Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4384

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
Awb 08/693
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen heffing van leges ongegrond verklaard omdat sprake is van een nieuw bouwplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/922
FutD 2009-1161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 08/693

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

Eiser te woonplaats,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dronten, verweerder,

gemachtigde G.E. Topper.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 13 december 2007 is aan eisers een bouwvergunning verleend. Bij dit besluit is tevens bepaald dat de verschuldigde leges € 2.948,70 bedragen.

Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt bij brief van 19 december 2007.

Dit bezwaar is ongegrond verklaard bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2008. Hiertegen is bij brief van 22 april 2008 beroep ingesteld.

Bij brief van 9 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 24 maart 2009 ter zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.E. Topper.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op 15 juli 2002 is voor het perceel (..) te (..) een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning en bedrijfsruimte. De daarvoor geheven leges bedragen € 4.232,15.

Eisers hebben dit perceel inclusief de bouwvergunning gekocht. Bij besluit van 28 februari 2007 is deze bouwvergunning op naam van eisers gesteld.

Bij aanvraag van 13 juli 2007 hebben eisers een reguliere bouwvergunning aangevraagd in verband met een wijziging van het bouwplan dat ten grondslag heeft gelegen aan de bouwvergunning van 15 juli 2002.

De vergunning is verleend op 13 december 2007. In verband met het in behandeling nemen van de aanvraag is € 2.948,70 leges in rekening gebracht.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of terecht verrekening van de voor de oorspronkelijk verleende vergunning geheven leges, achterwege is gebleven.

Eisers hebben zich op het volgende standpunt gesteld.

Een ambtenaar van de gemeente, de heer (..) heeft op de mogelijkheid gewezen om een gewijzigde bouwaanvraag in te dienen. Op grond van de legesverordening dient dan leges te worden betaald over de meerkosten ten opzichte van de bestaande bouwvergunning.

De voorwaarde dat, om voor verrekening in aanmerking te komen, de aanvraag slechts kleine wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan mag betreffen is zeer subjectief. Daarover hebben eisers vooraf geen helderheid kunnen krijgen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de leges terecht zijn geheven omdat sprake is van een nieuw bouwplan.

Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

Artikel 40, eerste lid, Woningwet zoals dit luidde ten tijde van de uitspraak op bezwaar:

1. Het is verboden

a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning,

b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Artikel 2 Legesverordening 2007 en 2008 luidt:

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven terzake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 5.9.1 van de bij de legesverordeningen behorende tarieventabel luidt voor zover van belang:

Indien een bouwplan tot het verkrijgen van een reguliere vergunning betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een eerder ingediend bouwplan waarvoor reeds een vergunning is verleend, worden de voor de oorspronkelijke vergunning geheven leges verrekend met het bedrag dat verschuldigd is door toepassing van het tarief als vermeld in 5.2.

Indien de afwijking zodanig is dat naar de omstandigheden beoordeeld sprake is van een nieuw bouwplan, vindt geen teruggaaf van de leges plaats.

Derhalve dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bouwplan met bestektekening gedateerd 5 maart 2002 zodanig afwijkt van het bouwplan met bestektekening, gedateerd 28 juni 2007, dat naar de omstandigheden beoordeeld sprake is van een nieuw bouwplan.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, gelet op de wijzigingen in de indeling op de begane grond, op de verdieping en aan de gevels, het plaatsen van meerdere dakkapellen en het realiseren van een loggia in de linker zijgevel. Dit betreft een veelvoud aan aanpassingen die naar het oordeel van de rechtbank niet gering zijn en waaruit logischerwijze volgt dat een nieuwe toetsing dient plaats te vinden aan de Woningwet en nadere regelgeving zoals het Bouwbesluit. Daarbij komt dat ook gebleken is dat de aanpassingen een (nieuwe) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, Wet ruimtelijke ordening noodzakelijk maakten.

Het moge zo zijn dat eisers op grond van overleg met ambtenaren van verweerder bij het indienen van de aanvraag ervan uit zijn gegaan dat de nieuwe aanvraag slechts geringe wijzigingen betrof, doch er is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat hier sprake is geweest van concrete toezeggingen, waaraan eisers een gerechtvaardigd en in rechte te honoreren vertrouwen hebben kunnen ontlenen.

Voorts is aan eisers reeds bij brief van 6 augustus 2007 medegedeeld dat het bouwplan behorende bij de aanvraag van 13 juli 2007 niet kon worden gezien als een wijziging van de reeds verleende vergunning.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. E.W. Akkerman, J.F.M.J. Bouwman en F.G. van Arem, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. G.A. Genee als griffier, op

Afschrift verzonden op: