Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI5487

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
: 07.607064-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, voorwaardelijk opzet, aanwezig hebben hennep, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607064-09 (P)

Uitspraak: 26 mei 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

verblijvende in de P.I. Flevoland - Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2009 te Lelystad.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Janssen en van hetgeen door de verdachte en de raadsman van verdachte,

mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2008 tot en met 3 december 2008, in elk geval op of omstreeks 3 december 2008 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 740 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2008 tot en met 16 december 2008, in elk geval op of omstreeks 16 december 2008 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 436 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2008 tot en met 10 januari 2009, in elk geval op of omstreeks 10 januari 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 438 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2008 tot en met 13 januari 2009, in elk geval op of omstreeks 13 januari 2009 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 731 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2008 tot en met 13 januari 2009, in elk geval op of omstreeks 13 januari 2009 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 834 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 november 2008, in elk geval op of omstreeks 20 november 2008 in de gemeente Nieuwegein tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan De [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 447 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7. (zoals dit ter terechtzitting is gewijzigd)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met

10 februari 2009 in de gemeente Almere en/of Lelystad en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen in/uit

- (1) De [adres] in de gemeente Almere 11.863 kWh en/of

- (2) [adres] in de gemeente Lelystad 26.261 kWh en/of

- (3) [adres] in de gemeente Lelystad 13.006 kWh en/of

- (4) [adres] in de gemeente Almere 86.606 kWh en/of

- (5) [adres] in de gemeente Lelystad 6.595,35 kWh en/of

- (6) De [adres] in de gemeente Nieuwegein 44.549 kWh,

althans (telkens) een (grote) hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan:

- (1) N.V. Continuon Netbeheer en/of

- (2) Liander N.V. en/of

- (3) Liander N.V. en/of

- (4) Liander N.V. en/of

- (5) Liander N.V. en/of

- (6) Stedin B.V.,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1. Vaststaande feiten

Op de in de tenlastelegging genoemde data is op de daarin genoemde adressen en plaatsen door de politie een hennepkwekerij aangetroffen. In die zes woningen zijn respectievelijk 740, 436, 438, 731,834 en 447 hennepplanten aangetroffen.

Op die data werden de woningen gehuurd door verdachte. De verdachte heeft voor alle adressen met de verhuurder een huurovereenkomst gesloten.

4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de hem onder 1. tot en met 7. ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair betoogd dat verdachte van de aan hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken, omdat het bewijs dat verdachte deze feiten zou hebben gepleegd ontbreekt. Weliswaar had verdachte een huurcontract gesloten voor woningen, waarin enige tijd later hennepkwekerijen zijn aangetroffen, maar op de data waarop die hennepkwekerijen werden aangetroffen in die woningen, had verdachte deze onderverhuurd. Verdachte beschikte vanaf de data van onderverhuur zelf niet meer over een sleutel van deze woningen, omdat hij deze aan de onderverhuurder had overhandigd. Hij kon vanaf die data dus niet meer in die woningen komen. De woning in Nieuwegein werd onderverhu[huurder]. De andere woningen werden onderverhuurd aan een meneer Smit uit Dronten, die een uitzendbureau heeft. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen enkele wetenschap heeft van hetgeen er in de woning is gebeurd. Het lijkt er op dat anderen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het aanleggen van de kwekerijen, aldus de raadsman.

De raadsman stelt zich subsidiair op het standpunt dat, indien bewezen zou kunnen worden dat verdachte enige wetenschap in de vorm van voorwaardelijk opzet zou hebben gehad op de aanwezigheid van de hennepkwekerijen, dan geldt dat dit enkele handelen niet als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Niet kan worden bewezen dat de verdachte de hennepkwekerijen zelf heeft aangelegd. Dan zou dat volgens de raadsman in een bewuste en nauwe samenwerking met een ander of anderen moeten zijn gebeurd. Dat kan evenmin worden bewezen.

Meer subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat indien de verklaring van de verdachte niet aannemelijk wordt geacht het noodzakelijk is om zes getuigen te horen teneinde aan te tonen dat verdachte geen enkele betrokkenheid bij de hennepkwekerijen heeft gehad. Mocht de zaak naar de rechter-commissaris worden verwezen, dan verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen dan wel te schorsen.

4.4. Bespreking van de standpunten

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen of een ander opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt. De rechtbank overweegt hiertoe dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn, die een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen kunnen aantonen.

De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op de data waarop de hennepkwekerijen in de zes woningen zijn aangetroffen opzettelijk een hoeveelheid hennepplanten aanwezig heeft gehad. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen volgt dat er in de door verdachte gehuurde woningen op de in de tenlastelegging genoemde data een hennepkwekerij is aangetroffen. (Zie voetnoot 1). Verder staat vast dat verdachte deze woningen op die data huurde. (Zie voetnoot 2).

Verdachte heeft verklaard dat hij de woningen op de data waarop de hennepkwekerijen zijn aangetroffen, heeft onderverhuurd aan derden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de woningen op de data waarop de hennepkwekerijen in de woningen zijn aangetroffen waren onderverhuurd, in aanmerking genomen dat de verdachte daarvan geen huurcontracten heeft overgelegd. Dat Smit niet heeft voldaan aan de afspraak om huurovereenkomsten op te stellen en deze aan verdachte op te sturen, komt voor rekening en risico van de verdachte. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat verdachte geen afschrift heeft bewaard van het huurcontract dat hij met [huurder] heeft opgesteld.

Het “aanwezig hebben” in de zin van artikel 3 onder C van de Opiumwet is kleurloos, dat wil zeggen dat daaraan geen eisen van beschikkings- of beheersbevoegdheid zijn gesteld, noch eisen van enigerlei wetenschap van het aanwezig hebben. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 13 februari 2008 (LJN BC5429). Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte hennepplanten aanwezig heeft gehad.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte de voorwaardelijke opzet op het aanwezig hebben van de hennepplanten heeft gehad. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in die woningen hennepplanten zouden kunnen worden aangetroffen, in aanmerking genomen dat de verdachte deze woningen heeft gehuurd, dat hij niet voornemens was om deze woningen te bewonen, dat er niet in deze woningen kon worden gewoond aangezien er geen slaapplaatsen in die woningen zijn aangetroffen en dat verdachte eerder betrokken is geweest bij Opiumwetdelicten.

De rechtbank acht het niet noodzakelijk de door de raadsman genoemde zes getuigen te horen, nu het tezamen en in vereniging telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennepplanten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Bovendien is voor het “aanwezig hebben” geen wetenschap vereist.

Ten aanzien van de diefstal van electriciteit is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu betrokkenheid van verdachte bij het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken niet kan worden bewezen.

5. De bewezenverklaring

1.

hij op 3 december 2008 in de gemeente Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 740 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 16 december 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 436 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 10 januari 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 438 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 13 januari 2009 in de gemeente Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 731 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op 13 januari 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 834 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

hij op 20 november 2008 in de gemeente Nieuwegein opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan De [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 447 hennep-planten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Van het onder 1. tot en met 6. meer of anders en het onder 7. aan de verdachte ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. Strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert telkens op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

7. Oplegging van straf of maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van de verdachte ter zake van de 1. tot en met 7. ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft betoogd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een deel van de gevangenisstraf zou als stok achter de deur voorwaardelijk kunnen worden opgelegd.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte op zes verschillende adressen opzettelijk een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad. Gelet op de wijze waarop de hennepkwekerijen zijn opgezet en het aantal aanwezige hennepplanten is sprake van professionele hennepkwekerijen.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 april 2009, waaruit blijkt dat verdachte op 11 maart 2009, 9 juni 2008 en 28 maart 2006 is veroordeeld ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij ondanks eerdere veroordelingen is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten die verband houden met de Opiumwet.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen zoals de raadsman heeft betoogd, in aanmerking genomen dat verdachte vóór de bewezenverklaarde feiten reeds twee maal is veroordeeld ter zake van handelen in strijd met de Opiumweten verdachte desondanks opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hem toebehorende op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde spelcomputer (nr. 1 op de lijst), aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de bewaring ten behoevende van de rechthebbende(n) gelasten van de op de lijst van inbeslaggenomen goederen vermelde computer (nr. 2 op de lijst), nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave aan [X] gelasten van de aan hem toebehorende voorwerpen, genoemd onder 3 tot en met 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de bewaring ten behoevende van de rechthebbende(n) gelasten van de op de lijst van inbeslaggenomen goederen vermelde mobiele telefoons (nr. 11 op de lijst), nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave aan [Y] gelasten van de aan hem toebehorende mobiele telefoon, genoemd onder 12 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de teruggave aan [Z] gelasten van de aan hem toebehorende Rabobank-pas, genoemd onder 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De oplegging van straf of maatregel is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

Het onder 7. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1. tot en met 6. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1. tot en met 6. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 (achttien) maanden.

De tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave van het onder 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp aan de verdachte.

De rechtbank gelast de bewaring van de onder 2 en 11 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende(n).

De rechtbank gelast de teruggave van de onder 3 tot en met 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen [X].

De rechtbank gelast de teruggave van de onder 12 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp aan [Y].

De rechtbank gelast de teruggave van de onder 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp aan [Z].

Aldus gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2009.