Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI5450

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
07.610097-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, ontucht, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

parketnummer: 07.610097-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 mei 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren [geboortedatum]

wonende te [adres]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 mei 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M. van der Borg, en de raadsvrouw van verdachte, mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 november 2008 in de gemeente Lelystad door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op 10 mei 2002) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] bij haar lichaam heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] heeft meegesleurd of meegetrokken naar een slaapkamer (van haar broer [X]) en/of

- die [slachtoffer] op haar buik op een (aldaar staand) bed heeft gegooid of geduwd en/of

- de broek en/of de onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of

- op de [slachtoffer] is gaan liggen, waardoor of waarna die [slachtoffer] niet meer weg kon komen en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 november 2008 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op 10 mei 2002) te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

- die [slachtoffer] bij haar lichaam heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] heeft meegesleurd of meegetrokken naar een slaapkamer (van haar broer [X]) en/of

- die [slachtoffer] op haar buik op een (aldaar staand) bed heeft gegooid of geduwd en/of

- de broek en/of de onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of

- op de [slachtoffer] is gaan liggen, waardoor of waarna die [slachtoffer] niet meer weg kon komen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en/of

hij op of omstreeks 25 november 2008 in de gemeente Lelystad, met [slachtoffer] (geboren op 10 mei 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit - het meermalen, althans eenmaal, brengen of duwen van zijn, verdachtes, penis tegen en/of tussen de billen of bilnaad van die [slachtoffer].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Op 25 november 2008 is de twaalfjarige [verdachte] aan het spelen bij zijn vriendje [X] aan de [adres]. De jongens spelen boven op de kamer van [X]. Ook het zesjarige zusje van [X], [slachtoffer], is boven aan het spelen. [X] gaat op enig moment naar beneden en [verdachte] gaat dan met zijn penis tussen de blote billen van [slachtoffer].

4.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot voornoemde vaststaande feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2009 afgelegd;

• het op 26 november 2008 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2008085824-9, inhoudende een aangifte van de moeder van [slachtoffer], [Moeder];

• het op 25 november 2008 in de wettelijke vorm opgemaakte proces verbaal van bevindingen met nummer 2008085824-5, inhoudende een relaas van verbalisanten C.M.L. de Vries en E.H. Brands;

• de schriftelijke weergave van het studioverhoor van [slachtoffer] dat op

15 december 2008 heeft plaats gevonden.

4.3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrij gesproken, nu het bewijs voor het seksueel binnendringen ontbreekt.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de subsidiair en cumulatief meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.4 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft onder andere aangevoerd dat de feitelijkheden zoals opgenomen in de tenlastelegging merendeels niet aan de orde zijn geweest. Bovendien blijkt uit medisch onderzoek dat er in het geheel geen fysieke sporen waren van enig binnendringen. De raadvrouw heeft aangegeven dat het (cumulatief) meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.

4.5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de zich in het dossier bevindende stukken volgt geen wettig bewijs dat van enig binnendringen sprake is geweest.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook het subsidiair ten laste gelegde, de poging tot verkrachting, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte verklaart dat hij met zijn penis tussen de billen van [slachtoffer] is geweest. Hij verklaart dat hij niet in de anus van [slachtoffer] is geweest. Hij verklaart dat hij niet zo goed wist wat hij wou doen en dat hij zijn penis heeft teruggetrokken, omdat hij besefte dat het niet goed was wat hij deed.

Gelet op deze verklaring van verdachte, mede in relatie tot de stand van de seksuele ontwikkeling waarin verdachte zich gelet op zijn leeftijd (en de bevindingen van de rechtbank dienaangaande) ten tijde van het tenlastegelegde feit bevond, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op het seksueel binnendringen bij [slachtoffer].

De verdachte dient van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

4.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 november 2008 in de gemeente Lelystad met [slachtoffer] (geboren op 10 mei 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het brengen of duwen van zijn, verdachtes, penis tegen en tussen de billen of bilnaad van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het volgende strafbare feit op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie, waarvan 75 uren subsidiair 37 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde contact met de jeugdreclassering ook als dat inhoudt deelname aan ITB-Criem en/of behandeling bij De Waag.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het zou passen, mede gelet op de behandeling die al is ingezet, te volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een zesjarig meisje. Het handelen van verdachte heeft zowel op het slachtoffer als op haar familie een grote impact gehad. Ook valt niet uit te sluiten dat het handelen van verdachte in de toekomst een negatieve invloed op het slachtoffer zal hebben.

De rechtbank neemt daarnaast als strafverlichtend in aanmerking dat verdachte slechts twaalf jaren oud is en nog niet is uitontwikkeld. Verdachte is bovendien in behandeling gegaan en is door de situatie gedwongen met zijn familie naar een andere plaats verhuisd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 8 april 2009 uitgebracht door Bureau Jeugdzorg Flevoland/jeugdreclassering;

- de verdachte betreffende raadsrapportages d.d. 27 november 2008 en 11 december 2008 uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 22 maart 2009 uitgebracht door P.M. Boeting;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 20 april 2009 uitgebracht door drs. M. van Heeteren;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door Bureau Jeugdzorg Flevoland, jeugdreclassering, ook als dit inhoudt deelname aan ITB-Criem en/of behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, zulks zolang Bureau Jeugdzorg Flevoland dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan deze instelling als bedoelt in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

- bepaalt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 mei 2009.