

2.2.2. Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

Het project dient te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

In artikel 19, eerste lid, van de WRO is bepaald dat onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur wordt verstaan een (inter-)gemeentelijk structuurplan. Indien er geen structuurplan is opgesteld wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het huidige bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

2.2.3. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een appartementengebouw van deels 2, deels 3 verdiepingen hoog. In het gebouw zijn 41 appartementen geprojecteerd. Verder omvat het plan de bouw van 2 vrijstaande eengezinswoningen.

Het bouwplan ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Voorhorst”. Op de percelen rust de bestemming “Bestaande voorzieningen, BV”. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor een brandweerkazerne, winkels, andere bouwwerken geen gebouwen zijnde, bomen, tuinen, erven, verhardingen en bijbehorende voorzieningen.

Niet in geschil is dat het bouwplan Braamhaar niet binnen deze bestemming past, zodat de gevraagde bouwvergunning slechts met vrijstelling kon worden verleend.

Zijdens eiseres is aangevoerd dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO neergelegde vrijstellingsmogelijkheid. Namens eiseres is gesteld dat het vigerende bestemmingsplan uit 1976 stamt en dat het op de weg van verweerder zou hebben gelegen eerst dit bestemmingsplan te actualiseren. Daarbij zou de in 2004 vastgestelde Structuurvisie (waarin de uitgangspunten voor de gewenste ontwikkeling zijn neergelegd) leidend moeten zijn.

Eiseres acht het onbegrijpelijk dat in het voorontwerp bestemmingsplan voor het dorp Diepenveen dat in 2008 is opgesteld, de locatie Braamhaar niet is ingevuld.

Verder is namens eiseres betoogd dat sprake is van willekeur nu vrijstelling is verleend van een ander bestemmingsplan dan waarvoor de vrijstelling is gevraagd.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat hier alleen het bestreden besluit ter beoordeling voorligt. De rechtbank heeft derhalve alleen te beoordelen of verweerder toepassing kon en mocht geven aan het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het feit dat eiseres liever had gezien dat verweerder het voorliggende bouwplan planologisch zou hebben verankerd in een nieuw bestemmingsplan valt dan ook buiten de omvang van het geding, nu is gesteld noch gebleken dat verweerder hiertoe om wettelijke redenen gehouden was.

Verweerder kan vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de gevallen die door gedeputeerde staten zijn opgenomen in de Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen (de Handreiking). Verweerder heeft gesteld dat het bouwplan Braamhaar past binnen de categorie A (projecten in bestaand stedelijk gebied (bebouwde kom) onder 1: woning(bouw)projecten (waaronder wijziging van het gebruik) met bijhorende voorzieningen als wegen en groen, dit met uitzondering van projecten op een bedrijfsterrein en mits in overeenstemming met tussen de gemeente en provincie gemaakte prestatieafspraken over de woningbouw.

De rechtbank stelt vast dat gedeputeerde staten op 24 mei 2007 hebben laten weten dat wordt ingestemd met de weerlegging van de ingediende zienswijzen en dat de zienswijzen geen aanleiding geven de gevraagde vrijstelling van het bestemmingsplan niet te verlenen. Het plan is blijkens deze brief in overeenstemming met het ruimtelijke beleid zoals neergelegd in het Streekplan Overijssel 2000+ en de Handreiking. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening en de regionaal inspecteur heeft geadviseerd de gevraagde verklaring af te geven.

Zijdens eiseres is de deugdelijkheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing bestreden. De aanblik en de inpassing van het bouwplan passen volgens eiseres niet in het dorpse beeld. Het bouwplan is veel te massaal. De richtlijnen zoals die zijn neergelegd in de Structuurvisie 2004 worden compleet uitgehold.

De rechtbank stelt vast dat de structuurvisie Diepenveen het volgende uitgangspunt hanteert:

behoud van het dorpse karakter voor het dorp Diepenveen. Dit houdt ondermeer in dat bij nieuw te ontwikkelen locaties de maat en schaal van de bebouwing wordt aangepast aan het dorpse karakter. Verder is in de structuurvisie neergelegd dat het binnenterrein van de voormalige brandweerkazerne met appartementen kan worden bebouwd. Het terrein heeft daarbij een capaciteit van 40 á 50 woningen, aldus de structuurvisie.

Appartementen moeten qua schaal en maat worden ingepast aan de dorpse bebouwing, hetgeen onder andere inhoudt dat maximaal drie bouwlagen zijn toegestaan.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het bouwplan niet binnen de contouren van de Structuurvisie past. Eiseres heeft haar stelling dat het bouwplan stedenbouwkundig niet kan worden ingepast niet laten onderbouwen door een terzake deskundige.

Verweerder is voornemens het bouwplan positief te bestemmen. Het reeds in procedure gebrachte ontwerpbestemmingsplan “Kom Diepenveen” is in die zin aangepast.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat het project is voorzien van een toereikende ruimtelijke onderbouwing. Er is dan ook aan de wettelijke eisen van artikel 19, tweede lid, van de WRO voldaan, zodat verweerder bevoegd was de vrijstelling te verlenen.

2.2.4. Verder heeft de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de genoemde vrijstelling heeft kunnen besluiten.

Namens eiseres is gesteld dat het verlenen van vrijstelling van een ander bestemmingsplan dan waarvoor vrijstelling is verzocht leidt tot willekeur.

Verweerder heeft in het primaire besluit vermeld dat vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan “Diepenveen”. Hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder laten weten dat dit niet juist is omdat in 1996 het bestemmingsplan “Voorhorst” is gaan gelden voor de betrokken percelen. In het bestreden besluit heeft verweerder alsnog vrijstelling verleend van het juiste bestemmingsplan, daarmee gebruik makend van de mogelijkheid om een aan het primaire besluit klevende gebrek te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daardoor niet in haar belangen getroffen.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder heel onzorgvuldig met haar belangen is omgesprongen doordat verweerder steeds heeft volgehouden dat de gevels van de derde bouwlaag terugspringen ten opzichte van de lagere bouwlagen, terwijl dit niet of nauwelijks het geval blijkt te zijn, overweegt de rechtbank als volgt.

Het bouwplan is op het punt van deze derde bouwlaag gedurende de gehele procedure hetzelfde geweest. Eiseres verkeerde, afgaande op de mededelingen van verweerder in de zienswijzennota en het in verweerschrift dat aan de bezwarencommissie is verzonden, in de veronderstelling dat de gevel van de derde verdieping zou inspringen en als gevolg daarvan minder zichtbaar zou zijn.

Bij gelegenheid van de hoorzitting bij de commissie op 11 februari 2008 is eiseres duidelijk geworden dat de gevels slechts enige decimeters inspringen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid niet kan leiden tot vernietiging van het besluit. Immers, de Structuurvisie Diepenveen staat het realiseren van een gebouw met drie etages zonder meer toe, zonder daaraan beperkende voorwaarden te stellen.

Voor zover eiseres beducht is voor aantasting van de privacy van omwonenden overweegt de rechtbank dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing met zoveel woorden heeft gesteld dat de privacy van omwonenden wordt gewaarborgd door het sparen van bestaande bomen en het aanplanten van extra groen.

Het voorgaande betekent dat verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO, zodat het bouwplan niet meer in strijd is met het bestemmingsplan “Voorhorst”.

2.2.5. De rechter volgt eiseres ook niet in haar stelling dat de welstandscommissie niet - dan wel onvoldoende - rekening heeft gehouden met de dorpse omgeving.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogen burgemeester en wethouders een advies van de welstandscommissie zonder nadere toelichting overnemen, tenzij een der partijen een tegenadvies van een deskundige inbrengt. Dit is anders als aan de inhoud dan wel de wijze van tot stand komen dusdanige gebreken kleven dat burgemeester en wethouders dit advies niet of niet zonder meer aan hun besluit ten grondslag konden leggen.

Eiseres heeft geen advies van een deskundige ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt, doch volstaan met het inbrengen van hun eigen mening op deze punten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het positieve welstandsadvies aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.2.6. De rechtbank is al met al van oordeel dat zich geen weigeringgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voordoen. Als gevolg daarvan is van rechtswege een bouwvergunning verleend voor het bouwplan en die vergunning is bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

2.2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op

Afschrift verzonden op: