Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4362

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
Awb 08/1253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opgelegde loonsanctie van 52 weken. Ten aanzien van medische beoordeling bestreden besluit onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/1253

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde: J.R. Beukema van Juricon Adviesgroep B.V.

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam, kantoor Hengelo, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de periode dat eiseres verplicht is het loon door te betalen tijdens de ziekteperiode van werknemer (..) (nader te noemen werknemer) met 52 weken is verlengd.

Op 27 februari 2008 is hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 juni 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 1 augustus 2008 is beroep ingesteld met een beroepschrift dat op 4 augustus 2008 is ingekomen.

Het beroep is op 19 maart 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres is vertegenwoordigd door J.R. Beukema en P.A. Joosting Bunk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.L. Gerretsen.

2. Overwegingen

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op goede gronden een loonsanctie van 52 weken heeft opgelegd.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Werknemer is op 5 april 2006 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als casemanager Zakelijke Markt in verband met klachten tengevolge van een auto-ongeval op 7 december 2005. Op 15 december 2007 heeft werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

In het kader van deze aanvraag heeft medisch en arbeidsdeskundige onderzoek plaatsgehad. Dit heeft geleid tot het besluit van 21 februari 2008, waarbij de periode waarin werknemer jegens eiseres recht heeft op doorbetaling van loon is verlengd tot 1 april 2009.

Deze loonsanctie is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 juni 2008.

Aan dit besluit is door verweerder ten grondslag is gelegd dat verweerder eiseres verantwoordelijk acht voor de re-integratie in die zin dat eiseres volledige aansprakelijk is voor een onjuist oordeel van de ingeschakelde arbodienst. De re-integratie-inspanningen van eiseres zijn volgens verweerder onvoldoende geweest, zonder dat er een deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarom heeft verweerder conform te doen gebruikelijk een loonsanctie van 52 weken opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu de beoordeling van re-integratie-inspanningen onlosmakelijk verbonden is aan de visie betreffende de arbeidsmogelijkheden van de werknemer zal de rechtbank in de eerste plaats het medische aspect van de voorliggende zaak bezien.

Verweerder heeft eiseres volgens de onderliggende rapporten en wat ter zitting is besproken vooral tegengeworpen dat eiseres, enige tijd nadat werknemer werd geconfronteerd met gordelroos, de re-integratie van werknemer niet weer afdoende ter hand heeft genomen.

Volgens de verzekeringsarts was werknemer per datum onderzoek, te weten 28 januari 2008, namelijk belastbaar voor arbeid conform in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen en mogelijkheden. Er was sprake van een onterechte periode van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, hetgeen gerepareerd zou moeten worden door het oppakken van de re-integratie, waarbij een bevredigend resultaat bij plaatsing in spoor 1 of spoor 2 dan wel een afgerond spoor 2 zou worden bereikt.

De rechtbank stelt vast dat deze visie van verweerder in belangrijke mate stoelt op de weergave van de dagbesteding van werknemer in het rapport van de verzekeringsarts van 30 januari 2008. Werknemer heeft deze weergave echter gemotiveerd bestreden.

Voorts is er sprake is van een inhoudelijke inconsistentie in genoemd rapport, waar gesteld wordt dat het de vraag is of de start in de binnendienst (in oktober 2007) -op basis van het verhaal van cliënt- niet meteen te groot was qua verantwoordelijkheid/ taken, terwijl vervolgens wordt aangenomen dat er op basis van een onjuiste FML geen mogelijkheid tot re-integratie aanwezig werd geacht. Opgemerkt wordt in genoemd rapport dat er dan ook sprake is van een onterechte periode van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, hetgeen gerepareerd dient te worden met het oppakken van de re-integratie.

Deze inconsistentie wordt voortgezet in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 28 mei 2008, waar deze arts concludeert dat er zonder goede onderbouwing een afwachtend, volgend beleid is gevoerd en hij deze conclusie doet volgen door de opmerking dat de bedrijfsarts er beter aan had gedaan het oordeel van een onafhankelijke psychiater te vragen.

Verder is in genoemd rapport van 28 mei 2008 opgemerkt dat er hoegenaamd niets aan behandeling gebeurt; uit het meest recente schrijven van de huisarts blijkt dat er een verwijzing naar het maatschappelijk werk en niet naar een psychiater heeft plaatsgevonden, waaruit wordt afgeleid dat er geen sprake was van een zodanig ernstig ziektebeeld dat werknemer in het geheel niet tot arbeid in staat zou zijn.

De rechtbank kan dit niet plaatsen, gelet op onder meer de inhoud van het voortgangsrapport van 19 juli 2007, waarin nadrukkelijk is aangegeven dat werknemer is verwezen naar een psychiater, en is gemeld dat gesprekken met een psychiater van Mediant, de heer Bosman van het centrum voor geestelijke gezondheidszorg, zijn gestart. In de brief van de bedrijfsarts van Arboned, mevrouw A.A. Koolmees, van 2 augustus 2007 wordt melding gemaakt van begeleiding door een psychiater. Verder wordt in het expertiserapport van 16 april 2008 gemeld dat een behandeling EMDR op advies van de behandelende psychiater niet doorging omdat het autorijden vrij goed ging. Hieruit leidt de rechtbank af dat er wel sprake was van een behandelend psychiater en van overwogen keuzes met betrekking tot ingezette behandeling(en).

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat door verweerder nauwelijks aandacht is besteed aan de mogelijke oorzaken en gevolgen van de gordelroos waarmee werknemer, naast zijn bestaande ziektebeeld, in oktober 2007 werd geconfronteerd en waarvan werknemer blijkens gegevens van de huisarts in ieder geval in januari 2008, maar ook in maart 2009, nog hinder ondervond.

Juist nu de arbodienst en zelfs de wederpartij in de civiele schadeprocedure een onderbouwd afwijkende en alleszins plausibele visie hebben op de arbeidsmogelijkheden van werknemer, lag het op de weg van verweerder om goed te onderbouwen waarom verweerder een andere mening is toegedaan. Dit mede gezien de omstandigheid dat ten aanzien van werknemer de -door verweerder kennelijk eerst in bezwaar onderschreven- diagnose PTSS is gesteld. In dit kader wil de rechtbank niet nalaten te verwijzen naar hetgeen hierover is opgenomen in het verzekeringsgeneeskundig protocol voor angststoornissen.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat en waarom de arbodienst op medisch onjuiste gronden heeft aangenomen dat werknemer ten tijde van belang geen duurzaam benutbare mogelijkheden had voor werkhervatting.

Daarmee is het bestreden besluit tevens onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

Bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor de kosten van de ingeschakelde deskundige is de rechtbank niet gebleken van kosten die door eiseres zijn gemaakt, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet dit verzoek te honoreren.

Namens eiseres is voorts verzocht om veroordeling van verweerder tot vergoeding van loonschade die eiseres heeft geleden. De rechtbank ziet geen aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 8:73, van de Awb, om verweerder tot vergoeding van schade te veroordelen, nu (de omvang van de) schade niet vaststaat.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 288,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van beroep tot een bedrag van € 644,-- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te betalen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.G. van Arem, voorzitter, mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en mr. A.I. van der Kris, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. Hardonk-Prins als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.