Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4177

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
07/410075-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel binnendringen onmachtige, bewijs, toestemming, rechtvaardigheidsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.410075/08 (P)

Uitspraak: 16 april 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

verdachte,

geboren op geboortejaar,

wonende te adres.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

DE TENLASTELEGGING

De verdachte is (na een wijziging op 2 april 2009) ten laste gelegd dat:

1.

Hij op of omstreeks 18 augustus 2008 te Zwartsluis, althans in de gemeente Zwartewaterland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, zijn levensgezel, genaamd (naam), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die (naam) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt/geslagen/vastgepakt en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of (hard/met kracht) tegen die (naam) is aangelopen en/of die (naam) omver heeft/is gelopen en/of die (naam) (hard/met kracht) heeft geduwd en/of die (naam) meermalen, althans eenmaal, bij de keel/hals heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of (vervolgens) die keel/hals heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 augustus 2008 te Zwartsluis, althans in de gemeente Zwartewaterland, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten (naam), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt/geslagen/vastgepakt en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of (hard/met kracht) tegen die (naam) is aangelopen en/of die (naam) omver heeft/is gelopen en/of die (naam) (hard/met kracht) heeft geduwd en/of die (naam) meermalen, althans eenmaal, bij de keel/hals heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of (vervolgens) die keel/hals heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt (gehouden),waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

Hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 17 aug 2008 te Zwartsluis, althans in de gemeente Zwartewaterland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten , meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of in de buik en/of op de rug heeft geslagen en/of gestompt en/of (tegen de borst) heeft geduwd (waardoor zij kwam te

vallen) en/of bij de keel/hals heeft gegrepen/vastgepakt en/of de keel/hals heeft dichtgeknepen (gehouden) en/of heeft getrapt/geschopt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.

Hij in of omstreeks de periode van 25 april 2008 tot en met 15 mei 2008 te Zwartsluis, althans in de gemeente Zwartewaterland, met (naam), van wie hij, verdachte, wist dat die (naam) in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die (naam) niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (naam), hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die (naam) gebracht.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN HET BEWIJS

Vaststaande feiten

Verdachte en (naam) hebben in januari 2008 een relatie gekregen. Verdachte woonde toen bij zijn ouders aan (adres) te Zwartsluis. (naam) woonde op kamers in Zwolle. In maart 2008 is (naam) ingetrokken bij verdachte en zijn ouders aan (adres) te Zwartsluis. In mei 2008 zijn verdachte en (naam) gaan samenwonen in de woning van verdachte aan de (adres) xxx te Zwartsluis. Daar hadden verdachte en (naam) veelvuldig ruzie. Begin juli 2008 is verdachte weer gaan wonen bij zijn ouders aan (adres) te Zwartsluis. (naam) bleef toen alleen wonen in de woning van verdachte aan de (adres).

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden, dat verdachte op 18 augustus 2008 (naam) heeft mishandeld en dat hij in de periode 1 april tot en met 17 augustus 2008 zijn levensgezel (naam) meermalen heeft mishandeld.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden, dat verdachte seksueel is binnengedrongen bij (naam), terwijl zij sliep.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat overtuigend bewijs voor het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde ontbreekt. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde voert de verdediging aan, dat verdachte twee feiten niet ontkent, maar dat bij een feit (de stomp in de buik) de opzet ontbreekt, zodat geen sprake is van mishandeling en dat slechts het tweede feit (de stomp in de rug) mishandeling oplevert. Ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde is bepleit, dat het hier consensuele seks betrof en dat artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht daar niet op ziet.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs het navolgende, op grond van de hierna vermelde bewijsmiddelen.

Feit 1

(naam) heeft aangifte gedaan van mishandeling door verdachte op 18 augustus 2008. Die avond kwam verdachte naar de woning aan de (adres) xxx te Zwartsluis en daar kregen verdachte en zij ruzie. Zij verklaart onder meer, dat verdachte haar in het gezicht heeft geslagen, waardoor zij achterover op de grond is gevallen en dat verdachte haar bij de keel greep. Zij heeft veel pijn.

Verdachte verklaart hierover zelf, dat hij op 18 augustus 2008 ’s avonds naar de woning aan de (adres) is gegaan. Hij heeft (naam) daar op enig moment, toen ze beiden in de keuken stonden, met zijn hand hard in haar gezicht vastgepakt. Hij heeft haar opzij geduwd, toen ze in de deuropening van de keuken stonden. Hij wilde naar de woonkamer lopen. Hij had haar nog vast en hij liep haar als het ware omver. Ze viel achterover op de grond. Het ging wel hard. Even later zag hij dat zij, toen ze op de grond lag, begon te shaken en te trillen. (naam) kwam weer bij.

Later heeft hij haar onder de keel gegrepen en op het bed geduwd.

Voorts ligt er een letselbeschrijving van de GGD Regio IJsselvecht , waaruit blijkt, dat (naam) op 18 augustus 2008 letsel had aan hoofd, borst, rug, armen en benen bestaande uit diverse kneuzingen en bloeduitstortingen en een schaafwond op de lip en aanwijzingen voor een hersenschudding. Verklaard wordt, dat naar verwachting restloos herstel binnen 2 tot 3 weken zal optreden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat wettig en overtuigend bewezen is, dat verdachte (naam) hard in haar gezicht heeft vastgepakt, haar met kracht omver heeft gelopen, waardoor zij is gevallen en dat verdachte (naam) bij de keel heeft vastgepakt.

Wat (naam) voor het overige heeft verklaard over slaan, schoppen en andere dergelijke handelingen van verdachte wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank is mitsdien van oordeel, dat van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Feit 2

(naam) heeft aangifte gedaan van een incident in de periode, dat verdachte weer bij zijn ouders thuis woonde. Verdachte stond op een zaterdagavond voor de deur. (naam) deed open en verdachte sloeg haar met zijn vuist in haar onderbuik. Verdachte ging weg, maar kwam later terug bij de woning. Hij heeft (naam) toen nog een keer geslagen; met zijn vuist in haar gezicht. (getuige) was hierbij aanwezig.

Verdachte verklaart hierover zelf, dat hij de woning in wilde, maar dat (naam) hem niet binnenliet. Hij wilde haar opzij duwen, maar stompte haar toen in haar buik. Toen verdachte later bij de woning terugkwam, heeft hij (naam) wel bij de bovenarm vastgepakt en opzij gezet. Dat ging met harde hand.

Getuige bevestigt de verklaring van (naam). Verdachte stond voor de deur. (getuige), zag, dat, toen (naam) de deur opendeed, (naam) van verdachte een stomp met zijn vuist in haar onderbuik kreeg. Toen verdachte later weer bij de woning terugkwam, zag zij dat verdachte (naam) in haar gezicht sloeg.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat wettig en overtuigend bewezen is, dat verdachte (naam), toen de relatie tussen partijen reeds was beëindigd, in de buik heeft gestompt en in het gezicht heeft geslagen.

Door de verdediging wordt aangevoerd, dat bij de stomp in de buik opzet ontbrak. Verdachte wilde (naam) opzij duwen om de woning binnen te gaan.

(naam) en (getuige) hebben evenwel verklaard, dat verdachte, toen (naam) de deur opendeed terstond, zonder enige aanleiding, met een vuist sloeg. Het gebruik van een vuist wijst evenwel niet op de wil om iemand opzij te duwen, doch juist op het opzettelijk willen slaan van een persoon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er wel sprake was van opzet.

(naam) heeft voorts aangifte gedaan van een incident in mei 2008. Verdachte en (naam) lagen nog in bed. Verdachte sloeg (naam) toen heel hard op haar rug.

Verdachte heeft bekend, dat hij ergens in mei, toen (naam) op bed lag, heel hard op haar rug heeft geslagen of gestompt.

De rechtbank is daarmee van oordeel, dat wettig en overtuigend is bewezen, dat verdachte (naam), toen zij nog wel zijn levensgezel was, op de rug heeft geslagen.

(naam) heeft nog aangifte gedaan van een vuistslag in de buik toen verdachte en zij net aan de (adres) woonden en van mishandeling op de dag dat verdachte en (naam) haar vriendin (getuige) naar Schiphol zouden brengen , maar deze incidenten worden niet ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat hiervan dient te worden vrijgesproken.

Feit 3

(naam) heeft aangifte gedaan van een incident begin mei 2008. (naam) en verdachte sliepen in de woning van de ouders van verdachte aan (adres) te Zwartsluis. (naam) werd in de nacht wakker en verdachte lag bovenop haar en was op dat moment al met zijn penis in haar vagina.

