Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4792

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
Awb 08/976
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart beroep tegen onvoldoende beoordeling en daaropvolgend ongeschiktheidsontslag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/976

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. P.A.A. Duk, advocaat te Den Haag,

en

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

verweerder,

gemachtigde mr. C.C. Oberman, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

Op 12 december 2006 heeft met eiser een gesprek plaatsgevonden over diens functioneren over het jaar 2006. In het van dit gesprek opgemaakte verslag is zijn functioneren vervolgens als on-voldoende beoordeeld.

Bij brief van 21 december 2006 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt hem met toepassing van artikel B 9 sub h van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (verder: CAP) vanwege onder meer twee opeenvolgende onvoldoende beoordelingen per 1 april 2007 ontslag te verlenen. Bij brief van 15 januari 2007 heeft eiser een reactie op dit voornemen gegeven.

Bij brief van dezelfde datum heeft eiser bezwaar aangetekend tegen de beoordeling.

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hem met ingang van 1 april 2007 ontslag wordt verleend.

Eiser heeft tegen dit besluit op 25 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Eiser is op 16 maart 2007 gehoord door de Algemene bezwarencommissie personele aangelegenheden (verder: de bezwarencommissie).

Bij besluit van 17 april 2007 heeft verweerder, met overname van het advies van de bezwarencommissie, de bezwaren tegen de onvoldoende beoordeling over 2006 en het verleende ontslag ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit op 24 mei 2007 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 6 maart 2008 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank heeft daar bij – samengevat – overwogen dat de beroepsgrond van eiser dat de beoordelingen van zijn functioneren over het jaar 2005 niet op de juiste wijze is afgehandeld geen doel treft. De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen dat een heroverweging van het beoordelingsbesluit van 12 december 2006 op de wijze als in artikel 7:11 van de Awb voorgeschreven niet heeft plaatsgevonden, noch in het advies van de bezwarencommissie, noch door verweerder die het advies van de commissie heeft overgenomen. Verder is overwogen dat het besluit op bezwaar van 17 april 2007 onvoldoende gemotiveerd was nu op geen van de door eiser aangevoerde argumenten tegen de beoordeling en het ontslag is ingegaan.

Tegen deze uitspraak is door geen van de partijen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft verweerder zowel het bezwaar tegen het beoordelingsbesluit van 12 december 2006 als het bezwaar tegen het ontslag opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit op 20 juni 2008 beroep ingesteld. Op 15 augustus 2008 heeft eiser dit beroep van aanvullende gronden voorzien.

Op 30 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 april 2009.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtige, voornoemd.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, voornoemd en vergezeld door drs. M.F.A. Haselager en ir. P. Spapens.

2. Overwegingen

De rechtbank verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden naar haar uitspraak van

6 maart 2008.

Zij gaat er op basis van het verhandelde ter zitting van uit dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de beoordeling van eisers functioneren over het jaar 2005 inmiddels in rechte vast staat.

In het onderhavige geding dient thans eerst de vraag te worden beantwoord of de beoordeling van eisers functioneren over het jaar 2006 op onvoldoende grond berust. Dit is de – terug-houdende –toetsingsmaatstaf die krachtens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt gehanteerd als het een beoordelingsbesluit betreft. In deze jurisprudentie is tevens aangegeven dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat een negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust en dat daarbij niet beslissend is of elk feit ter adstructie van de waardering boven iedere twijfel verheven is. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen onderdelen van de beoordeling de gegeven waarde-ringen de hiervoor bedoelde toetsing kunnen doorstaan.

Eiser bestrijdt dit en heeft daartoe, kort weergegeven, aangevoerd dat de stelling dat meerdere elkaar opvolgende leidinggevenden (ernstig) disfunctioneren hebben vastgesteld niet houdbaar is. Er was naast waardering weliswaar ook kritiek op onderdelen van zijn func-tioneren maar daarover is gesproken, daarnaar is gehandeld en er zijn veranderingen in de functie doorgevoerd. Deze kritiek valt niet te scharen onder de noemer “ernstig disfunctione-ren” en die kritiek heeft tot 2005 ook nooit tot een onvoldoende beoordeling geleid.

Van de zijde van verweerder is, eveneens kort weergegeven, gesteld dat voldoende inhoudelijke argumenten voor de beoordeling over 2006 zijn aangedragen. Bij de beoordeling van de prestaties van eiser in dat jaar is nadrukkelijk rekening gehouden met zijn ziekteverzuim (in de zomerperiode). Er bestond geen verband tussen het ziekteverzuim en de slechte prestaties van eiser. Het geheel overziend kan naar het oordeel van verweerder niet anders geconcludeerd worden dan dat eiser niet in staat is om op basis van goede analyses en heldere communicatie in een helder en vlot verlopend proces tot een gedegen product te komen.

Eiser heeft ter zitting nog gereageerd op de verschillende kritiekpunten en gesteld dat verweerder zijn herhaalde bezwaren tegen de beoordeling nog steeds niet overtuigend heeft weerlegd. Hij is van oordeel dat de verwijten die verweerder hem heeft gemaakt op het onderdeel Op een Hoger Plan door hem zijn ontkracht, dat zijn bijdragen aan Speerpunt Noordelijk Flevoland, die door de opdrachtgevers als voldoende en bruikbaar zijn aangemerkt, ten onrechte door verweerder zijn gediskwalificeerd en dat het verwijt van verweerder dat hij niet tot een afronding van het Project Landschapsadviseur kon komen geen doel treft. Verder is hij van oordeel dat verweerder zijn bijdragen aan het Omgevingsplan Flevoland en de beleidsmatige verslagen die hij in 2006 produceerde ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten en zijn optreden in een Symposium Randstad 2040 heeft genegeerd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder van oordeel is dat de Nota Op een Hoger Plan het enige product is dat eiser in 2006 heeft weten te realiseren zonder negatieve inhoudelijke of procesmatige opmerkingen en/of sturing. Gelet op het niveau van eisers functie mocht dit ook van hem worden verwacht.

De kritiek van verweerder ten aanzien van Speerpunt Noord is tweeërlei: eiser heeft verzuimd om volgens afspraak eind augustus 2006 een schets te geven van de onderwerpen die speelden en het concept van het stuk dat hij uiteindelijk produceerde bevatte geen enkele inhoudelijke invulling of verduidelijking. Naar het oordeel van verweerder illustreert dit tevens hoe eiser met afspraken omgaat en dat hij zich niet bewust is van de nadelige effecten welke zijn handelwijze kunnen hebben voor anderen, in casu voor het adjunct afdelingshoofd Spapens, die op de stafbijeenkomst waar (ook) dit speerpunt aan de orde zou komen, niet over de gevraagde informatie beschikte. Naar aanleiding van het door eiser ter zitting nog aangevoerde argument dat hij de datum van deze bijeenkomt niet kende en dat hem vóór deze bijeenkomst niet om het stuk was gevraagd heeft de heer Spapens ter zitting verklaard dat de afspraak was dat eiser het stuk eind augustus 2006 zou inleveren. Als eiser de datum van de bijeenkomst niet wist had hij daarover contact kunnen opnemen met de adjunct afdelingschef en niet omgekeerd.

Ten aanzien van eisers bijdrage aan het Project Landschapsadviseur is van de zijde van verweerder betoogd dat het een uitdaging voor een senior beleidsmedewerker zou moeten zijn om tot een heldere en inhoudelijke bijdrage te komen, op basis van een zelfstandige benadering in overleg met collega’s en externe partijen. Afspraak was dat op 17 november 2006 een concept Plan van Aanpak inclusief eerste gedachten over de invulling van een landschappelijk adviseur op papier zou staan. Ondanks herhaald aandringen van de heer Spapens en een clustercoördinator heeft eiser echter geen besprekenswaardig stuk kunnen aanleveren. Het bleef bij een half A4’tje met wat onbegrijpelijke steekwoorden. Naar aanleiding van eisers verwijzing in het bezwaarschrift van 15 januari 2007 naar een aantal producties van zijn hand over dit onderwerp heeft verweerder in het thans bestreden besluit toegelicht dat het ofwel geen eigen beleidsstukken betrof ofwel als concept Plan van Aanpak onvoldoende van kwaliteit was.

Ter zitting heeft eisers direct leidinggevende nog een nadere toelichting gegeven op de door eiser ter zitting verder aangevoerde argumenten, waarbij hij er onder meer op gewezen heeft dat eisers optreden tijdens een symposium in het kader van de beoordeling van zijn functioneren geen rol van betekenis kan spelen. Het gaat om de kernactiviteiten van eisers functie en juist daarin is hij tekortgeschoten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de visie van eiser en die van verweerder op het functioneren van eiser de afgelopen jaren haaks op elkaar hebben gestaan en zijn blijven staan. Met inachtneming van de hiervoor geschetste toetsingsmaatstaf is de rechtbank evenwel tot de conclusie gekomen dat verweerder de negatieve kwalificaties in de beoordeling over het jaar 2006 met voldoende objectieve en concrete voorbeelden heeft onderbouwd en dat de door eiser tegen de beoordeling aangevoerde bezwaren in het thans bestreden besluit genoegzaam zijn weerlegd.

De in geding zijnde vraag of de op de verschillende onderdelen van de beoordeling gegeven waarderingen de rechterlijke toets kunnen doorstaan wordt derhalve bevestigend beantwoord en eisers beroep tegen de beoordeling over het jaar 2006 wordt ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit tevens het besluit gehandhaafd om eiser ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan door ziekte of gebreken.

Aan dat besluit heeft verweerder de onvoldoende beoordelingen over de jaren 2005 en 2006 ten grondslag gelegd, aangevuld met verslagen van tussentijdse evaluatiegesprekken, waaruit naar het oordeel van verweerder is af te leiden dat eiser zowel inhoudelijk als wat betreft zijn werkhouding niet heeft gefunctioneerd op het niveau dat van een senior beleidsmedewerker mag worden verwacht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat al in 2000 uit een verslag van een functioneringsgesprek blijkt van klachten over eisers functioneren in de sfeer van het niet nakomen van afspraken, het niet verder afwerken van een procedure, het niet tijdig aanpassen van een beleidsregel en het niet adequaat reageren op verzoeken, stukken en gevraagde informatie. In 2001 is vastgesteld dat eiser aan het coördinerend element in zijn toenmalige functie onvoldoende vorm en inhoud gaf en dat zijn functioneren tot dan toe (na ongeveer anderhalf jaar) onder de maat is gebleven. Eind 2002 (inmiddels was er een andere leidinggevende) blijkt de coördinatie nog steeds niet goed uit de verf te zijn gekomen en per 1 oktober 2003 is de coördinatie van de cluster Ruimtelijk beleid door een collega van eiser overgenomen.

In januari 2004 heeft zijn leidinggevende aangegeven dat eiser zijn werkzaamheden in 2003 goed heeft verricht, maar dat de interne afstemming met collega’s zowel binnen de afdeling als daarbuiten niet altijd goed verlopen en verbetering behoeft. Over 2004 is geen beoordelingsgesprek gehouden in verband met ziekte van eiser.

In het verslag van een functioneringsgesprek van 10 juni 2005 is onder meer vermeld dat eiser ondanks zijn inzet inhoudelijk en kwalitatief niet de prestaties van een senior beleidsmedewerker heeft kunnen leveren en dat het voor hem blijkbaar niet mogelijk is om binnen de geplande tijd en conform de gemaakte afspraken zijn werkzaamheden uit te voeren. Eiser kan niet waarmaken waarvoor hij is aangesteld en er is daardoor een onhoudbare situatie binnen de afdeling ontstaan.

Uit de schriftelijke reactie van eiser blijkt dat hij zich niet herkent in de kritiek op zijn functioneren en deze van de hand wijst.

Met eiser zijn vervolgens afspraken gemaakt over zijn functioneren, vastgelegd in een brief van 11 juli 2005. In deze brief is duidelijk verwoord dat is besloten eiser een laatste kans te bieden om zijn functioneren te verbeteren.

Uit het verslag van het beoordelingsgesprek d.d. 11 januari 2006 blijkt dat eiser in het jaar 2005 noch de prestaties heeft geleverd noch de inzet heeft getoond die met hem waren afgesproken, hoewel er sinds de zomervakantie een verbetering op te merken viel. Besloten is dat er naar gestreefd dient te worden om binnen zes maanden tot een (verdere) verbetering van eisers functioneren te komen. Indien dat niet zal lukken zou in het uiterste geval een ontslag niet uitgesloten kunnen worden.

Opnieuw blijkt uit de schriftelijke reacties van eiser dat eiser van oordeel is dat hij zich optimaal heeft ingezet en dat hij volgens de afspraken heeft gefunctioneerd.

In een voortgangsgesprek ( met een nieuwe leidinggevende) d.d. 27 september 2006 is onder meer aan de orde gekomen dat de eerder al ter sprake gekomen notitie inzake Speerpunt Noord te laat was en te beperkt en dat het geleverde product Op een Hoger Plan veel tijd heeft gekost. Benadrukt is dat eiser in dat najaar goede prestaties zal moeten leveren omdat anders een tweede onvoldoende beoordeling aan de orde zou zijn.

Op 12 december 2006 is de beoordeling over het jaar 2006 opgesteld met een onvoldoende eindoordeel.

De rechtbank is op basis van de hiervoor kort weergegeven gespreksverslagen, de beoordelingen over de jaren 2005 en 2006 en de verdere gedingstukken van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat eisers functioneren al een aantal jaren tekort schoot op een aantal relevante en steeds weer terugkerende onderdelen en dat eiser geen kans heeft gezien daarin (blijvend) verbetering te brengen. Dit laatste ondanks het feit dat de coördinerende taken uit zijn functie zijn verwijderd en er in de afgelopen jaren sprake is geweest van vele evaluatie- begeleidings- en functioneringsgesprekken, waarin de kritiek op zijn functioneren duidelijk is verwoord en hij is gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van zijn onvoldoende functioneren. Gelet hierop zou toch mogen worden verwacht dat eiser zich deze aanhoudende en consistente kritiek, afkomstig van drie opeenvolgende leidinggevenden, ter harte zou hebben genomen, maar dat is niet het geval geweest. Integendeel, eisers schriftelijke reacties tonen aan dat hij zich absoluut niet in de kritiek op zijn functioneren herkent en ook eisers betoog ter zitting gaf er blijk van dat inzicht in het eigen functioneren bij eiser ontbreekt.

Nu eiser ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren, zonder dat dit tot het vereiste resultaat heeft geleid is verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat eiser de geschiktheid voor zijn functie mist. Verweerder was derhalve bevoegd eiser op grond daarvan ontslag te verlenen. Eisers beroep wordt ook in zoverre ongegrond verklaard.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Szauer-Bos, voorzitter, mr. A. Oosterveld en

mr. E.W. Akkerman, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.