Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4251

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
Awb 08/2116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing financiële tegemoetkoming inzake woningaanpassing in het kader van Wmo ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/2116

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. E.P. van Dijk van het Juridisch Adviesbureau Gezondheidszorg te Zwolle

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

gevestigd te Dalfsen, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn aanvraag om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 20, lid b, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Dalfsen (hierna: de verordening). Daartegen is bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2008 is dit bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een advies van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 21 oktober 2008. Op 27 november 2008 is beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 maart 2009.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Visser.

2. Overwegingen

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de aanvraag van eiser voor een financiële tegemoetkoming inzake de aanpassing van zijn huis aan de (..) te (..) heeft afgewezen.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser bewoont sinds zijn geboorte op (..) een pachtboerderij aan de (..) te (..). Deze boerderij valt onder Monumentenzorg en heeft een slaapkamer en badkamer op de begane grond.

Eiser en zijn vrouw hebben in 1996 het huis aan de (..) te (..) gekocht. Dit huis is vervolgens betrokken door een zoon, die op de boerderij werkzaam is. In de loop der tijd heeft deze zoon de taken van eiser op de boerderij overgenomen, nadat eiser ongeveer vijf jaar geleden werd geconfronteerd met gezondheidsproblemen. Uiteindelijk is de diagnose Inclusion Body Myositis (IBS), een zeldzame ongeneeslijke, chronische en progressieve spierziekte, gesteld.

Op 25 januari 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend om in het kader van de Wmo in aanmerking te worden gebracht voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verbouwing van de woning aan de (..). In de toelichting bij de aanvraag d.d. 18 maart 2008 heeft eiser onder meer het volgende aangegeven: “ Door het bereiken van de 65-jarige leeftijd moeten wij de woning (..) verlaten. Wij hebben in eigendom de woning (..) postcode (..) te (..). Alvorens wij de woning kunnen betrekken dient deze, gelet op de voortschrijdende ziekte, te worden aangepast. Nadat aanpassing van de woning heeft plaatsgevonden zullen wij deze betrekken.” De kosten voor het aanbrengen van een slaapkamer en een badkamer, alsmede het aanbrengen van aangepast sanitair op de begane grond, zijn begroot op € 69.752,23.

Na een huisbezoek, rapportage door een verzekeringsarts van Argo Advies d.d. 20 mei 2008 en een tweede huisbezoek op 30 mei 2008 is de aanvraag bij besluit van 26 juni 2008 afgewezen. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd.

Door verweerder is aan het bestreden besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat ten tijde van belang niet is aangetoond dat de woning aan de (..) niet adequaat was. Er was geen noodzaak om te verhuizen naar een gelijkvloerse woning. Een acute noodzaak voor het aanpassen van de te betrekken woning ontbrak. Verder is verwezen naar artikel 20, lid b, van de verordening en de toelichting daarop.

Voor de beoordeling van het onderhavige geschil zijn de volgende bepalingen van belang.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 6e van de Wmo is bepaald dat in de Wmo onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo, voor zover van belang, treft het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6e, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die deze persoon in staat stellen een huishouden te voeren.

Op 1 januari 2007 is de verordening in werking getreden, die door de gemeenteraad op 25 september 2006 is vastgesteld.

In artikel 20 van de verordening is bepaald, voor zover van belang, dat de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in het hoofdstuk woonvoorzieningen wordt geweigerd indien:

a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college.

In de toelichting wordt ten aanzien van onderdeel a. de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen.(...)Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten 'belangrijke reden'. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.

Ten aanzien van onderdeel b. wordt in de toelichting aangegeven dat, als een persoon met beperkingen verhuist, deze, in relatie tot die beperkingen, zal moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient.

In artikel 4.8.1. van het Verstrekkingenbeleid maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Dalfsen, dat in werking is getreden op 1 januari 2008, is aangegeven dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45.000 niet worden verleend 'tenzij weigering van de voorzieningen gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard'.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de uitspraak van 10 december 2008, gepubliceerd in LJN:BG6612, heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) geoordeeld dat artikel 4 van de Wmo met zich brengt dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen –onder meer: mensen met een beperking- de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het college daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het college om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het college de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. Een besluit in het kader van artikel 4 van de Wmo dient maatwerk te zijn. Daarbij is van groot belang dat ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor de uitvoering van de Wmo relevante feiten en omstandigheden, zo heeft de CRvB verder in de uitspraak van 10 december 2008 overwogen.