Verdachte heeft ter zitting bekend, dat hij op het door (naam) bedoelde moment zijn penis in haar vagina had, toen zij wakker werd. Door de verdediging is aangevoerd, dat (naam) hiervoor toestemming had gegeven. Een eventuele toestemming staat aan het bewijs van het tenlastegelegde niet in de weg. Dit verweer betreft de vraag of het gedrag gerechtvaardigd is en dit punt zal dan ook bij de behandeling van de strafbaarheid aan de orde komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte zijn penis in de vagina van (naam) heeft gebracht, terwijl zij sliep.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

Hij op 18 augustus 2008 te Zwartsluis opzettelijk mishandelend een persoon, te weten (naam), eenmaal met kracht die (naam) in het gezicht heeft vastgepakt en met kracht die (naam) omver heef gelopen en bij de keel heeft vastgepakt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

2.

Hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 april 2008 tot en met 17 aug 2008 te Zwartsluis, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten (naam), in het gezicht en in de buik heeft geslagen en gestompt en zijn levensgezel, te weten (naam), op de rug heeft geslagen waardoor deze telkens pijn heeft ondervonden.

3.

Hij in de periode van 25 april 2008 tot en met 15 mei 2008 te Zwartsluis, met (naam), van wie hij, verdachte, wist dat die (naam) in staat van lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (naam), hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die (naam) gebracht.

Wat meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

KWALIFICATIE

Het bewezenverklaarde levert op:

1. mishandeling

strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek van Strafrecht;

2. mishandeling en mishandeling van levensgezel

strafbaar gesteld bij artikel 300 en 304 Wetboek van Strafrecht;

3. seksueel binnendringen van onmachtige

strafbaar gesteld bij artikel 243 Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De verdediging voert aan, dat (naam) aan verdachte toestemming had gegeven voor de gedraging als bedoeld onder feit 3.

De verdachte heeft hierover verklaard, dat hij met (naam) over het zogenaamde “wakkerneuken” heeft gesproken. Hij vroeg haar of zij dat ook een keer leuk zou vinden. Jawel, zei ze.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, dat hij niet de avond voorafgaand aan deze gedraging concreet toestemming heeft gevraagd, maar dat hij hiervoor – enige tijd geleden – eenmalig toestemming zou hebben gevraagd aan (naam). Hij heeft voorts ter zitting verklaard, dat dit “wakkerneuken” meerdere keren zou hebben plaatsgevonden en dat zij daartegen niet zou hebben geprotesteerd.

De rechtbank is van oordeel, dat een dergelijke algemene, lang voor de gedraging verleende toestemming, althans impliciete toestemming – mocht een dergelijke toestemming al zijn verleend, hetgeen slechts volgt uit de verklaring van verdachte zelf – niet de wederrechtelijkheid van het gedrag kan opheffen. De rechtbank acht daarbij van belang dat het om een gedraging gaat die inbreuk maakt op de persoonlijke integriteit en waarop de betreffende persoon op dat moment op geen enkele wijze kan reageren. Verdachte had zich er van moeten vergewissen dat het seksueel binnendringen met toestemming van (naam) zou plaatsvinden en heeft dit ten onrechte nagelaten.

De rechtbank neemt daarbij tevens in overweging, dat (naam) het gebeuren zelf zeer zwaar heeft opgevat. Zij noemt het zelf verkrachting.

Ook verdachte zelf heeft verklaard, dat (naam), toen ze wakker werd erg was geschrokken. Verdachte gebruikt in zijn verklaring zelfs het woord ‘angstig’, hetgeen duidt op een meer dan licht geschrokken reactie.

Voorts heeft (naam gezindsvoogd), gezinsvoogd van (naam), verklaard, dat er op 10 juni 2008 een gesprek is geweest waarbij (naam), verdachte en hijzelf aanwezig waren. In dat gesprek heeft verdachte aangegeven, dat het verhaal van (naam) klopt en dat verdachte inderdaad seks met (naam) heeft gehad tegen haar zin.

De rechtbank is mitsdien van oordeel, dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat te zijnen laste bewezen is verklaard.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit naast de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis geen gevangenisstraf op te leggen, althans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, althans een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de rol die (naam) terzake het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft gespeeld. Aannemelijk is immers geworden, dat ook (naam) zich niet onbetuigd heeft gelaten en er over en weer klappen zijn gevallen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit, dat verdachte behoudens een enkele transactie in 2005 verder geen justitiële documentatie heeft en een baan heeft.

De rechtbank acht een werkstraf passend. Deze zal lager zijn dan de gevorderde straf, nu minder bewezen is, dan onder 1 en 2 ten laste is gelegd, maar de rechtbank acht een forse straf wel op zijn plaats gezien de ernst van het onder 3 bewezen verklaarde.

Verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 180 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Aldus gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2009.

Mr. De Jong-de Goede was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.