Mede gelet op deze uitspraak ligt de vraag voor of verweerder ingevolge de Wmo verplicht was de door eiser gewenste voorziening te treffen ter compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

Daarbij gaat de rechtbank uit van de Wmo-aanvraag van eiser voor (een financiële tegemoetkoming in de kosten van) het aanbrengen in de woning aan de (..) te (..) van een slaapkamer op de begane grond, een badkamer op de begane grond en aangepast sanitair. Een bespreking van eventuele alternatieven is dus niet aan de orde.

De rechtbank beantwoordt de gestelde vraag ontkennend, gelet op het volgende.

Het bestreden besluit is mede gebaseerd op een advies van Argo Advies d.d. 20 mei 2008. Dit advies is tot stand gekomen na medisch onderzoek, waarbij informatie van de behandelende sector is meegewogen.

In het genoemde advies is onder meer aangegeven dat bij onderzoek forse afwijkingen aan armen en benen zijn geconstateerd waardoor de mobiele belastbaarheid gering is. Door de aard van de stoornis is er vergroot valrisico en is eiser minder vaardig. Gezien de bevindingen en de aard van de afwijkingen kan geleidelijke verslechtering worden verwacht. (…)

Samenvattend wordt opgemerkt dat cliënt bekend is met een niet behandelbaar- invaliderend ziektebeeld, geobjectiveerd in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), en dat cliënt een geleidelijke afname van de beenfunctie en in mindere mate van de armfunctie ervaart. Traplopen zal niet adequaat mogelijk zijn maar dat hoeft niet in de huidige woning. Op langere termijn is rolstoelafhankelijkheid te verwachten en nog later mogelijk ook elektrisch rolstoelgebruik binnenshuis. De woning is nu adequaat te achten. Wegens de veranderde werksituatie (cliënt kan zijn werk op de pachtboerderij niet meer doen) wil men dit huis verlaten. Men wil verhuizen naar een andere woning (eigendom) waarin nu hun zoon woont. Deze woning is echter niet gelijkvloers en niet aangepast.

Verder is door verweerder een tweetal huisbezoeken afgelegd op het adres (..) en is de bouwtekening van de woning aan de (..) bezien.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek, waarbij verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de relevante persoonlijke omstandigheden van eiser.

Verweerder heeft uit de beschikbare gegevens de conclusie kunnen trekken dat er ten tijde in geding geen noodzaak was voor het treffen van de gevraagde voorzieningen en er geen noodzaak bestond voor een verhuizing naar de woning aan de (..) op grond van beperkingen of andere in het kader van de Wmo doorslaggevende redenen.

Daaraan doet niet af dat er in het huis aan de (..) sprake was van obstakels, mede nu eisers aanvraag niet was gericht op het wegnemen daarvan. Het namens eiser in beroep ingebrachte ergotherapeutische rapport van 18 november 2008 kan reeds daarom voor de beoordeling van het geschil geen doorslaggevende betekenis hebben.

Ook is niet van belang dat eiser op grond van de Pachtwet verplicht zou zijn te verhuizen. In de eerste plaats onderstreept dit juist het standpunt van verweerder dat er geen medische indicatie is voor de verhuizing naar de woning aan de (..). Dat eiser wenst te verhuizen naar laatstgenoemd adres betekent niet dat verweerder deswege gehouden is de aanvraag van eiser te honoreren. Eiser heeft met de aankoop van het huis aan de (..) in het verleden een bepaald risico genomen dat voor zijn rekening dient te blijven.

Hetgeen namens eiser naar voren is gebracht met betrekking tot de eventuele beschikbaarheid van aangepaste woningen behoeft verder geen bespreking, nu uit eisers opstelling in de onderhavige procedure genoegzaam blijkt dat eiser uitsluitend wenst te verhuizen naar de woning aan de (..) en geen enkele interesse heeft voor eventuele alternatieven.

De compensatieplicht van de Wmo reikt niet zover dat onder omstandigheden als hier aan de orde de gevraagde voorzieningen niettemin (deels) zouden moeten worden verstrekt.

De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn de hardheidsclausule toe te passen of ingevolge artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en mr. F.G. van Arem, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. Hardonk-Prins als griffier, op

Afschrift verzonden op: